Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1951

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-02-2016
Datum publicatie
19-05-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 8505
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure

Wetsverwijzingen
Ziektewet 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/8505

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2016 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. W.A. Timmer),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

(gemachtigde: mr. M.C.Puister).

Procesverloop

Bij besluit van (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die eiseres ontving op grond van de Ziektewet (ZW) per 8 juni 2015 beëindigd.

Bij besluit van 30 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden zijn later aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 2 februari 2016 ter zitting behandeld.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens is [tolk], tolk verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is op 6 januari 2012 uitgevallen met rug- en beenklachten voor haar werk als werkzaam als schoonmaakster/medewerkster thuiszorg voor 21,5 uren per week. Aan eiseres is na deze ziekmelding een ZW-uitkering toegekend. Per 3 januari 2014 (einde wachttijd) is aan eiseres geen uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Dit omdat aan de hand van de vastgestelde functionele mogelijkheden lijst (FML) voor eiseres de functies productiemedewerker industrie, machinaal metaalbewerker en magazijn, expeditiemedewerker zijn geduid, waarmee geen verlies aan verdiencapaciteit, waarvan het besluit van 4 december 2013, gehandhaafd bij besluit van 21 mei 2014. Het hiertegen door eiseres ingediende beroep is met uitspraak van 29 oktober 2014 door deze rechtbank ongegrond verklaard.

Eiseres heeft zich op 23 juni 2014 met dezelfde klachten en met CTS klachten ziek gemeld. Op het moment van de ziekmelding ontving eiseres een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.

2. Verweerder heeft de ZW-uitkering per 8 juni 2015 beëindigd. Verweerder vindt dat eiseres niet langer ongeschikt is om met name het werk als productiemedewerker te verrichten.

3. Eiseres voert -kort samengevat- aan dat zij niet in staat is om dit werk te verrichten omdat zij door haar klachten en hieruit voortvloeiende beperkingen ongeschikt is om het werk als productiemedewerker uit te voeren. Ter onderbouwing van haar beroep heeft eiseres onder meer brieven van de behandelend neuroloog, anesthesioloog, reumatoloog, plastisch chirurg, orthopedisch chirurg, psycholoog, psychiater en KNO-arts ingediend.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

5.1.

In artikel 19, eerste lid, van de ZW is bepaald dat iemand recht heeft op ziekengeld als hij als gevolg van ziekte of gebreken niet geschikt is voor het verrichten van het eigen werk. De ongeschiktheid om te werken moet rechtstreeks het gevolg zijn van ziekte of gebreken en dat moet objectief medisch vastgesteld kunnen worden.

5.2.

Met het eigen werk wordt bedoeld: het laatste voor de ziekmelding verrichte werk. Wanneer iemand na gedurende de maximale termijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, geldt als maatstaf gangbare arbeid zoals die nader geconcretiseerd is bij de beoordeling van de aanspraak van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) dan wel de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van betrokkene. Bij die beoordeling is een aantal functies voor de betrokken verzekerde geschikt geacht. Onder “zijn arbeid” dient in zo’n geval te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk.

5.3.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de WIA-beoordeling nu niet ter discussie staat, omdat de inhoud van het onder 1 genoemde besluit van 29 oktober 2014 in rechte vast staat. De uitkomsten daarvan moeten in de onderhavige procedure als vaststaand worden aangenomen. De in het kader van de WIA-beoordeling onder 1 genoemde functies moeten daarom als maatgevende arbeid worden aangemerkt. Nu dit besluit in rechte vast staat behoeven de hiertegen gerichte arbeidskundige grieven geen bespreking.

5.4.

In het onderhavige geval dient beoordeeld te worden of eiseres op en na 8 juni 2015 in staat is het werk als productiemedewerker te verrichten.

5.5.

Om te kunnen bepalen of iemand geschikt of ongeschikt is voor het eigen werk, wordt die persoon medisch onderzocht door een verzekeringsarts of een bedrijfsarts in dienst van verweerder. De verzekeringsarts of bedrijfsarts adviseert verweerder over de vraag of er nog recht bestaat op een ZW-uitkering.

5.6.

In de bezwaarfase beoordeelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) of de bevindingen van de eerste verzekeringsarts of bedrijfsarts stand kunnen houden. Ook de verzekeringsarts b&b kijkt daarbij naar de datum van de stopzetting van de ZW-uitkering.

5.7.

De vraag waar de rechtbank een oordeel over geeft, is of het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en of het standpunt van verweerder met betrekking tot de geschiktheid voor het eigen werk per de datum in geding, juist is.

6. Eiseres is op 2 juni 2015 zowel lichamelijk als psychisch onderzocht door de verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft van dit onderzoek een rapport opgemaakt. In het rapport staat onder meer vermeld dat de beperkingen die bij onderzoek zijn vastgesteld dusdanig zijn dat er geen medisch objectiveerbare belemmering bestaat om het werk als productiemedewerker te verrichten. De conclusie van de verzekeringsarts is dat eiseres in staat is per de datum in geding het voornoemde werk te verrichten.

7. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b een rapport uitgebracht. Dit is gebaseerd op dossieronderzoek, het spreekuur op 1 oktober 2015 en de verkregen medische informatie van neuroloog [neuroloog] van 3 september 2015. De verzekeringsarts b&b is het eens met de conclusie van de verzekeringsarts. De verzekeringsarts b&b heeft in beschouwing genomen dat de klachten van eiseres in beperkte mate te objectiveren zijn. Hij heeft geen aanwijzingen voor depressieve stoornis of andere beperkende psychische stoornis. Eiseres heeft voorts een normaal looppatroon en de spontane bewegingen gaan vlot. De benen hebben geen afwijkingen. Eiseres beweegt de schouders, de cervicale wervelkolom (CWK) en de rug voorzichtig maar wel binnen de norm. Aan de handen ziet de verzekeringsarts b&b geen duidelijke afwijkingen, met name ziet hij geen aanwijzingen voor een (recidief) CTS. De verzekeringsarts b&b komt ook tot de conclusie dat eiseres in staat is haar arbeid per de datum in geding te verrichten.

8. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b blijkt dat hij aandacht heeft besteed aan alle klachten van eiseres. Hij heeft geen klachten over het hoofd gezien. De rechtbank acht voorts van belang dat de verzekeringsarts b&b ook de informatie van neuroloog [neuroloog] van 3 september 2015 heeft meegenomen in zijn beoordeling.

9. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de uitslag van het medisch onderzoek onjuist is. Ook de nadere ingebrachte medische stukken maken dit niet anders. De rechtbank verwijst hiervoor naar het rapport van 28 januari 2016 waar de verzekeringsarts b&b naar het oordeel van de rechtbank gemotiveerd is ingegaan op de medische informatie en inzichtelijk heeft aangegeven waarom deze informatie hem geen aanleiding hebben gegeven voor wijziging van zijn eerder ingenomen standpunt.

10. Uit wat hiervoor is geschreven onder de punten 8 en 9, volgt dat de rechtbank van oordeel is dat eiseres per 8 juni 2015 in staat moet worden geacht het werk als productiemedewerker verrichten. Voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank de medische onderbouwing. Verweerder heeft daarom terecht besloten de ZW-uitkering van eiseres te beëindigen. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

11. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van J.A. de Kievit-Tempels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.