Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:223

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-01-2016
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4798
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek schadevergoeding, 8:88 Awb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/4798

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 januari 2016 op het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2], te Den Haag, verzoekers

(gemachtigde: mr. K.T.F. Chocolaad),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. A.T. Röst).

Procesverloop

Verzoekers hebben bij brief van 4 maart 2015 verweerder verzocht om vergoeding van de door hen beweerdelijk geleden schade ten bedrage van € 4.153,37, exclusief wettelijke rente.

Bij beslissing van 20 mei 2015 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding van verzoekers met toepassing van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in behandeling genomen.

Verzoekers hebben de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade die zij hebben geleden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2015.

[verzoeker 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 25 september 2013 hebben verzoekers een bijstandsuitkering aangevraagd. Zij hebben bij de aanvraag vermeld dat de uitkering met ingang van 1 augustus 2013 wordt aangevraagd, nu verzoeker per deze datum ontslag was aangezegd. Verzoeker is tegen zijn ontslag een procedure gestart. Bij besluit van 12 november 2013 is aan verzoekers een bijstandsuitkering toegekend met ingang van 25 september 2013. Tevens heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een verwijtbaar ontslag en is bij wijze van maatregel de uitkering vanaf 25 september 2013 met 100% verlaagd voor de duur van een maand.

1.2

Bij besluiten van 15 januari 2014 en 7 februari 2014 heeft verweerder aan verzoekers maatregelen opgelegd, vanwege het niet, dan wel onvoldoende gebruik maken van de door verweerder aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Bij besluit op bezwaar van 10 november 2014 is het bezwaar tegen de maatregelen gegrond verklaard, en zijn de verlagingen op grond van de maatregelen ongedaan gemaakt. Verzoekers krijgen een proceskostenvergoeding toegekend, onder vermelding dat ten aanzien van de besluiten van 15 januari 2014 en 7 februari 2014 sprake is van een herroeping wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.

1.3

Verzoeker heeft de procedure tegen zijn werkgever inzake zijn ontslag gewonnen, waarbij is vastgesteld dat hij vanaf 8 september 2013 recht had op loon. Verzoeker heeft verweerder de stukken daarover op 11 februari 2014 doen toekomen. Hij heeft verweerder voorts gemeld weer bij zijn oude werkgever in dienst te zijn getreden.

1.4

Bij besluit van 14 februari 2014 heeft verweerder het recht op bijstand van verzoekers met ingang van 25 september 2013 ingetrokken en een bedrag van € 3.306,53 aan bijstand teruggevorderd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat verzoeker informatie heeft verstrekt waaruit naar voren is gekomen dat hij met terugwerkende kracht loon krijgt doorbetaald met ingang van 8 september 2013. Bij besluit van 29 juli 2014 heeft verweerder het besluit van 14 februari 2014 ingetrokken (lees: herzien) in die zin dat de intrekking van de uitkering van verzoekers met ingang van 25 september 2013 ongedaan wordt gemaakt. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat was gebleken dat het inkomen van verzoekers onder de voor hen geldende bijstandsnorm lag. Bij besluit van 11 augustus 2014 is het bezwaar van verzoekers tegen het besluit van 14 februari 2014 niet-ontvankelijk verklaard, nu met het herzieningsbesluit van 29 juli 2014 aan de bezwaren van verzoekers tegemoet is gekomen. Verweerder heeft daarbij overwogen dat door de herziening van het primaire besluit aan de bezwaren van verzoeker tegemoet was gekomen, als gevolg waarvan de onrechtmatigheid van het besluit van 14 februari 2014 vast staat en verzoek om vergoeding van de proceskosten ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb wordt gehonoreerd.

2.1

Artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is indien het besluit van beroep bij de bestuursrechter is uitgezonderd.

2.2

Artikel 8:89, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, indien de schade wordt veroorzaakt door een besluit waarover de Centrale Raad van Beroep (CRvB) of de Hoge Raad in enige of hoogste aanleg oordeelt, de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is.

3. Nu verzoekers verzoeken om vergoeding van schade ten gevolge van onrechtmatige besluitvorming door een bestuursorgaan en de CRvB in bijstandszaken hogerberoepsrechter is, is de bestuursrechter van de rechtbank, gelet op bovenstaande artikelen, bevoegd kennis te nemen van het verzoek.

4. Het verzoek om schadevergoeding heeft betrekking op gestelde schade, beweerdelijk veroorzaakt door de besluiten van 15 januari 2014, 7 februari 2014 en 14 februari 2014. De verzochte schadevergoeding bedraagt in totaal € 4.806,77. Deze schade ziet op het onder de marktwaarde verkopen van de auto en de televisie van verzoekers, bedragen van respectievelijk € 800,- en € 350,-. Daarnaast is een bedrag van € 349,97 betreffende incassokosten en rente gevorderd. Deze kosten zijn ontstaan doordat verzoekers niet in staat waren hun vaste lasten tijdig te betalen. Tot slot is een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd, alsmede een bedrag van € 1.306,80 ter zake van kosten van rechtsbijstand.

Onrechtmatigheid besluiten

5. Tussen partijen is niet in geschil dat de besluiten van 15 januari 2014 en 7 februari 2014 onrechtmatig zijn geweest. Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of het besluit van 14 februari 2014 onrechtmatig is genomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het besluit van 11 augustus 2014 uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk de onrechtmatigheid van het besluit van 14 februari 2014 heeft erkend, nu daarin is opgenomen dat met de herziening van het primaire besluit van 14 februari 2014 de onrechtmatigheid van dit besluit vaststaat. Verweerder is in dit besluit bovendien -onder verwijzing naar artikel 7:15, tweede lid, van de Awb- overgegaan tot vergoeding van de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van het bezwaar hebben gemaakt. Van belang is in dit kader dat in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb als voorwaarde aan de toekenning van proceskostenvergoeding wordt gesteld dat er sprake is van een herroeping van een besluit wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In de onderhavige procedure stelt verweerder zich op een gewijzigd standpunt, te weten dat het besluit van 14 februari 2014 niet onrechtmatig was, nu het inhield de intrekking van het recht op bijstand naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van verzoekers. Gelet op de ongeclausuleerde en ondubbelzinnige schriftelijke erkenning door verweerder van de onrechtmatigheid van het besluit van 14 februari 2014 in het besluit van 11 augustus 2014 gaat de rechtbank aan dit argument voorbij. Verweerder moet immers bij zijn opstelling van het besluit van 11 augustus 2014 van deze omstandigheid op de hoogte zijn geweest en moet worden geacht deze bij zijn besluitvorming te hebben betrokken.

6. Op basis van hetgeen is overwogen onder 5 is de rechtbank van oordeel dat de besluiten van zowel 15 januari 2014 en 7 februari 2014 onrechtmatig zijn, evenals dat van 14 februari 2014. Dit houdt in dat ten gevolge van deze besluiten geleden schade in beginsel voor vergoeding in aanmerking komt.

Materiële schade

7. Naar vaste rechtspraak, zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2317, dient in het kader van het bestuursrecht voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht.

8.1

Verzoekers wensen vergoeding van het financiële nadeel dat zij hebben geleden ten gevolge van het onder de marktwaarde verkopen van hun auto en televisie, verder wensen zij vergoeding van incassokosten en betaalde rente. De rechtbank stelt vast dat de gestelde schade is ontstaan door vertraging in de betaling van de bijstandsuitkering. Artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) normeert de omvang en de duur van de verplichting tot vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Het eerste lid van dat artikel bepaalt dat deze schadevergoeding bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Het is vaste rechtspraak dat de gevolgen van een onrechtmatige intrekking van een uitkering, zoals in dit geval aan de orde is, in beginsel zijn terug te voeren op de vertraagde uitbetaling van die uitkering, althans voor zover het gaat om kosten die zijn gemaakt als gevolg van het tijdelijk gemis aan geld door die intrekking. Zoals de CRvB heeft overwogen in zijn uitspraak van 9 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4087, brengt de strekking van artikel 6:119 van het BW mee dat de daarin aangewezen gefixeerde hoogte van de schade niet opzij kan worden gezet op de grond dat de rechthebbende meer schade heeft geleden dan alleen de wettelijke rente.

8.2

Verzoekers hebben betoogd dat dit anders ligt, indien de oorzaak van de vertraging in de betaling punitief van aard is, zoals bij het opleggen van een maatregel. Indien achteraf blijkt dat dit onrechtmatig was, zoals ook hier, dient naar hun mening de volledige schade voor vergoeding in aanmerking te komen. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze grond niet slagen. Immers ook bij een maatregel, die achteraf bezien ten onrechte is opgelegd, treedt (alleen) een vertraging op in de betaling van de uitkering. Deze vertraging is bepalend bij de vaststelling van de schade en niet oorzaak van de vertraging. De rechtbank wijst in dit kader op de uitspraak van de CRvB van 20 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1363.

8.3

De rechtbank concludeert dat er geen grond bestaat om aan verzoekers een hogere schadevergoeding toe te kennen dan de wettelijke rente. De gestelde materiële schade ziet echter, zoals ter zitting desgevraagd bevestigd, niet op de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, zodat het verzoek wat betreft de materiële schade, niet voor toewijzing in aanmerking komt. Overigens heeft verweerder blijkens zijn verweerschrift van

19 augustus 2015 verzoekers eigener beweging vergoeding van (een deel van) de vertragingsschade toegekend tot een bedrag van € 67,96.

Immateriële schade

9.1

Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van immateriële schade zoekt de bestuursrechter aansluiting bij artikel 6:106 van het BW, zo volgt uit vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2550).

9.2

Voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

9.3

De rechtbank overweegt dat de wetgever daarbij het oog heeft gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. In het licht hiervan is voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende dat verzoekers, zoals zij stellen, een negatieve invloed van de onrechtmatige besluitvorming hebben ondervonden op hun psychisch welbevinden en hun persoonlijk leven. Bovendien hebben verzoekers de gestelde schade niet met stukken onderbouwd. Voor zover het verzoek ziet op immateriële schade komt het dus niet voor toewijzing in aanmerking.

Juridische kosten

10. Tot slot komt ook het verzoek voor zover dat ziet op vergoeding van de kosten rechtsbijstand en het betaalde griffierecht niet voor vergoeding in aanmerking. Het is vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 juli 2004, ECLI:NL:CRVB:

2004:AQ5516, dat de regelingen ten aanzien van vergoeding van het griffierecht in artikel 8:74 van de Awb en de proceskosten in artikel 8:75 van de Awb, een exclusief en wat betreft de proceskosten limitatief en forfaitair karakter hebben. Voor een verzoek om schadevergoeding langs de weg van artikel 8:88 van de Awb is dat niet anders. De rechtbank ziet zich gesteund in haar oordeel door de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3518).

Slotsom

11. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    bepaalt dat het besluit van 14 februari 2014 onrechtmatig is;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Breda, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.