Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1960

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
26-02-2016
Zaaknummer
16/2397
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eritrese nationaliteit, niet geloofwaardig, termijnen AA, geen aanhouding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/2397 (beroep) en 16/2398 (verzoek)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter voor vreemdelingenzaken van 25 februari 2016 in de zaak tussen

[naam] , eiseres en verzoekster,

hierna te noemen: eiseres,

gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. P.M.W. Jans.

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2016 (hierna: het bestreden besluit) is de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000.

Op 9 februari 2016 heeft eiseres tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2016. Eiseres is bij gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Verzoek om aanhouding

1. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verzocht om aanhouding. Hiertoe voert de gemachtigde aan dat zij gedurende de algemene asielprocedure (AA) onvoldoende kans heeft gehad om met eiseres te spreken, eerst wegens de overplaatsing van eiseres naar een andere locatie en daarna wegens ziekte van de gemachtigde. Ze hebben elkaar voor het eerst gesproken op 26 januari 2016, tevens de dag waarop de gemachtigde het dossier ontving. De voorbereiding op deze zitting werd ernstig bemoeilijkt doordat de tolk op het laatste moment verstek liet gaan. Eiseres wilde de zitting bijwonen, maar door (communicatie)problemen met Vluchtelingenwerk Nederland en het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers is haar de mogelijkheid ontnomen ter zitting aanwezig te zijn. Eiseres dient hiertoe alsnog de mogelijkheid te krijgen en moet zich hierop met haar gemachtigde kunnen voorbereiden.

2. De rechtbank is van oordeel dat geen aanleiding bestaat de behandeling van deze zaak aan te houden en overweegt daartoe als volgt. Uitgangspunt zijn de termijnen zoals vastgesteld voor de AA-procedure. Dat het van belang was met documenten te komen betreffende onder meer haar identiteit, is al tijdens het relocatieinterview van 10 januari 2016 aan eiseres duidelijk gemaakt. De rechtbank stelt voorts vast dat aan eiseres uitstel is verleend voor het indienen van een zienswijze wegens ziekte van haar gemachtigde. Dat hiervan geen gebruik is gemaakt komt voor haar rekening en risico. De rechtbank acht in dit kader tevens van belang dat de gemachtigde van eiseres tijdig beroepsgronden heeft ingediend en ter zitting is verschenen. De rechtbank komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Asielaanvraag

3. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1994 en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Aan de asielaanvraag van eiseres ligt – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiseres heeft Eritrea op éénjarige leeftijd verlaten en is hierna door haar tante in Ethiopië opgevoed. Eiseres heeft Ethiopië verlaten omdat haar partner daar problemen ondervond wegens zijn politieke activiteiten.

4. Tussen partijen is in geschil of de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig zijn.

5. Verweerder legt aan zijn standpunt het volgende ten grondslag. Eiseres heeft geen documenten overgelegd die haar gestelde nationaliteit aantonen. De verklaringen die zij heeft afgelegd over haar Ethiopische identiteitskaart, waarop haar Eritrese afkomst vermeld zou staan, stroken niet met de algemeen bekende informatie over dergelijke verblijfsdocumenten uit het Algemeen Ambtsbericht over Ethiopië van 25 mei 2013. Alle documenten waaruit haar Eritrese nationaliteit blijkt zijn volgens de verklaringen van eiseres verloren gegaan bij een brand in het huis van haar tante. Voorts heeft eiseres wisselend verklaard over haar kennis van het Tigrinya, een officiële taal in Eritrea, en heeft zij alle gehoren gevoerd met behulp van een tolk in het Amhaars, een officiële taal in Ethiopië maar niet in Eritrea. De enkele verklaring van eiseres dat haar ouders en tante de Eritrese nationaliteit bezitten, is niet nader onderbouwd en op zichzelf onvoldoende om de Eritrese nationaliteit van eiseres aan te nemen, aldus verweerder.

6. Eiseres voert aan dat zij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld haar Eritrese nationaliteit aan te tonen. Zij heeft verweerder verzocht haar asielaanvraag te behandelen in de verlengde asielprocedure, zodat zij via haar tante in Ethiopië alsnog bewijzen kan verkrijgen van haar nationaliteit. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat inmiddels vanuit Ethiopië pogingen zijn ondernomen stukken op te sturen, maar dat zij niet weet wat de inhoud van deze stukken is. Eiseres begrijpt het verschil niet goed tussen begrippen als paspoort, identiteitskaart en verblijfspas, maar haar tante weet welke stukken zij op dient te sturen, aldus de gemachtigde. Voorts stelt eiseres dat haar uitgebreide kennis van het Amhaars en haar beperkte kennis van het Tigrinya - ze verstaat het wel min of meer, maar spreekt het niet - verklaard worden door het feit dat zij sinds haar tweede levensjaar in Ethiopië heeft gewoond, zodat dit niet aan haar kan worden tegengeworpen.

7. De rechtbank, tevens voorzieningenrechter, is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres niet geloofwaardig zijn. Tevens is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres voldoende in de gelegenheid heeft gesteld haar Eritrese nationaliteit aannemelijk te maken. Redengevend hiervoor is dat eiseres in het geheel niet heeft verduidelijkt welke documenten zij uit Ethiopië probeert te verkrijgen, in het bijzonder nu zij eerder heeft verklaard dat dergelijke documenten er niet meer zijn. Voorts heeft eiseres geen sluitende verklaring kunnen geven voor de afwijkende kleur van haar Ethiopische identiteitskaart. Ook mocht verweerder aan eiseres tegenwerpen dat zij wisselende verklaringen heeft afgelegd over haar kennis van het Tigrinya, wat er ook zij van de achterliggende reden voor haar beperkte kennis van deze taal.

7. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft benadrukt dat eiseres stelt geen andere nationaliteit te bezitten dan de Eritrese, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor een asielvergunning.

8. Eiseres heeft geen afzonderlijke beroepsgronden ingediend gericht tegen de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiseres terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen.

9. Het beroep is ongegrond. Nu de gevraagde voorziening ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op het beroep is beslist, bestaat in het onderhavige geval geen aanleiding een voorziening te treffen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 16/2397

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter:

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 16/2398

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, (voorzieningen)rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.Y.M. van Deijck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak van de rechtbank kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.