Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:17256

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
19-12-2018
Zaaknummer
AWB 16/16639
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen weigering bemiddelingsverzoek DT&V in het kader van buiten schuld; geen besluit en evenmin een daarmee gelijkgestelde handeling ex art. 72 (3) Vw; niet-ontvankelijk omdat tegen niet uitbrengen advies DT&V een adequate rechtsgang openstaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: AWB 16/16639, V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2016 in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman,

en

Ministerie van Veiligheid en Justitie,

Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), verweerder,

gemachtigde: mr. J.R. Bekink.

Procesverloop

Eiser heeft op 8 juli 2015 een verzoek ingediend bij verweerder om bemiddeling bij het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten bij de diplomatieke vertegenwoordiging van Georgië ten behoeve van eisers terugkeer (het bemiddelingsverzoek).

Bij brief van 14 juni 2016 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een advies dat inhoudt dat aan de voorwaarden van het buitenschuld-beleid van de IND is voldaan. Tevens heeft eiser verweerder een termijn van twee weken gesteld om dit advies alsnog uit te brengen.

Op 15 juni 2016 heeft eiser bij de IND een aanvraag ingediend tot verkrijging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd omdat hij (buiten zijn schuld) zonder resultaat heeft geprobeerd uit Nederland te vertrekken.

Op 26 juli 2016 heeft eiser beroep ingesteld wegens het uitblijven van voormeld advies.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij beschikking van 8 september 2016 heeft de IND de aanvraag van eiser van 15 juni 2016 afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2016. Eiser heeft schriftelijk en ondertekend verklaard dat hij niet ter zitting aanwezig wil zijn en is bij gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Over het juridisch kader in deze zaak overweegt de rechtbank ambtshalve als volgt.

1.1.

Artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, luidt als volgt:

1 Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2 Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

3 Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

1.2.

In artikel 4:13, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

1.3.

Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Daartegen kan krachtens artikel 8:1, eerste lid, in verbinding met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb, beroep worden ingesteld.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

1.4.

Op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), voor zover hier van belang, wordt met een beschikking gelijkgesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig.

1.5.

In paragraaf B8/4.1, aanhef en onder 3, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) wordt bepaald dat de IND op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) ambtshalve of op aanvraag, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent aan een vreemdeling die zonder resultaat heeft geprobeerd uit Nederland te vertrekken, als uit het ambtsbericht met positief zwaarwegend advies van de DT&V blijkt dat wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:

(…)

de vreemdeling heeft de DT&V verzocht ten behoeve van hem een aanvraag voor een (vervangend) reisdocument in te dienen bij de autoriteiten van zijn land van herkomst of een ander land waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat hem daar toegang zal worden verleend en deze aanvraag heeft niet het gewenste resultaat opgeleverd (…)”

2. Niet in geschil is dat een advies van de DT&V zoals door eiser verzocht niet op rechtsgevolg is gericht en daarom geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daaruit volgt dat het (mede) tot een dergelijk advies strekkende bemiddelingsverzoek geen aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Nu ook niet in geschil is dat de DT&V een bestuursorgaan is, ziet de rechtbank zich vervolgens gesteld voor de vraag of het uitbrengen een advies moet worden aangemerkt als een met een beschikking gelijkgestelde handeling van de DT&V ten aanzien van eiser als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000.

2.1.

Eiser stelt zich op het standpunt dat het uitbrengen van een advies een feitelijke handeling is als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 waartegen een zelfstandig rechtsmiddel openstaat wegens niet tijdig uitbrengen van het advies. Verweerder stelt zich daarentegen op het standpunt dat het uitbrengen van een advies geen handeling is als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, omdat die handeling niet is gericht op enig rechtsgevolg.

2.2.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft overwogen in haar uitspraak van 3 december 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG5955) in rechtsoverweging 2.5.3. kan uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 - en overigens ook uit die van het gelijkluidende artikel 1a van de Vw oud (Kamerstukken II 1992/93, 22 735, nr. 6, blz. 6/7 en nr. 9, blz. 14) - worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de rechtsbescherming van de vreemdeling in het kader van de Vw 2000 bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter, in het bijzonder de vreemdelingenrechter. Dit doel wordt gediend doordat voor de vreemdeling niet alleen beroep openstaat tegen jegens hem als zodanig door een bestuursorgaan gegeven beschikkingen, maar ook op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 tegen door een bestuursorgaan jegens hem als zodanig verrichte, rechtens relevante handelingen. Aldus bevat de Vw 2000 een stelsel van rechtsbescherming dat beoogt te verzekeren dat de vreemdeling de rechtmatigheid van zulke beschikkingen en handelingen aan de onafhankelijke rechter in een met voldoende waarborgen omgeven rechtsgang ter beoordeling kan voorleggen (zie ook arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 2008 in zaak nr. C07/009HR; JV 2008/415).

2.3.

Anders dan verweerder is rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat om een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 te kunnen aannemen, geen noodzakelijke voorwaarde is dat die handeling is gericht is op enig rechtsgevolg, zoals de Afdeling in voormelde uitspraak eveneens heeft overwogen.

Dit neemt evenwel niet weg dat in dit geval geen sprake is van een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. De rechtbank overweegt daartoe dat in voormelde uitspraak van de afdeling redengevend was dat het niet mogelijk was een adequate rechtsgang te volgen tegen de weigering ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning aan de vreemdeling te verlenen. In het licht van de ratio van de uitbreiding van het beschikkingsbegrip in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 diende, onder die omstandigheden, deze weigering te worden beschouwd als een handeling in de zin van die bepaling.

2.4.

Anders dan in voormelde uitspraak van de Afdeling het geval was, is in deze zaak het ontbreken van een adequate rechtsgang niet aan de orde. Tegen het niet uitbrengen van een advies als hiervoor bedoeld staat immers een adequate rechtsgang open en wel in het kader van een procedure ter verkrijging van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiser een daartoe strekkende aanvraag op 15 juni 2016 bij de IND heeft ingediend, welke aanvraag bij beschikking van 8 september 2016 is afgewezen. Die beschikking staat in de onderhavige procedure evenwel niet ter toetsing.

2.5.

De stelling van eiser dat de (civiele) voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat sprake is van een handeling als bedoeld in artikel 72 derde lid, van de Vw 2000 volgt de rechtbank niet. Nog daargelaten dat de rechtbank in een bodemzaak niet gebonden is aan een uitspraak van de voorzieningenrechter, blijkt uit rechtsoverwegingen 4.2. en 4.3. van het vonnis in kort geding van 25 mei 2016 juist dat de voorzieningenrechter zich niet uitlaat over de vraag of sprake is van een handeling als bedoeld in voormeld artikel maar die vraag juist in het midden laat. Zo heeft de voorzieningenrechter in voormelde rechtsoverwegingen overwogen dat dient te worden onderzocht of de vordering zich richt tegen een besluit of een daarmee gelijkgestelde handeling, waartegen beroep kan worden ingesteld bij de vreemdelingenrechter.

2.6.

Nu in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een besluit of een daarmee gelijkgestelde handeling, staat tegen het niet tijdig opmaken van een advies door verweerder, als door eiser verzocht, geen afzonderlijk beroep open.

3. Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Gerde, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.