Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2145

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
VK-16/1627 t/m 16/1630
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Dublin, Italië, minderjarige, gezamenlijke opvang, voldoende garanties, belang van het kind

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/1627, 16/1628, 16/1629 en 16/1630

V-nummers: 280.684.090 en 280.684.0916

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter voor vreemdelingenzaken van 2 maart 2016 in de zaken tussen

[naam], eiseres en verzoekster, hierna te noemen: eiseres 1,
, eiseres en verzoekster, hierna te noemen: eiseres 2,

tezamen te noemen: eiseressen,

gemachtigde: mr. P.R. Klaver,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Talsma.

Procesverloop

Bij besluiten van 13 mei 2015 zijn de asielaanvragen van eiseressen afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a (oud), van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat Italië verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling ervan.

Op 29 oktober 2015 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het hiertegen ingestelde beroep (met nummers AWB 15/9948 en 15/9951) van eiseressen gegrond verklaard, de besluiten van 13 mei 2015 vernietigd en verweerder opgedragen nieuwe besluiten te nemen.

Bij besluiten van 28 januari 2016 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eiseressen niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Italië verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling ervan.

Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2016. Eiseressen zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig R. de Bruine, jeugdbeschermer van eiseres 2, en G. Lourens, medewerker van stichting Nidos. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt ambtshalve het volgende. Op 20 juli 2015 is de wet van 8 juli 2015 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ter implementatie van Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) in werking getreden. De asielaanvragen van eiseressen dateren van vóór 20 juli 2015. Gelet op het overgangsrecht van de Procedurerichtlijn heeft dit tot gevolg dat verweerder in de bestreden besluiten het oude recht had moeten toepassen. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:510). Verweerder heeft evenwel het nieuwe recht toegepast door de aanvragen niet in behandeling te nemen. Deze afdoeningsmodaliteit resulteert feitelijk eveneens in een afwijzing, alleen de beroepstermijn is in dit geval korter. Nu eiseressen tijdig tegen de bestreden besluiten beroep hebben ingesteld, zijn zij echter niet benadeeld door de afwijkende beroepstermijn. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht toe te passen. De termijn voor hoger beroep zal gelet op het vorenstaande worden gesteld op vier weken.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres 1, geboren op [geboortedatum] en staatloos, is blijkens haar verklaringen de tante van eiseres 2, geboren op [geboortedatum] en eveneens staatloos. Stichting Nidos is bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 18 november 2014 (C/18/152330 FA RK 14-3195), belast met de tijdelijke voogdij over eiseres 2.

3. Uit de uitspraak van 29 oktober 2015 volgt dat verweerder voorafgaand aan de besluiten van 13 mei 2015 onvoldoende specifieke garanties had van de Italiaanse autoriteiten dat eiseressen gezamenlijk zouden worden opgevangen in een geschikte opvanglocatie, gelet op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014, nummer 29217/12, Tarakhel tegen Zwitserland. Dit was te meer van belang omdat eiseressen in Italië geregistreerd stonden als moeder en dochter, terwijl zij blijkens hun verklaringen in Nederland tante en nicht van elkaar zijn. Als tante en nicht zouden eiseressen wellicht niet als een gezin met een minderjarig kind worden aangemerkt, voor welke groep door de Italiaanse autoriteiten bij brief van 9 februari 2015 reeds algemene garanties waren afgegeven.

4. Naar aanleiding van voormelde uitspraak heeft verweerder de Italiaanse autoriteiten bij brief van 16 december 2015 geïnformeerd over de bij hem bekende familierelatie tussen eiseressen, en hen verzocht te bevestigen dat eiseressen na overdracht gezamenlijk zullen worden opgevangen in een geschikte locatie. Op 17 december 2015 hebben de Italiaanse autoriteiten schriftelijk bevestigd dat eiseressen samen kunnen worden overgedragen, en dat zij samen zullen worden opgevangen in een van de locaties uit het zogeheten SPRAR-project.

5. Bij de bestreden besluiten stelt verweerder zich op het standpunt dat met de brief van 17 december 2015 alsnog voldoende specifieke garanties zijn afgegeven door de Italiaanse autoriteiten, zodat eiseressen gezamenlijk kunnen worden overgedragen aan Italië.

6. Eiseressen voeren het volgende aan. Het is in het belang van eiseres 2, in haar hoedanigheid als minderjarige, dat de asielaanvragen in Nederland behandeld worden. De garanties vanuit de Italiaanse autoriteiten zijn onvoldoende, ook omdat zij nog altijd uitgaan van een onjuiste familierelatie. Het is onduidelijk hoe de opvang daadwerkelijk zal verlopen en of eiseressen niet alsnog van elkaar zullen worden gescheiden. Eiseressen hebben ter onderbouwing een circulaire overgelegd van de Italiaanse autoriteiten waaruit blijkt dat het aantal opvangplaatsen voor gezinnen met minderjarige kinderen is gedaald. Voorts is eiseres 2 door stichting Nidos aangemeld bij Pro Persona Jeugd in Nijmegen omdat zij veel last heeft van nachtmerries en angsten. Overdracht aan Italië zal deze problemen verergeren, vooral nu eiseres 2 thans ruim een jaar in Nederland verblijft en hier geworteld is. Bovendien bestaan volgens stichting Nidos en Defence for Children (DFC) in Nederland meer en betere mogelijkheden tot gezinshereniging met de moeder en zus van eiseres 2, die momenteel in Libanon verblijven. Eiseressen voeren verder aan dat de asielaanvraag van eiseres 1 ook op zichzelf bezien in Nederland behandeld dient te worden. De broer van eiseres 1, die in Nederland verblijft en ernstige psychische problemen heeft, is van haar afhankelijk in de zin van artikel 16 van de Dublinverordening. Daarnaast is eiseres 1 gedurende haar eerdere verblijf in Italië ruw behandeld en gedwongen om vingerafdrukken af te geven. In combinatie met de slechte omstandigheden voor asielzoekers in Italië dient verweerder de asielaanvragen aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, aldus eiseressen.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt bij de beoordeling is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres 1. Deze verantwoordelijkheid volgt reeds uit het claimakkoord van 28 januari 2015. De rechtbank ziet zich daarom allereerst voor de vraag gesteld of verweerder in hetgeen namens eisers 1 naar voren is gebracht aanleiding diende te zien om haar asielaanvraag aan zich te trekken.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres 1 en haar broer. De gestelde psychische problematiek is niet met actuele, medische stukken onderbouwd. Bovendien kwam de broer ongeveer een jaar na eiseres 1 naar Nederland, zodat niet zonder meer duidelijk is waar de gestelde afhankelijkheid uit bestaat. Voorts mocht verweerder, gelet op recente jurisprudentie van het EHRM, zie het arrest van 26 november 2015, nummer 21459/14, J.A. en anderen tegen Nederland, en de Afdeling, zie de uitspraak van 7 oktober 2015, zaaknummer 201506164/1/V3, ten aanzien van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Nu eiseres 1 haar stellingen over de eerdere behandeling en slechte omstandigheden in Italië in het geheel niet met stukken heeft onderbouwd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat dit land zich jegens haar niet aan zijn verdragsverplichtingen houdt. Met eventuele klachten kan zij zich dan ook wenden tot de (hogere) Italiaanse autoriteiten.

9. Gelet op het voorgaande kan eiseres 1 in beginsel overgedragen worden aan Italië. Tussen partijen is niet in geschil dat het in het belang van eiseres 2 is dat zij bij eiseres 1 blijft. De rechtbank ziet zich dan ook vervolgens voor de vraag gesteld of eiseres 2 in haar hoedanigheid als minderjarige een zodanig, zelfstandig belang heeft bij de behandeling van haar asielaanvraag in Nederland, dat verweerder in het verlengde daarvan eveneens de asielaanvraag van eiseres 1 in behandeling dient te nemen.

10. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt. Met de brieven van 16 en 17 december 2015 van respectievelijk verweerder en de Italiaanse autoriteiten is voldoende vast komen te staan dat eiseressen gezamenlijk zullen worden opgevangen, ongeacht de precieze familierelatie - waarvan overigens niet is gebleken dat die in Italië reeds formeel vaststaat. Nu uit de brief van 17 december 2015 eveneens blijkt dat eiseressen zullen worden opgevangen in een opvanglocatie uit het SPRAR-project, en verweerder desgevraagd heeft bevestigd nog altijd een feitelijke controle hierop uit te voeren voorafgaand aan de daadwerkelijke overdracht, zijn voldoende specifieke garanties afgegeven voor een geschikte opvangplek voor eiseressen. Uit het overgelegde document betreffende het aantal opvangplaatsen binnen het SPRAR-project volgt niet zonder meer dat geen geschikte opvangplaats (meer) beschikbaar zou zijn voor eiseressen.

11. Bij de beoordeling van de eventuele medische behandeling van eiseres 2 en de mogelijkheden tot gezinshereniging geldt als uitgangspunt dat deze in Italië op dezelfde wijze beschikbaar zijn. Eiseres 2 heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in haar geval niet zo zou zijn. Gesteld noch gebleken is dat medische behandeling in Italië niet of onvoldoende aanwezig zou zijn. Hierbij is tevens van belang dat eiseres 2 thans (nog) niet onder medische behandeling staat. Nu de Italiaanse autoriteiten op de hoogte zijn van de bij verweerder bekende familierelatie tussen eiseressen, valt voorts niet in te zien waarom gezinshereniging in Italië niet mogelijk zou zijn. Uit de overgelegde stukken van stichting Nidos en DFC blijkt ook niet op welke wijze gezinshereniging in Italië moeilijker zou zijn dan in Nederland. Het mogelijke effect van overdracht aan Italië op eiseres 2 kan, gelet op haar jonge leeftijd en de garanties vanuit de Italiaanse autoriteiten met betrekking tot de opvang, niet leiden tot een andere conclusie.

12. Nu de aangevoerde omstandigheden betreffende eiseres 2 niet op zichzelf, noch in onderlinge samenhang bezien een zodanig zelfstandig belang opleveren dat verweerder beide asielaanvragen aan zich dient te trekken, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseressen gezamenlijk aan Italië kunnen worden overgedragen. De beroepen zijn ongegrond.

13. Nu op de beroepen is beslist, is aan de verzoeken het belang komen te ontvallen, zodat deze reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaken geregistreerd onder nummers AWB 16/1627 en 16/1629,

- verklaart de beroepen ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaken geregistreerd onder nummers AWB 16/1628 en 16/1630,

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, (voorzieningen)rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.Y.M. van Deijck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak van de rechtbank kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.