Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2294

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 8443
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

intrekking en terugvordering uitkering ingevolge de Participatiewet

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 15/8443 en 15/8775

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2016 in de zaken tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder

(gemachtigde: M. Roodhorst).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder besloten het recht op periodieke bijstand van eiseres ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan ingevolge de participatiewet (Pw) met ingang van 10 juni 2015 in te trekken.

Bij besluit van 14 oktober 2015 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld, zaaknummer SGR 15/8443.

Bij besluit van 25 augustus 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder besloten haar recht op uitkering ingevolge de Pw met ingang van 1 januari 2015 in te trekken, alsmede een bedrag van € 4.804,- van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 14 oktober 2015 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit 2 eveneens beroep ingesteld, zaaknummer SGR 15/8775. De gronden zijn nadien aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2016. Beide zaken zijn gevoegd ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [persoon A].

Overwegingen

1.1

Eiseres ontvangt sinds 28 januari 2008 een uitkering voor de noodzakelijke kosten van haar levensonderhoud naar de norm van een alleenstaande ouder. Zij heeft twee kinderen. Naar aanleiding van een aantal anonieme meldingen met betrekking tot het voeren van een gezamenlijke huishouding door eiseres op het adres [adres] te [woonplaats] is verweerder een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verstrekte uitkering. Dit onderzoek bestond onder meer uit een huisbezoek en het doen van waarnemingen bij het adres [adres] en het uitnodigen van eiseres voor een hoor/wederhoorgesprek op 10 juni 2015. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 16 juli 2015, de rapportage huisbezoek van 10 juni 2015 en de verklaring (gespreksverslag) van eiseres van 10 juni 2015.

1.2

Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 10 juni 2015 ingetrokken, omdat eiseres geen mededeling heeft gedaan omtrent het voeren van een gezamenlijke huishouding met [persoon B]. Voorts is hierin vermeld dat eiseres hiermee de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de Pw heeft geschonden.

1.3

Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken, alsmede een bedrag van € 4.804,- van eiseres teruggevorderd. In dit besluit heeft verweerder overwogen dat eiseres vanaf 1 januari 2015 niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, omdat uit onderzoek is gebleken dat zij in ieder geval vanaf 1 januari 2015 een gezamenlijke huishouding voert met [persoon B].

Zaaknummer SGR 15/8443

2. Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder, conform het advies van de bezwaarschriftencommissie Werk Zorg en Inkomen (de commissie) van 6 oktober 2015, het primaire besluit 1 gehandhaafd. In het bestreden besluit 1 heeft verweerder overwogen dat op basis van de waarnemingen, het huisbezoek en de door eiseres afgelegde verklaring op goede gronden is besloten tot intrekking van de bijstandsuitkering per 10 juni 2015 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.

3. Eiseres voert aan dat verweerder niet in weerwil van hetgeen zij heeft aangevoerd in haar bezwaarschrift en op de hoorzitting het primaire besluit heeft kunnen handhaven.

Zij wist niet dat zij een Marokkaanse bankrekening moest opgeven die op haar naam staat, omdat daarop een bedrag staat dat minder is dan het vrij te laten vermogen. Daarnaast voert zij aan dat uit de observaties niet kan worden opgemaakt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het feit dat de vriend van eiseres bij haar in huis is aangetroffen en regelmatig bij haar verblijft wil nog niet zeggen dat zij een gezamenlijke huishouding voeren. Eiseres ontkent niet dat zij een vriend heeft, maar er is volgens haar geen sprake van zorgen voor elkaar. Vervolgens voert eiseres aan dat de sociaal rechercheurs haar tijdens het onderzoek uitspraken hebben ontlokt. Ook stelt eiseres dat zij onder dwang heeft moeten tekenen, zonder dat zij wist waarvoor zij tekende. De aanwezigheid van attributen van haar vriend kan volgens eiseres worden verklaard doordat zijn woning in [plaats] op dat moment werd gerenoveerd. Eiseres stelt voorts dat zij uitsluitend toestemming heeft gegeven om haar woning binnen te treden, maar niet om de woning te doorzoeken. De resultaten van de doorzoeking zijn dan ook onrechtmatig verkregen en mogen niet worden gebruikt, aldus eiseres.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder het niet doorgeven van de bankrekening in Marokko niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Daarom kan dit aspect in deze procedure niet aan de orde komen. Hetgeen eiseres daaromtrent heeft aangevoerd kan dan ook niet slagen.

5.1.1

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

5.1.2

In artikel 17, eerste lid, van de Pw is - voor zover van belang - bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

5.1.3

Ingevolge artikel 54, derde lid, van de Pw - voor zover van belang - herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt het een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

5.2.1

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is een besluit tot herziening of intrekking van het recht op bijstand een belastend besluit. Dit brengt met zich mee dat het in de eerste plaats aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en op verweerder de last rust aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening of intrekking is voldaan.

5.2.2

Voorts mag volgens vaste jurisprudentie van de CRvB, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0577).

6.1

De rechtbank stelt vast dat een situatie als bedoeld in de uitspraak van de CRvB van 21 mei 2013 zich hier voordoet. Op 10 juni 2015 is eiseres gehoord en heeft zij een verklaring afgelegd, die zij na doorlezing heeft ondertekend. Voorts is niet is gebleken dat de verklaring onder ontoelaatbare druk is afgelegd, onjuist is of om een andere reden buiten beschouwing moet blijven. Mogelijk heeft eiseres tijdens de gesprekken enige druk gevoeld, maar er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat een grotere druk is uitgeoefend dan tijdens een dergelijk gesprek als gebruikelijk en aanvaardbaar is te beschouwen.

6.2

Voorts stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres de sociaal rechercheurs op 10 juni 2015 toestemming heeft gegeven om haar woning te betreden. Blijkens het formulier “huisbezoek ter controle” van 10 juni 2015 kon eiseres er van op de hoogte zijn dat het doel van het huisbezoek het controleren van haar woon- en leefsituatie was. Daartoe kan het doorzoeken van de woning noodzakelijk zijn. Uit het verslag van het huisbezoek kan echter niet worden afgeleid dat de sociaal rechercheurs eiseres expliciet toestemming hebben gevraagd om ook de inhoud van kasten en dozen te mogen controleren. Nu niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat eiseres daarmee heeft ingestemd, moeten de bevindingen van de sociaal rechercheurs in de rapportage huisbezoek van 10 juni 2015 met betrekking tot de inhoud van de kasten en dozen naar het oordeel van de rechtbank buiten beschouwing worden gelaten. Deze bevindingen, zoals opgetekend in dat rapport, heeft verweerder dan ook niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen. Datzelfde geldt voor het rapport van 16 juli 2015, voor zover daarin deze bevindingen uit het rapport van 10 juni 2015 zijn weergegeven.

Voor het overige ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder de bevindingen van de sociaal rechercheurs in de rapporten van 10 juni 2015 en 16 juli 2015 buiten beschouwing had moeten laten. Daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij de beoordeling van de woonsituatie van eiseres niet heeft kunnen afgaan op de overige gegevens zoals die naar voren komen uit deze rapporten alsmede uit de door eiseres op 10 juni 2015 afgelegde verklaring.

6.3

Dit betekent dat dit beroep gegrond is en het bestreden besluit 1 in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb wordt vernietigd.

6.4

Vervolgens zal de rechtbank bezien of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 1 in stand te laten.

6.5

Naar vaste rechtspraak dient de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden (zie onder andere de uitspraak van 31 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:965).

6.6

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onderzoeksbevindingen, die verweerder bij het onderzoek heeft mogen betrekken, in onderlinge samenhang bezien, voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat eiseres en [persoon B] vanaf 10 juni 2015 hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres.

6.7

Hierbij komt in de eerste plaats zwaarwegende betekenis toe aan de bevindingen van dat onderzoek die zijn neergelegd in het rapport van 16 juli 2015. Hierin is vermeld dat gedurende de periode 22 april 2015 tot 10 juni 2015 door medewerkers van de Afdeling Handhaving in totaal 37 waarnemingen zijn verricht in de omgeving van de woning van eiseres. Gedurende die observaties is de auto van [persoon B] 32 keer in de nabije omgeving van de woning van eiseres aangetroffen op verschillende parkeerplaatsen.

6.8

Ook hecht de rechtbank belang aan het onderzoek door de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente [plaats], gehouden op 10 juni 2015, dat op verzoek van verweerder is uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het Rapport van Bevindingen van gelijke datum. De sociale rechercheurs van de gemeente [plaats] hebben op die dag waarnemingen verricht in de directe omgeving van de woning waar [persoon B] staat ingeschreven. Zij hebben daarbij geconstateerd dat na aanbellen en kloppen op de deur niet werd gereageerd. Een buurman van [persoon B] heeft echter tegenover de rechercheurs verklaard dat in de woning niet [persoon B], maar een Zuid-Amerikaanse vrouw met een kind woont, die hij een week eerder nog heeft gezien.

6.9

De bevindingen van het huisbezoek op 10 juni 2015, voor zover die mogen worden gebruikt, dragen verder bij aan de conclusie dat eiseres en [persoon B] hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres. De sociaal rechercheurs hebben blijkens het rapport van dat bezoek immers [persoon B] slapend in de woning van eiseres aangetroffen en is in de woning van eiseres post, administratie, koffers en reistags en medicatie, schoenen en kleding van [persoon B] aangetroffen.

6.10

Naar vaste rechtspraak van de CRvB, zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 1 februari 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BL2104), dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

6.11

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onderzoeksbevindingen, die verweerder bij het onderzoek heeft mogen betrekken, ook voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat eiseres en [persoon B] vanaf 10 juni 2015 zorgdragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Pw.

6.12

In dit verband komt zwaarwegende betekenis toe aan de verklaring (gespreksverslag) van eiseres van 10 juni 2015, waarin zij heeft verklaard dat [persoon B] bij haar inwoont, dat zij de was voor [persoon B] doet en het huis schoonhoudt, alsmede dat hij haar incidenteel financieel ondersteunt.

6.13

Hetgeen eiseres tegenover de bevindingen van verweerder heeft gesteld is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. De stelling dat er geen sprake is van zorgen voor elkaar heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Het betoog van eiseres dat haar vriend bij haar in huis is aangetroffen, alsmede attributen die hem toebehoren, kan worden verklaard doordat zijn woning in [plaats] werd gerenoveerd acht de rechtbank in tegenspraak met de bevindingen van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente [plaats] en kan om die reden niet worden gevolgd. Uit dat onderzoek blijkt immers niet dat de woning van [persoon B] wordt gerenoveerd, maar dat deze door iemand anders wordt bewoond.

6.14

Gezien het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiseres op 10 juni 2015 feitelijk een gezamenlijke huishouding voerde met [persoon B] aan het adres [adres] te [woonplaats].

Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiseres niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Het is dan volgens vaste rechtspraak aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Uit het voorgaande volgt eveneens dat eiseres daarin niet is geslaagd.

7. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onder toepassing van artikel 54, derde lid, van de Pw het recht op bijstand van eiseres terecht per 10 juni 2015 ingetrokken.

8. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 1 in stand kunnen blijven.

9.1

Omdat de rechtbank dit beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9.2

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Zaaknummer SGR 15/8775

10. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder conform het advies van de commissie van 6 oktober 2015 het primaire besluit 2 gehandhaafd. In het bestreden besluit 2 heeft verweerder overwogen dat hetgeen door eiseres tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht niet heeft geleid tot een gewijzigd standpunt.

11. Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw - voor zover van belang- vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw.

12. Nu in de zaak met procedurenummer 15/8443 is geoordeeld dat verweerders onderzoeksgegevens, voor zover die mochten worden gebruikt, een toereikende grondslag vormen voor de conclusie dat eiseres vanaf 10 juni 2015 een gezamenlijke huishouding voerde met [persoon B], biedt de door eiseres op 10 juni 2015 afgelegde en ondertekende verklaring voldoende grondslag voor de conclusie dat eiseres reeds vanaf 1 januari 2015 een gezamenlijke huishouding voerde met [persoon B]. In de door eiseres op 10 juni 2015 afgelegde verklaring heeft zij immers te kennen heeft gegeven dat [persoon B] sinds januari 2015 bij haar woont. Voorts acht de rechtbank daarbij van belang dat de observaties door de sociale rechercheurs ook reeds in april 2015 hebben plaatsgevonden.

13. Daarom heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het recht op bijstand van eiseres op goede gronden over de periode 1 januari 2015 tot en met 10 juni 2015 ingetrokken en op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw, teruggevorderd.

14. Dit beroep is dan ook ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond (zaaknummer SGR 15/8443);

- vernietigt het bestreden besluit 1;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 1 in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-.

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond (zaaknummer SGR 15/8775).

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Lagas, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.