Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2312

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
09-06-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 7755
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet langdurige zorg 11.2.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/7755

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. T. Akbas),

en

CZ Zorgkantoren Haaglanden, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een persoonsgebondenbudget (pgb) toegekend van € 7.082,88 voor de periode van 19 juni 2014 tot en met 31 december 2014.

Bij besluit van 12 mei 2015 (de vaststellingsbeschikking en budgetafrekening over 2014) heeft verweerder een bedrag van € 7.146,40 van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 29 juli 2015 (de vaststellingsbeschikking 2014) heeft verweerder over de tweede helft van 2014 een bedrag van € 6.132,15 afgekeurd en van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 30 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard voor zover het de ingangsdatum betreft. Het bezwaar tegen de verantwoordingsbeschikking over de tweede helft van 2014 is ongegrond, het bezwaar tegen de vaststellingsbeschikking van 29 juli 2014 is gedeeltelijk gegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Met ingang van 1 januari 2015 is de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) ingetrokken. Op dezelfde datum is de wet langdurige zorg (Wlz) in werking getreden.

Artikel 11.2.2, eerste lid, van de Wlz bepaalt dat ten aanzien van aanspraken, rechten en verplichtingen die bij of krachtens de AWBZ zijn ontstaan vóór het tijdstip van intrekking van die wet, dan wel na dat tijdstip zijn ontstaan ter zake van de afwikkeling van die wet, het recht van toepassing blijft zoals dat gold voorafgaand aan dat tijdstip, behoudens voor zover ter zake bij of krachtens deze wet afwijkende regels zijn gesteld. Dat brengt voor deze zaak mee dat beoordeling plaatsvindt aan de hand van de AWBZ.

2. Eiseres heeft een AWBZ-indicatie voor de functie begeleiding individueel en persoonlijke verzorging. Bij besluit van 20 november 2014 is aan eiseres hiervoor een budget van € 7082,88 toegekend voor de periode van 19 juni 2014 tot en met 31 december 2014.

Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tegen de ingangsdatum van het budget heeft verweerder verzocht de volgende gegevens over te leggen:

  • -

    Volledig ingevuld verantwoordingsformulier;

  • -

    Alle zorgovereenkomsten voorzien van handtekeningen;

  • -

    Bankafschriften;

  • -

    Kopie van de Verklaring Arbeidsrelatie;

  • -

    Het BIG-registratienummer van de zorgverlener.

Eisers heeft geen van de gevraagde gegevens overgelegd.

3. In de vaststellingsbeschikking en budgetafrekening over het jaar 2014 van 12 mei 2015 heeft verweerder bepaald dat eiseres een bedrag van € 7.146,40 te veel aan budget heeft ontvangen en meegedeeld dat dit bedrag zal worden teruggevorderd.

Naar aanleiding van het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 29 juli 2015 bepaald dat eiseres een bedrag van € 6.132,15 dient terug te betalen.

Tevens heeft verweerder naar aanleiding van de alsnog door eiseres overgelegde gegevens vastgesteld dat eiseres in de periode van 30 mei 2014 tot en met 5 juni 2014 zorg heeft ontvangen van het [zorgverlener], zodat alsnog een bedrag van € 153,19 als juist verantwoord wordt beschouwd. Ten aanzien van de periode van 4 juni 2014 tot en met 31 december 2014 heeft verweerder geconcludeerd dat een correcte zorgovereenkomst is overgelegd waaruit volgt dat de zorgverlener € 20,-- per uur ontvangt. Echter uit de overgelegde declaratieformulieren met een totaal bedrag van € 7.040,-- blijkt niet wanneer deze zorg in 2014 is verleend, terwijl bovendien uit de overgelegde urenspecificaties blijkt dat de zorgverlener een bedrag van € 6.995,-- in rekening heeft gebracht. Eiseres heeft dit verschil niet weten toe te lichten. Daarmee blijft onduidelijk hoeveel zorg er per maand is verleend.

Voorts blijkt uit de bankafschriften dat een bedrag van € 1.760,--is overgemaakt naar de zorgverlener [persoon A] en het resterende bedrag van € 5.280, -- is overgemaakt op de bankrekening van [persoon B] . Eiseres heeft hiervoor als verklaring gegeven dat zij dit bedrag contant aan [persoon A] heeft betaald. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om door middel van het overleggen van een kopie van de aanslag inkomstenbelasting 2014 van haar zorgverlener, aannemelijk te maken dat zij dit bedrag daadwerkelijk aan haar zorgverlener heeft betaald. Eiseres heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

4. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat, in het kader van de belangenafweging, alle door eiseres overgelegde gegevens opnieuw zijn beoordeeld. Op basis daarvan is vastgesteld dat het voldoende aannemelijk is dat eiseres over de periode van 30 mei 2014 tot en met 31 december 2014 haar zorgverlener [persoon A] conform de regels heeft uitbetaald voor de door hem verleende zorg. Het bezwaar tegen het besluit van 20 november 2014 is dan ook gegrond en eiseres heeft over deze periode recht op een bedrag van € 7.867,71 waardoor er een bedrag van € 723,31 nog aan eiseres zou moeten worden nabetaald. Verweerder brengt dit bedrag echter in mindering op het terugvorderingsbedrag over deze periode.

Het bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2015 is gedeeltelijk gegrond omdat verweerder een bedrag van € 153,19 alsnog goedkeurt voor de zorgverlener [zorgverlener] . In het kader van de belangenafweging wordt een bedrag van € 880,-- in mindering gebracht op de vordering voor zorgverlener [persoon A] zodat de vordering uitkomt op een bedrag van € 5.085,26.

5. Eiseres is het hier niet mee eens, zij meent dat zij de besteding van het pgb wel op de juiste wijze heeft verantwoord en uitbetaald aan haar zorgverlener.

6. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6.1

Het geschil spitst zich toe tot het voor de zorgverlener [persoon A] afgekeurde bedrag van € 5.280,-- over het jaar 2014.

6.2

Verweerder heeft dit bedrag afgekeurd omdat eiseres dit bedrag contant heeft betaald aan haar zorgverlener. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres hiermee in strijd met de Regeling subsidies AWBZ gehandeld omdat in deze Regeling is neergelegd dat uitsluitend girale betalingen aan de zorgverlener zijn toegestaan. De door eiseres gegeven toelichting dat zij niet wist dat zij het pgb heeft overgemaakt op de rekening van [persoon B] , maar dat [persoon B] heeft verklaard dat het overgemaakte bedrag contant heeft doorbetaald aan de zorgverlener [persoon A] staat haaks op haar verklaring dat zij dit bedrag juist op rekening van [persoon B] heeft overgemaakt omdat [persoon A] nog een openstaande schuld bij zijn zus ( [persoon B] ) had. Bovendien is deze handelwijze in strijd met de Regeling subsidies AWBZ waarin is bepaald dat uitsluitend girale betalingen aan de zorgverlener zijn toegestaan. Overigens heeft eiseres deze verklaring op geen enkele wijze onderbouwd. Ook van de door verweerder geboden mogelijkheid om middels het overleggen van een kopie van de aanslag inkomstenbelasting 2014 van haar zorgverlener [persoon A] aannemelijk te maken dat zij dit bedrag aan haar zorgverlener heeft betaald, heeft eiseres geen gebruik gemaakt.

6.3

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder terecht mogen concluderen dat eiseres niet aan haar verantwoordingsverplichting heeft voldaan waardoor van eiseres een bedrag van € 5.085,26 wordt teruggevorderd.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van S.V. de Bart-van der Vegte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.