Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2012

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
15/16357
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Nareis asiel

- Overschrijding termijn aanvraag

- niet verschoonbaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/16357

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 3 maart 2016 in de zaak tussen

[naam] , eiser, en

[naam] , eiseres, hierna: referente,

gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. H.C. van Asperen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. I.E. Lemmers.

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2015 heeft verweerder de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan eiser, met als doel gezinshereniging in het kader van nareis bij referente, zijn echtgenote, afgewezen.

Bij besluit van 17 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het besluit van 21 mei 2015 kennelijk ongegrond verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 12 februari 2016. Eiser is ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Referente is ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig S. Tekeste, tolk in de Tigrinia taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Referente, die de Eritrese nationaliteit heeft, is bij besluit van 4 september 2014 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 4 maart 2015 heeft referente ten behoeve van eiser een mvv aangevraagd in het kader van nareis asiel.

2. De aanvraag is afgewezen omdat deze niet is ingediend binnen de

driemaandentermijn, genoemd in artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Niet is gebleken, aldus verweerder, dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Bij het bestreden besluit is deze afwijzing gehandhaafd.

3. In het onderstaande zal worden ingegaan op de daartegen door eisers aangevoerde beroepsgronden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De rechtbank overweegt allereerst dat het bestreden besluit dient te worden beoordeeld op basis van de feiten en omstandigheden die bij verweerder bekend waren of konden zijn ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, de zogenaamde ‘ex-tunc toetsing’.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn van drie maanden voor indiening van de aanvraag voor verlening van een mvv in het kader van nareis is overschreden. In geschil is of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.

6. Eisers hebben betoogd dat de omstandigheid dat Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) de aanvraag niet tijdig heeft ingediend, had moeten leiden tot de conclusie dat de overschrijding van de driemaandentermijn eisers niet kan worden tegengeworpen.

7. Niet in geschil is dat eiseres bij het verkrijgen van haar asielvergunning middels een (informatie)folder is geïnformeerd over de mogelijkheden van nareis van haar gezinsleden. Referente is dus tijdig voorgelicht en kan worden geacht op de hoogte te zijn van de termijn. Het uitgangspunt is dan ook dat eisers zelf verantwoordelijk zijn voor de tijdige indiening van de aanvraag.

8. Eisers hebben ter toelichting van hun standpunt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de miscommunicatie tussen VWN [plaats 1] en VWN [plaats 2] na de verhuizing van referente van [plaats 1] naar [plaats 2]. Eisers hebben daartoe de logboeken van de betreffende vestigingen van VWN overgelegd.

9. Uit de overgelegde logboeken kan niet worden opgemaakt dat VWN toezeggingen heeft gedaan aan referente waaruit zij had kunnen afleiden dat een aanvraag mvv binnen de driemaandentermijn zou zijn of worden ingediend, dan wel dat referente daarover anderszins onjuist is geïnformeerd. De mogelijk gerezen misverstanden tussen de vestigingen van VWN doen niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van referente om de termijn van indiening te bewaken. Referente had anders kunnen en moeten handelen. Zo heeft referente een afspraak voor 13 november 2014, voor het indienen van de mvv-aanvraag bij VWN [plaats 1], niet afgezegd. Op dezelfde datum had zij een afspraak bij VWN [plaats 2] voor het regelen van zaken in verband met haar verhuizing. Zij heeft toen niet kenbaar gemaakt dat zij op die datum al een afspraak in [plaats 1] had om een aanvraag gezinshereniging in het kader van nareis in te dienen. Dat VWN [plaats 1] haar had aangeraden naar de afspraak in [plaats 2] te gaan, blijkt niet uit de logboeken en kan evenmin worden afgeleid uit de overgelegde brief van VWN van 2 maart 2015. Uit die brief blijkt immers dat VWN [plaats 2] in het geheel niet op de hoogte was van de dubbele afspraak. Dat referente op 18 november 2014 door VWN [plaats 1] zou zijn doorverwezen naar VWN [plaats 2] blijkt hier ook niet uit, net zomin als de stelling van referente dat zij de gezinshereniging op elke volgende afspraak aan de orde heeft gesteld. De omstandigheid dat referente volledig afhankelijk was van VWN, omdat zij een alleenstaande vluchteling is die de Nederlandse taal niet machtig is, maakt dit niet anders. Uit de logboeken blijkt dat referente bij andere zaken wel zelf het initiatief heeft genomen om deze onder de aandacht van VWN te brengen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de termijnoverschrijding terecht niet verschoonbaar heeft geacht. De omstandigheid dat referente de hulp van VWN heeft ingeroepen, ontslaat haar niet van haar eigen verantwoordelijkheid om zich voor te laten lichten en zelf actie te ondernemen. Dat medewerkers van VWN vrijwilligers zijn, en geen professionals, kan hier niet aan af doen. Niet gezegd kan immers worden dat referente zelf voldoende stappen heeft ondernomen om de termijn zelf of met behulp van derden veilig te stellen.

10. Eisers hebben nog gewezen op de brief van verweerder van 22 april 2013 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer. Weliswaar ziet de verweerder blijkens de brief eveneens een rol voor VWN, maar deze rol houdt in dat een asielzoeker in de (voorbereiding op de) asielprocedure wordt geïnformeerd over de mogelijkheden voor gezinshereniging. De rol van VWN ontslaat een vreemdeling dan ook niet van zijn eigen verantwoordelijkheid voor het tijdig indienen van de aanvraag.

11. Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 2 juni 2014 (ECLI:NL:RBNHO:2014:4869) kan niet slagen. De rechtbank Haarlem heeft uitsluitend op grond van in die zaak spelende individuele omstandigheden, inhoudend dat de referent zijn gezin kwijt was en om die reden veronderstelde dat hij nog geen nareisaanvraag kon indienen, het beroep gegrond verklaard. Van vergelijkbare omstandigheden is bij eisers geen sprake.

12. Eisers hebben zich beroepen op artikel 4 van Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn) en artikel 23 van Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn).

De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond aldus dat verweerder op grond van deze richtlijnbepalingen de termijnoverschrijding niet had mogen tegenwerpen. De rechtbank volgt het betoog van eisers dat de Gezinsherenigingsrichtlijn in beginsel van toepassing is indien sprake is van gezinsleden die behoren tot de in artikel 29, tweede lid, van de Vw genoemde categorieën, zoals eiser. Dit betekent echter niet dat verweerder voor gezinshereniging in het kader van nareis asiel niet de in deze wettelijke bepaling genoemde voorwaarden kan stellen. Nu bij het niet-voldoen aan de voorwaarden van artikel 29, tweede lid, van de Vw altijd nog de weg van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd openstaat, is het tegenwerpen van de termijnoverschrijding niet in strijd met voornoemde richtlijnbepalingen. Deze beroepsgrond van eisers treft daarom geen doel.

13. Ten aanzien van het betoog van eisers dat verweerder referente ten onrechte in bezwaar niet heeft gehoord, overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge vaste jurisprudentie mag verweerder met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van horen afzien indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de inhoud van het primaire besluit en wat daartegen is aangevoerd, doet een dergelijke situatie zich hier voor.

14. Het beroep is ongegrond.

15. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.