Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:2006

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
09/827191-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Diefstal met geweld in gesloten inrichting Schakenbosch te Leidschendam op 13 augustus 2015 door drie jongeren die naar buiten wilden. Medewerkster werd geslagen, sleutelbos en telefoon werden van haar afgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/827191-15

Datum uitspraak: 25 februari 2016

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 11 februari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. P. Gruppelaar en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. J.I. Echteld, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 augustus 2015 te Leidschendam, gemeente

leidschendam-Voorburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen een sleutel(bos) en/of een (DECT-)telefoon, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan gesloten inrichting jeugdige Schakenbosch,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of

- het schoppen tegen het lichaam en/of

- het van de broek losscheuren/trekken van de sleutelbos.

3. Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 13 augustus 2015 lukte het vier jongeren om Schakenbosch, een gesloten behandelcentrum voor jongeren te Leidschendam, te verlaten. In de aanloop naar deze uitbraak werd een pedagogisch medewerkster geslagen en geschopt en werd een sleutelbos van haar broek getrokken, waarbij die broek kapotscheurde. Ook werd een DECT-telefoon die aan haar broek zat, losgetrokken. De medewerkster, [slachtoffer] , deed aangifte. Een van de vier jongens, [medeverdachte 1] , kwam dezelfde dag nog terug naar Schakenbosch. De verdachte werd twee dagen later in het centrum van Den Haag aangehouden.

Het feit is aan de verdachte en aan de medeverdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] tenlastegelegd als diefstal met geweld, in vereniging gepleegd. De rechtbank moet onderzoeken of de verdachte zich aan dit feit heeft schuldig gemaakt.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte dit feit heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft onder overlegging van een pleitnota vrijspraak bepleit ten aanzien van het tenlastegelegde schoppen. Zij heeft aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat er sprake is van medeplegen ten aanzien van de geweldshandelingen. De verdachten spraken vooraf af dat zij geen geweld zouden plegen. Het geweld dat wel plaatsvond, was voor de verdachte niet te voorzien. Bij de verdachte bestond geen opzet op geweld en hij heeft daar ook geen bijdrage aan geleverd.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging. 1

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

[slachtoffer] deed aangifte van diefstal met geweld, gepleegd in Schakenbosch te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg op 13 augustus 2015. Aangeefster werkt als pedagogisch medewerkster in deze instelling, een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. Zij verklaarde onder meer het volgende. Ze zag dat een jongere genaamd [medeverdachte 1] ineens zo hard op een deur bonkte dat die open ging. Deze [medeverdachte 1] en drie anderen, de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , renden door de deuropening weg, en gingen vervolgens een trap af die leidt naar een klein halletje op een lagere verdieping. Ze rende hen achterna om ze tegen te houden. Ze voelde een klap op haar achterhoofd en zag vanuit haar ooghoek dat [medeverdachte 3] haar meerdere keren met zijn vuist op haar hoofd sloeg. Ze viel op de grond. Vervolgens trok [medeverdachte 2] aan de sleutelbos die aan haar broeksband vast zat, waarbij haar broek scheurde. De jongens maakten zich vervolgens uit de voeten. 2

In een aanvullende verklaring heeft de aangeefster verklaard dat zij, nadat ze op de grond was gevallen , ook voelde dat de DECT-telefoon die met een clip aan haar broek vast zat, werd weggepakt.3

De verdachte heeft bekend dat hij, toen aangeefster was geslagen en op de grond was gevallen, heeft geprobeerd de sleutels te pakken die aan de broek van aangeefster zaten. 4

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bekend dat hij op een agressieve manier de sleutels van de broek van de medewerkster heeft getrokken. Hij verklaarde dat de jongens hadden afgesproken dat hun ontsnapping niet met agressie gepaard zou gaan maar dat het uit de hand is gelopen.5

Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft bekend dat hij de aangeefster een aantal keer heeft geslagen en dat hij de telefoon van haar heeft gepakt, zodat zij niet op de alarmknop zou kunnen drukken. 6

De rechtbank overweegt met betrekking tot de vraag of er sprake is geweest van medeplegen het volgende.

Medeplegen veronderstelt een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten, waarbij het opzet moet zijn gericht op zowel de samenwerking als de verwezenlijking van het gronddelict, in deze zaak de diefstal met geweld.

De verdachte en de medeverdachten hebben een gezamenlijk plan gemaakt om uit de instelling weg te komen en hebben zich daarbij als eerste doel gesteld dat zij van de medewerkster haar sleutels en de DECT-telefoon zouden afpakken, die nodig waren om naar buiten te komen. Afgezien van opzet op het wegnemen van voornoemde goederen, hadden zij tevens (voorwaardelijk) opzet op het uiteindelijk gepleegde geweld. De verdachten wisten immers dat zij er niet op hoefden te rekenen dat de medewerkster genegen zou zijn om de sleutels en de telefoon vrijwillig aan hen af te staan. Aan de verklaring dat hun afspraak ook inhield dat zij geen geweld zouden gebruiken, hecht de rechtbank dan ook geen waarde. De verdachten hebben hun plan gezamenlijk uitgevoerd, en ieder van hen heeft daarbij een bijdrage geleverd die substantieel was. De bijdrage van de verdachte heeft er ten minste uit bestaan dat hij, gebruikmakend van de machteloze situatie van de aangeefster toen zij geslagen werd en op de grond lag, heeft geprobeerd de sleutelbos van haar te pakken. Aldus dragen de verdachte en de medeverdachten een gelijkwaardige verantwoordelijkheid voor het feit.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zodanig bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn medeverdachten dat sprake is van medeplegen van het tenlastegelegde feit.

Voorgaande bewijsmiddelen en overwegingen leiden de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het feit heeft gepleegd.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht ten aanzien van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 13 augustus 2015 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen een sleutel(bos) en een (DECT-)telefoon, toebehorende aan gesloten inrichting voor jeugdigen Schakenbosch, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit

- het slaan en/of stompen tegen het hoofd en

- het van de broek losscheuren/trekken van de sleutelbos.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht, en tot jeugddetentie voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde toezicht en begeleiding door de reclassering.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om conform het advies van de Raad een voorwaardelijke straf op te leggen en om, als de verdachte toch verantwoordelijk wordt gehouden voor het gepleegde geweld, rekening te houden met zijn beperkte rol.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal met geweld, gepleegd binnen een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. De verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer gewelddadig bejegend en pijn toegebracht. De verdachte heeft met het feit getoond geen respect te hebben voor andermans eigendommen en voor andermans lichamelijke integriteit. De diefstal werd gepleegd in een woonomgeving waarin kwetsbare jongeren verblijven en was gericht tegen een medewerkster. De rechtbank acht aannemelijk dat het feit een grote impact heeft gehad op de medewerksters en de bewoners en dat het feit de gevoelens van onrust en onveiligheid in de accommodatie maar ook daarbuiten, heeft aangewakkerd. Kwalijk is ook dat het feit gepleegd is in de omgeving waarin de medewerkster, zich relatief veilig wetend, haar werk moet kunnen verrichten.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) van 17 augustus 2015 en 11 september 2015. Uit deze rapporten komt onder meer het volgende naar voren. Bij de verdachte is in 2014 een IQ van 73 gemeten. Door zijn gedragsproblemen kon hij niet op het reguliere onderwijs blijven maar hij wilde niet naar het speciaal onderwijs omdat daar jongeren zitten die gedragsproblemen hebben. Hij is op 24 maart 2015 voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld en verblijft op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing, die ook tot 24 maart 2016 loopt, in Schakenbosch. Sindsdien volgt hij daar onderwijs. Hij heeft nog onvoldoende vaardigheden om uit probleemsituaties te blijven. Hij is beïnvloedbaar en een klassieke meeloper. Hij heeft toezicht nodig om zijn gedrag op tijd bij te sturen. Zijn probleem-oplossend vermogen moet worden vergroot. Het is belangrijk dat zijn behandeling in Schakenbosch niet onderbroken wordt. De Raad adviseert een voorwaardelijke werkstraf op te leggen.

Ter terechtzitting is door de deskundige van Stichting Jeugdbescherming west medegedeeld dat het wegloopgedrag van de verdachte opvallend is en zijn behandeling vertraagt. Hij zal eerst beter met grenzen moeten leren omgaan, voor hij naar een vervolgplek kan.

De rechtbank zal het gegeven advies opvolgen. Hoewel in de rapporten geen conclusies over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte zijn vermeld, gaat de rechtbank er bij de strafoplegging van uit dat de verdachte niet geheel toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De rechtbank overweegt dat de bijdrage van de verdachte aan de geweldshandelingen van minder gewicht is geweest dan de bijdragen van de medeverdachten. De rechtbank ziet in dit feit reden om een lichtere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat een voorwaardelijke werkstraf van 80 uren recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding groot € 934,99, bestaande uit materiële schade ad € 44,99 en immateriële schade ad € 890,-, met vergoeding van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 530,-, bestaande uit een bedrag van € 30,- voor de broek en € 500,- euro voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit de vordering te matigen en geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

Uit de verklaring van de aangeefster op pagina 26 van het proces-verbaal van politie blijkt dat de werkgever van de aangeefster haar heeft toegezegd de schade aan de broek te zullen vergoeden. Nu ten aanzien van de gevorderde schade aan de broek – in het licht van voornoemde verklaring – een nadere onderbouwing ontbreekt, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voorzover deze de schade aan de broek betreft.

Ten aanzien van de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van in totaal € 450,- als niet onredelijk toewijsbaar is. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de twee medeverdachten redenen om, in plaats van hoofdelijke toewijzing van dit bedrag, één derde deel daarvan ad € 150,- ten laste van de verdachte toe te wijzen en de vordering voor het overige niet ontvankelijk te verklaren. De rechtbank beoogt met deze beslissing dat de verdachte en de twee medeverdachten ieder één derde deel van de toewijsbare schade zullen moeten vergoeden.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de verdachte toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 13 augustus 2015 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 150,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 augustus 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN en vergezeld VAN GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 80 (tachtig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 40 (veertig) DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

bepaalt dat deze werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van € 150,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 augustus 2015 tot de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 150,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 augustus 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd

[slachtoffer] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Kramer, kinderrechter, voorzitter,

mr. H.M.D. de Jong, kinderrechter,

en mr. A.P. Sno, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mr. E.A.W. Hoefnagels, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 februari 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2015241572.

2 Pag. 17, 18: aangifte door [slachtoffer] .

3 Pag. 26, verhoor aangeefster [slachtoffer] .

4 Pag. 63, verklaring van [verdachte] .

5 Pag. 80, verklaring van [medeverdachte 2] .

6 Pag. 109, verklaring van [medeverdachte 3] .