Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2245

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
C/09/483560 / HA ZA 15-240
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

overheidsaansprakelijkheid, recall-verplichting artikel 19 verordening 178/2002, nadeelscompensatie, normaal bedrijfsrisico

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JW 2016/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/483560 / HA ZA 15-240

Vonnis van 9 maart 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABATTOIR AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. drs. K.J. Defares te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. G.J. van Midden te Den Haag.

Partijen zullen hierna Abattoir Amsterdam en de Staat worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7;

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7;

- het tussenvonnis van 22 juli 2015 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

- het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van de op

15 december 2015 gehouden comparitie van partijen, en de daarin genoemde ontvangst van de brief van 30 november 2015 met bijlage van de zijde van Abattoir Amsterdam.

1.2.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk opmerkingen te maken over genoemd proces-verbaal. Namens Abattoir Amsterdam is bij fax van

8 januari 2016 bericht dat dit proces-verbaal geen aanleiding geeft tot nader commentaar. Namens de Staat is geen gebruik gemaakt van de gelegenheid tot het maken van opmerkingen.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Abattoir Amsterdam exploiteert een slachterij die in opdracht van derden voornamelijk runderen en kalveren slacht.

2.2.

Op 17 november 2014 heeft Abattoir Amsterdam zeven kalveren (hierna: de zeven kalveren) geslacht die afkomstig waren van het kalverhouderijbedrijf van de Maatschap [X-Y] te [vestigingsplaats] (hierna: [X-Y] ).

2.3.

Nadat medewerkers van de Stichting Kwaliteitsgarantie Vleeskalversector (hierna: SKV) op 5 november 2014 vier urinemonsters, vier haarmonsters en één voermonster hadden genomen bij kalveren van [X-Y] , zijn deze monsters voor onderzoek overhandigd aan TNO-onderzoeksbureau DUCARES. Het resultaat van het door dit bureau uitgevoerde onderzoek werd op 20 november 2014 bekend en luidde dat de aanwezigheid van het (verboden) spierversterkende middel clenbuterol was aangetoond in de urine- en haarmonsters. Diezelfde dag is het bedrijf van [X-Y] onder toezicht gesteld op grond van artikel 8.11, eerste lid, van de Regeling diergeneesmiddelen van 12 december 2012 en zijn opnieuw haar- en voermonsters genomen op het bedrijf van [X-Y] .

2.4.

Op 20 november 2014 heeft een ambtenaar van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), die door SKV op de hoogte was gesteld van het onder 2.3 bedoelde onderzoeksresultaat, Abattoir Amsterdam mondeling medegedeeld dat bij kalveren van [X-Y] het gebruik van het middel clenbuterol was aangetoond. Abattoir Amsterdam heeft vervolgens procedures ingeleid met het oog op het uit de handel nemen van (lichaamsmateriaal van) de zeven kalveren.

2.5.

De onder 2.3 genoemde, op 20 november 2014 genomen monsters zijn onderzocht door het Instituut voor voedselveiligheid Rikilt, onderdeel van het University & Research centre te Wageningen (hierna: Rikilt). Rikilt heeft op 25 november 2014 schriftelijk gerapporteerd dat in haarmonsters het middel clenbuterol was aangetoond. Op grond van die bevinding zijn zowel bij kalveren uit de stallen van [X-Y] ten aanzien waarvan aanwezigheid van clenbuterol was aangetoond, als bij kalveren uit haar stallen waar nog geen monsters waren genomen (in welke laatstgenoemde stallen de zeven kalveren hadden gestaan) voer-, water- en veegmonsters genomen, alsmede (na proefslachting) oogmonsters. Deze monsters zijn ter onderzoek aan Rikilt ter beschikking gesteld.

2.6.

Bij e-mail van 5 december 2014 heeft de heer drs. [A] , toezichthoudend dierenarts bij de NVWA, Abattoir Amsterdam als volgt bericht:

“Bij deze wil ik […] Abattoir Amsterdam als nog attenderen op het uitvoeren van de recall zoals medegedeeld op 20-11-2014 door collega toezichthouders aan het Abattoir Amsterdam […] Ondanks het tot op heden ontbreken van de “brief” is er desondanks een verplichting tot het uitvoeren van een recall in gevallen zoals onderhavige.

Deze verplichting tot een recall vloeit rechtstreeks voort uit de General Food Law art. 19 (Vo 178/2002). Dit is overigens meerdere malen aan U […] medegedeeld.”

2.7.

Bij brief van 5 december 2014 heeft [B] , afdelingshoofd Toezicht en Uitvoering Slachtplaatsen bij de NVWA (hierna: [B] ), Abattoir Amsterdam, voor zover van belang, als volgt bericht:

“Op 20 november 2014 bent u door de NVWA benaderd omdat u in totaal 7 runderen, afkomstig van Maatschap [X-Y] heeft ontvangen en geslacht die mogelijk besmet zijn met de verboden stof clenbuterol.

Gelet hierop wil ik u op het volgende wijzen.

Clenbuterol is een stof die behoort tot de groep der β-agonisten en is als zodanig een niet-toegestane stof of product als bedoeld in Bijlage 1 Groep A onder 5 van Richtlijn 96/23/EG. Clenbuterol valt tevens onder de werkingssfeer van Richtlijn 96/22/EG. Gelet op Beschikking 2002/657/EG is voor clenbuterol geen grenswaarde bepaald en geldt een 0-tolerantie. Op voornoemd bedrijf zijn runderen bemonsterd waarbij uit het aangetoonde gehalte clenbuterol in de betreffende monsters ruim boven de 0-tolerantie ligt.

Levensmiddelen mogen niet in de handel worden gebracht als zij onveilig zijn (artikel 14, eerste lid van Verordening (EG) nr. 178/2002, ook wel de General Food Law genoemd). Een levensmiddel wordt als onveilig beschouwd als deze schadelijk is voor de volksgezondheid.

In de preambule onder 6 van Richtlijn 96/22/EG is bepaald dat oneigenlijk gebruik van β-agonisten de menselijke gezondheid ernstig in gevaar kan brengen.

Inleiden procedures

Gelet op het bepaalde in artikel 19 van de General Food Law, bent u als exploitant van een levensmiddelenbedrijf gehouden onmiddellijk procedures in te leiden om het betrokken levensmiddel uit de handel te nemen indien, u van mening bent, of redenen heeft om aan te nemen dat een levensmiddel dat u heeft geproduceerd, verwerkt, vervaardigd of gedistribueerd heeft niet aan de voedselveiligheidsvoorschriften voldoet.

Nu het ernstige vermoeden bestaat dat het vlees van de hiervoor genoemde runderen besmet is met clenbuterol moet al dit vlees en de producten ervan uit voorzorg uit de handel worden gehaald.

Om de terughaalactie te kunnen volgen is het noodzakelijk dat alle schakels in de verwerkingsketen van een levensmiddel hun verantwoordelijkheden nemen. Dit houd in dat u uw mogelijke afnemers van deze producten hier eveneens van in kennis stelt en aangeeft dat ook zij dit doen aan hun afnemers.

Gevolgen niet uitvoeren verplichting

Het niet voldoen aan de vorengenoemde verplichting van artikel 19 van de General Food Law is een overtreding van artikel 2.4, eerste lid, onder b, van de Regeling dierlijke producten.

Als de NVWA geen (volledige) melding van u ontvangt over de door u te nemen acties, zal de NVWA een inspectie op uw bedrijf uitvoeren om na te gaan of u de hiervoor genoemde verplichtingen heeft uitgevoerd.

Als tijdens deze inspectie blijkt dat u onvoldoende stappen heeft ondernomen om het vlees van deze runderen uit de handel te nemen en niet uw afnemers hiervan op de hoogte heeft gesteld, zal ik genoodzaakt zijn maatregelen te treffen.

Deze maatregelen houden in dat een boeterapport zal worden opgemaakt en u een bestuurlijke boete opgelegd gaat krijgen. Daarnaast zal ik, bij het voortduren van de overtreding, u een last onder dwangsom opleggen om te zorgen dat u alsnog uw verplichtingen uit de General Food Law uitvoert.”

2.8.

Op 5 december 2014 heeft Rikilt de NVWA de eerste resultaten van het nader onderzoek medegedeeld, te weten dat in de onder 2.5 bedoelde oogmonsters van de kalveren uit de stallen waar de zeven kalveren hadden gestaan, geen clenbuterol was aangetroffen. Op 9 december 2014 heeft Rikilt de NVWA medegedeeld dat in de onder 2.5. bedoelde voer-, water- en veegmonsters van deze kalveren evenmin clenbuterol was aangetroffen.

2.9.

Bij e-mail van 10 december 2014 heeft [B] (van de NVWA) Abattoir Amsterdam als volgt bericht:

“Uit de koppel waar de [zeven kalveren] geslacht bij Abattoir Amsterdam uit afkomstig zijn, zijn door de NVWA en de SKV geen haar- en urinemonsters genomen waarin clenbuterol is aangetoond. Ook in de monsters van de 11 proefslachtingen uit deze koppel is geen clenbuterol aangetoond. [Er is] geen gezondheidsrisico voor de consument. Er is daarom geen reden om vanuit volksgezondheidsoogpunt deze partijen geblokkeerd te houden en derhalve kunnen zij worden vrijgegeven.”

2.10.

Rikilt heeft op 16 december 2014 de aanwezigheid van clenbuterol aangetoond in 45 kalveren van [X-Y] . Deze kalveren hebben gestaan in een andere stal dan de stal waarin de zeven kalveren hebben gestaan. Deze 45 kalveren zijn vernietigd, nadat [X-Y] daartoe een maatregel was opgelegd.

2.11.

Bij brief van 7 januari 2015 is namens Abattoir Amsterdam, op grond van de stelling dat de NVWA ten aanzien van (het vlees van) de zeven kalveren ten onrechte een recall-vordering heeft gedaan, aan de Staat verzocht aansprakelijkheid te erkennen voor de schade van Abattoir Amsterdam. Bij brief van 13 januari 2015 heeft de Staat aansprakelijkheid van de hand gewezen. Namens de Staat is in dat verband onder meer betoogd dat de NVWA geen recall-vordering heeft gedaan, maar Abattoir Amsterdam slechts heeft gewezen op haar uit artikel 19 van Verordening (EG) nr. 178/2002 (ook wel General Food Law genoemd) voortvloeiende verplichtingen.

3 Het geschil

3.1.

Abattoir Amsterdam vordert dat de rechtbank, onder veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding, voor recht zal verklaren dat de Staat aansprakelijk is voor de door Abattoir Amsterdam geleden en nog te lijden schade als gevolg van de recall-vordering, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.2.

De rechtbank begrijpt de stellingen van Abattoir Amsterdam aldus, dat Abattoir Amsterdam aan haar vordering het navolgende ten grondslag legt.

Zij stelt dat de NVWA haar op 20 november 2014 de opdracht heeft gegeven uit voorzorg onmiddellijk procedures in te leiden met het oog op het uit de handel nemen van het vlees van de zeven kalveren en haar gesommeerd heeft al haar afnemers daarvan in kennis te stellen. De NVWA heeft deze mondelinge recall-vordering bij brief van 5 december 2014 (2.7) schriftelijk bevestigd. Mede gezien het dwingende karakter van deze brief, met name onder het kopje “gevolgen niet uitvoeren verplichting”, heeft Abattoir Amsterdam de maatregelen die zij had ingeleid werkelijk uitgevoerd. Voor zover deze mondelinge en schriftelijke recall-vordering rechtmatig zijn geweest, blijkt echter uit de e-mail van 10 december 2014 (2.9) dat de recall-vordering achteraf gezien onterecht is geweest. Abattoir Amsterdam stelt dat de Staat onrechtmatig handelt, omdat hij de schade van Abattoir Amsterdam ten gevolge van de recall-vordering niet wil vergoeden.

3.3.

Voorts betoogt Abattoir Amsterdam dat de verplichting van de exploitant van een levensmiddelenbedrijf om een levensmiddel uit de handel te nemen op grond van artikel 19 van Verordening 178/2002 ontstaat indien sprake is van een werkelijk en onmiddellijk gevaar voor de voedselveiligheid en de volksgezondheid. Gebleken is dat dit gevaar er nooit is geweest. Voorts is, in strijd met artikel 6 van de General Food Law, in dit geval niet tijdig een risicoanalyse en risicobeoordeling uitgevoerd; het heeft van 20 november 2014 tot 10 december 2014 geduurd voordat duidelijk werd dat geen clenbuterol was aangetoond bij de kalveren uit de stal waarin de zeven kalveren hadden gestaan. Bij het bekend worden van dit onderzoeksresultaat was de schade echter reeds geleden. Het te laat uitgevoerde onderzoek heeft bovendien tot gevolg dat de schade niet tot het normaal bedrijfsrisico van Abattoir Amsterdam behoort.

3.4.

Ten slotte betoogt Abattoir Amsterdam dat de NVWA in de vijfde alinea van haar brief van 5 december 2014 (“uit voorzorg”, 2.7) kennelijk refereert aan het voorzorgsbeginsel als bedoeld in artikel 7 van Verordening 178/2002. Nu geen sprake is geweest van een tijdige en grondige wetenschappelijke risicobeoordeling kan de recall-vordering volgens haar niet (achteraf) worden gerechtvaardigd door een beroep op dit beginsel. Dit beroep is onverenigbaar met een juiste toepassing en uitleg van Verordening 178/2002, aldus nog steeds Abattoir Amsterdam.

3.5.

De Staat voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Artikel 19, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (hierna: Verordening 178/2002) luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Verantwoordelijkheden voor levensmiddelen: exploitanten van levensmiddelenbedrijven

1. Indien een exploitant van een levensmiddelenbedrijf van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een levensmiddel dat hij ingevoerd, geproduceerd, verwerkt, vervaardigd of gedistribueerd heeft niet aan de voedselveiligheidsvoorschriften voldoet, leidt hij onmiddellijk de procedures in om het betrokken levensmiddel uit de handel te nemen wanneer dit de directe controle van de exploitant van een levensmiddelenbedrijf heeft verlaten […]”

4.2.

Dit artikellid roept, mede in aanmerking genomen het blijkens de overwegingen bij de Verordening 178/2002 beoogde hoog niveau van bescherming van het leven en gezondheid van de mens, voor Abattoir Amsterdam in geval zij redenen heeft om aan te nemen dat door haar ten behoeve van consumptie geslacht en verwerkt vlees niet aan de voedselveiligheidsvoorschriften voldoet, de direct werkende verplichting in het leven onmiddellijk procedures te entameren om dit vlees uit de handel te (laten) nemen (hierna: de recall-verplichting). Voor het ontstaan van deze recall-verplichting is, anders dan Abattoir Amsterdam betoogt, niet vereist (dat definitief is vastgesteld dat sprake is van) een werkelijk en onmiddellijk gevaar voor de voedselveiligheid en de volksgezondheid.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat clenbuterol een verboden middel is en dat (lichaamsmateriaal van) dieren waarin dit middel aanwezig is, niet in de handel mag worden gebracht. Niet betoogd is dat enige (wetenschappelijke) onzekerheid bestaat over de schadelijkheid van consumptie van levensmiddelen die clenbuterol bevatten.

Verplichting op grond van artikel 19, eerste lid, Verordening 178/2002

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat NVWA Abattoir Amsterdam op 20 november 2014 heeft gewezen op de resultaten van het door DUCARES uitgevoerde onderzoek (2.3) en de ten gevolge daarvan voor Abattoir Amsterdam ontstane verplichtingen op grond van artikel 19, eerste lid, Verordering 178/2002 geen onrechtmatig handelen van de Staat oplevert. Deze onderzoeksresultaten hadden namelijk zonder meer reden voor Abattoir Amsterdam moeten vormen om aan nemen dat het vlees van de zeven kalveren niet aan de voedselveiligheids-voorschriften voldeed. De berichtgeving van de NVWA is tegen deze achtergrond gerechtvaardigd en niet in strijd met enige rechtsnorm; die berichtgeving getuigt veeleer van zorgvuldigheid aan de zijde van de NVWA gegeven de zwaarwegende belangen die Verordening 178/2002 beoogt te beschermen. Daaraan doet, anders dan Abattoir Amsterdam lijkt te betogen, niet af dat de door DUCARES onderzochte monsters genomen waren van kalveren die niet in dezelfde stal hadden gestaan als de zeven kalveren en evenmin dat [X] Abattoir Amsterdam kennelijk had verzekerd dat er met de zeven kalveren niets aan de hand was. Zou Abattoir Amsterdam op grond van deze omstandigheden hebben afgezien van het inleiden van procedures om het vlees van de zeven kalveren uit de handel te nemen, dan zou zij welbewust een serieus risico van overtreding van Verordening 178/2002 hebben genomen, hetgeen zich niet verdraagt met eerder genoemd hoog niveau van bescherming van leven en gezondheid van de mens. Ten slotte kan in dit verband evenmin gewicht worden toegekend aan de ter comparitie namens Abattoir Amsterdam gedane mededeling dat er op 20 november 2014 al een goedkeuring van de NVWA lag met betrekking tot de zeven kalveren, nu ten aanzien van deze beweerdelijke goedkeuring gesteld noch gebleken is dat deze is verleend op grond van (laboratiorium)onderzoek van (lichaamsmateriaal van) de zeven kalveren.

Geen recall-vordering

4.5.

De rechtbank is met de Staat van oordeel dat de NVWA op 20 november geen “recall-vordering” aan Abattoir Amsterdam heeft gericht. De stelling van Abattoir Amsterdam dat sprake is geweest van een dergelijke vordering wordt in de eerste plaats ondergraven door de inhoud van de onder 2.6 aangehaalde e-mail en de onder 2.7 aangehaalde brief van de NVWA. Namens Abattoir Amsterdam zijn, ook nadat daarnaar ter zitting expliciet was gevraagd, geen concrete feiten over een (mondelinge) mededeling van medewerkers van de NVWA naar voren gebracht die tot een andersluidend oordeel zouden kunnen leiden. Dat namens de NVWA diverse malen dwingend erop was gewezen dat Abattoir Amsterdam maatregelen diende te nemen, vormt namelijk niet een dergelijke mededeling. Evenals de in de brief van 5 december 2014 (2.7) onder het kopje “gevolgen niet uitvoeren verplichting” opgenomen dwingende mededelingen, kunnen deze mededelingen namelijk redelijkerwijs niet anders begrepen worden dan dat de NVWA Abattoir Amsterdam daarmee terecht wijst op de recall-verplichting van Abattoir Amsterdam en op de gevolgen van het niet naleven daarvan. De recall-verplichting volgt uit artikel 19, eerste lid ban de Verordening 178/2002 en voor het onstaan van de recallverplichting is dan ook geen vordering van de NVWA noodzakelijk en evenmin een beroep van de NVWA op artikel 7 van Verordening 178/2002. Voorts is, met name ten aanzien van eerder genoemde dwingende mededelingen, van belang dat niet in geschil is dat de NVWA in alle stadia van de productie, verwerking en distributie krachtig dient op te treden tegen exploitanten van levensmiddelenbedrijven die niet aan hun recall-verplichtingen op grond van artikel 19, eerste lid, Verordening 178/2002 voldoen. Dit volgt ook uit artikel 17, tweede lid, van de Verordening 178/2002.

Verwerping beroep op artikelen 6 en 7 van Verordening 178/2002

4.6.

De rechtbank begrijpt de stellingen van Abattoir Amsterdam voorts aldus, dat onrechtmatig moet worden geacht dat de NVWA niet met grotere spoed nader onderzoek heeft laten verrichten naar de aanwezigheid van clenbuterol in kalveren die in dezelfde stal hadden gestaan als de zeven kalveren. Abattoir Amsterdam wijst in dat verband op de artikelen 6 en 7 van Verordening 178/2002.

4.7.

De rechtbank stelt voorop dat de de artikelen 6 en 7, gezien de bewoordingen daarvan (alsmede die van de overwegingen 17 en 18 van de preambule) en de plaatsing van deze artikelen in afdeling 1 (“Algemene beginselen van de levensmiddelenwetgeving”) van de Verordening 178/2002, slechts zien op de grondslag van de levensmiddelenwetgeving, namelijk risico-analyse, (vollediger) risico-beoordeling en risicomanagement en dat deze artikelen geen verplichting bevatten voor lidstaten om te onderzoeken of in een concreet geval vlees aan de voedselveiligheidsvoorschriften voldoet. Een beroep op deze artikelen kan Abattoir Amsterdam in de gegeven omstandigheden derhalve niet baten. Hierboven is reeds vastgesteld dat geen discussie bestaat over de juiste (wetenschappelijke) grondslag van het verbod op clenbuterol. De artikelen 6 en 7 van Verordening 178/2002 zijn in dit verband dan ook niet aan de orde. Ook uit de in artikel 17 tweede lid, van de Verordening 178/2002 opgenomen omschrijving van de verantwoordelijkheden van de lidstaten volgt niet een onderzoeksverplichting zoals door Abattoir Amsterdam gesteld. Met de Staat is de rechtbank derhalve van oordeel dat er, anders dan Abattoir Amsterdam kennelijk meent, de genoemde artikelen geen grondslag bevatten voor een verplichting van de Staat om (met uiterste spoed) definitief vast te stellen of de in artikel 19, eerste lid, Verordening 178/2002 bedoelde redenen om aan te nemen dat een levensmiddel niet aan de voedselveiligheidsvoorschriften voldoet zich voordoen.

4.8.

Overigens is de rechtbank van oordeel dat de NVWA in dit geval voortvarend genoeg is geweest in het intitiëren van nader onderzoek, zodat niet kan worden volgehouden dat de NVWA, ook als haar publiekrechtelijke hoedanigheid in ogenschouw wordt genomen, in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Daarbij komt dat Abattoir Amsterdam met betrekking tot onderzoek niet afhankelijk was van de NVWA, omdat Abattoir Amsterdam ook zelf (met spoed) onderzoek had kunnen laten uitvoeren. Uit hetgeen ter zake ter comparitie namens Abattoir Amsterdam is verklaard, leidt de rechtbank af dat zij niet is overgegaan tot het doen van nader onderzoek omdat de kosten daarvan bijzonder hoog zouden zijn, waarbij Abattoir Amsterdam kennelijk deze kosten heeft afgewogen tegen de schade die het (definitief) uit de handel laten nemen van het vlees van de zeven kalveren met zich zou brengen, hetgeen voor haar risico blijft.

Beroep op nadeelcompensatie

4.9.

Abattoir Amsterdam betoogt voorts dat de Staat onrechtmatig handelt door haar schade niet te vergoeden. Zij legt aan dat betoog slechts ten grondslag de omstandigheid dat de maatregelen achteraf bezien niet nodig waren geweest, alsmede het hierboven reeds verworpen betoog dat de NVWA voortvarender onderzoek had moeten doen naar kalveren die in dezelfde stal hadden gestaan als de zeven kalveren.

4.10.

Met betrekking tot dit beroep op nadeelcompensatie overweegt de rechtbank als volgt. Onevenredig nadelige - dat wil zeggen: buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende, en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende - gevolgen van een overheidshandeling of overheidsbesluit, behoren niet ten laste van die beperkte groep te komen, maar dienen gelijkelijk over de gemeenschap te worden verdeeld. Bij de beoordeling of sprake is van normaal bedrijfsrisico dienen de voorzienbaarheid voor de ondernemer van de schade te worden betrokken, de omvang van de schade en de aard van de overheidshandeling.

4.11.

Niet is in geschil dat in het onderhavige geval geen sprake is van een overheids-besluit. Als de berichtgeving van de NVWA van 20 november 2014 en

5 december 2014 al als een voor deze beoordeling relevante overheidshandeling dient te worden beschouwd - de recall-verplichting van Abattoir Amsterdam is immers niet het (directe) gevolg van deze berichtgeving, maar volgt uit artikel 19, eerste lid, van de Verordening - stuit het betoog van Abattoir Amsterdam af op de omstandigheid dat (de beweerdelijke omvang van) de schade voor haar voorzienbaar was en dat de gestelde schade dus tot haar normaal bedrijfsrisico behoort. De rechtbank is met de Staat van oordeel dat bij de handel in dierlijke producten niet alleen een objectief voorzienbaar risico van ziekten bestaat (vgl. HR 20 juni 2003, AB 2004, 84), maar eveneens een soortgelijk risico op aanwezigheid van (verboden) stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid, zoals verboden spierversterkers. Dat laatstgenoemd risico voorzienbaar is en eerst en vooral op de ondernemer rust vindt bevestiging in de omstandigheid dat artikel 19, eerste lid, Verordening 178/2002 de primaire verantwoordelijkheid voor (preventieve) maatregelen met het oog op bedreiging van de voedselveiligheid door onder meer deze verboden middelen bij de ondernemer legt. Voorts vindt dit bevestiging in de de namens Abattoir Amsterdam gedane mededeling dat zij al vaker recalls had meegemaakt en in de omstandigheid dat Abattoir Amsterdam, zoals zij ter compartie desgevraagd heeft meegedeeld, de onderhavige schade - die zij zelf schattenderwijs begroot op ongeveer honderdduizend euro - op zichzelf had kunnen verzekeren, maar daartoe niet is overgegaan vanwege de hoogte van de premies. Abattoir Amsterdam heeft ten slotte niets aangevoerd op grond waarvan in dit specifieke geval geoordeeld dient te worden dat ondanks het zojuist overwogene, toch sprake is van onevenredig nadelige gevolgen. De enkele, op zichzelf genomen juiste, stelling dat Abattoir Amsterdam niets verkeerd heeft gedaan kan niet leiden tot een dergelijk oordeel.

Slotsom

4.12.

Nu uit het voorgaande volgt dat de Staat geen verwijt treft, bestaat geen grond voor schadevergoeding aan Abattoir Amsterdam. De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen. Abattoir Amsterdam zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding aan de zijde van de Staat gevallen. De tot op heden ten laste van de Staat gevallen kosten worden begroot op € 1.517 (€ 613 aan griffierecht en € 904 aan salaris advocaat (2 punten tegen tarief II van € 452 per punt). De kostenveroordeling zal worden vermeerderd met de gevorderde en niet bestreden wettelijke rente en, als gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Voor een afzonderlijke veroordeling in de nakosten van dit geding bestaat geen grond, nu de verschuldigdheid door Abattoir Amsterdam van deze kosten reeds uit de proceskostenveroordeling volgt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt Abattoir Amsterdam in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 1.517, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na heden tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass, mr. I.A.M. Kroft en mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2016.