Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:17220

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
C-09-510463-HA ZA 16-532(1)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Brand. Clausule elektrische installatie. Toegelaten tot leveren bewijs dat schade niet is ontstaan of vergroot door het niet-voldoen aan 5.3.3. van NEN3140.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/510463 / HA ZA 16-532

Vonnis van 28 december 2016

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[de VOF] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [A],

wonende te [woonplaats] ,

3. [B],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

procesadvocaat mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam,

behandelend advocaat: mr. J. Backx te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. T. Smith-Hussein te Den Haag.

Eisers zullen hierna [A] , [B] en tezamen: [A c.s.] genoemd worden. Gedaagde zal worden aangeduid als NN.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 april 2016, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 6 juli 2016, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 oktober 2016 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal van de zijde van [A c.s.] ;

  • -

    de opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal van de zijde van NN.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A c.s.] is eigenaar van het pand gelegen aan de [adres] (hierna: het pand). [A c.s.] exploiteerde op de begane grond (hierna: de bedrijfsruimte) het Partycentrum [X] . Op de bovenverdieping bevond zich een woonhuis (hierna: het woonhuis).

2.2.

[A c.s.] heeft in 2004 via zijn toenmalige tussenpersoon, Noordborgh Verzekeringsadviseurs (hierna: Noordborgh) een Perfect Zaken-, Gebouwen- en Bedrijfsschadeverzekering afgesloten bij NN (hierna: de verzekeringsovereenkomsten). Verzekerd zijn, voor zover van belang:

“inventaris en goederen van een partycentrum, bar en bowling [adres] (…)”

“1. Gebouw(en) waarin partycentrum, bar, bowling en woonhuis [adres] (…)”

2.3.

Op 9 oktober 2006 heeft Noordborgh, naar aanleiding van een verzoek van [A c.s.] om verhoging van de verzekerde som, een brief (afgedrukt op haar eigen briefpapier) afgegeven aan [A c.s.] met onder meer de volgende inhoud:

“(…) Preventie eisen:

De verzekeringsaanvraag wordt door verzekeraar geaccepteerd onder voorwaarde dat aanvrager zich verplicht onderstaande voorzieningen te treffen en in stand te houden, en de preventievoorschriften na te leven.

De verplichtingen zoals hierna omschreven zullen dan ook deel uitmaken van de polisvoorwaarden. Als niet of niet alle verplicht gestelde voorzieningen zijn getroffen en/of (één of meerdere van) de preventievoorschriften niet zijn nageleefd is er geen dekking voor schade, tenzij verzekerde bewijst dat de schade daardoor niet is ontstaan of vergroot. (…)

Blusmiddelen

(…)

Afvalbakken

(..)

Elektrische installatie

De elektrische installatie is aangelegd en wordt onderhouden overeenkomstig de van toepassing zijnde voorschriften.

Controle op de installatie en de werking ervan vindt plaats conform bepaling 5.3.3. van de meest recente NNI-uitgave “Bedrijfsvoering van elektrische installaties”. Deze controle wordt ten minste eenmaal per vijf jaar herhaald.

Eventuele tekortkomingen en/of gebreken worden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na constatering daarvan, verholpen.

Gasinstallatie en aangesloten toestellen

(…)

Frituurinrichting

(…)

Beveiligingsinstallatie

(…)

Wij verzoeken u dit formulier te voorzien van uw handtekening voor accoord en deze vòòr 9 december a.s. aan ons te retourneren.”

2.4.

[B] heeft de brief op 15 december 2006 getekend. Met ingang van 1 januari 2007 is het clausuleblad preventie horeca, P.H.1A, waarin bovenstaande clausules zijn opgenomen (hierna: de Horecaclausule), op de verzekeringsovereenkomsten van toepassing. Op de polisbladen van de gebouwen- en zakenverzekering staat onder het kopje “speciale voorwaarden” onder meer de volgende tekst:

“Voor de verzekering is tevens het clausuleblad preventie horeca, P.H.1A van kracht”.

2.5.

Op 19 juni 2015 is brand ontstaan in het woonhuis, waardoor het pand verloren is gegaan.

2.6.

NN heeft EMN Expertise (hierna: EMN) opdracht gegeven een technisch en tactisch onderzoek in te stellen naar de oorzaak van en de omstandigheden rondom de brand. Op 22 juni 2015 heeft een interview met [A] plaatsgevonden. Het door [A] gecorrigeerde en op 3 juli 2015 getekende gespreksverslag houdt onder meer het volgende in:

“(…) U vraagt mij of mij storingen aan de elektra, het gas en/of daarop aangesloten apparatuur in het partycentrum en/of de woning daarboven bij mij bekend zijn voorafgaand aan de brand. Dit is niet het geval. De gas- en de elektrische installatie waren bij aankoop van het pand in november 2004 al aanwezig. Er heeft onderhoud/controle van de gas- en elektrische installaties in het pand plaatsgevonden. Ik heb u daaromtrent een ondertekende verklaring van de heren [C] en [D] laten toekomen. Op 12 maart 2015 heeft de heer [C] een keuring uitgevoerd op de elektrische installatie van het horecagedeelte (meterkast 2). In augustus 2013 heeft hij de situatie van de bovenwoning (meterkast 1) voor het laatst gekeurd en in orde bevinden. Keuringen betroffen o.a. doormeten uitschakeltijd en uitschakelstroom met een Profitest Installatietester.”

2.7.

Een verklaring van [C] , schoonzoon van [A] en [B] (hierna: [C] ) van 23 juni 2015 houdt het volgende in:

“Hierbij verklaar ik (…) dat ik het onderhoud en visuele controles heb uitgevoerd in Partycentrum [X] .

Het onderhoud bestond voornamelijk uit het oplossen van eventuele elektrische storingen.

De controles uit het doormeten van de elektrische installatie.

De laatste controle is uitgevoerd op donderdag 12 maart 2015 en toen heb ik de gemeten installatie in orde bevonden.

De controles deed ik halfjaarlijks, onderhoud uiteraard wanneer noodzakelijk.

(…)

Ik ben volledig bevoegd om deze inspectie uit te voeren, bijgaand treft u dan ook een kopie van mijn diploma aan (…).”

2.8.

Het technisch onderzoeksrapport van EMN van 24 juli 2015 houdt onder meer het volgende in:

“(…) 4. Analyse / brandoorzaak

4.1

Algemeen

De opstal van verzekerde bestond uit een bowlingcentrum (parterre) en een woongedeelte (woonhuis 1e verdieping). Dit woonhuis was alleen vanuit het bowlingcentrum via een inpandige houten trap te bereiken. Het bowlingcentrum en het woonhuis hadden beide (op de parterre) een eigen meterkast met groepenverdeling.

(…)

4.4

Plaats ontstaan brand

Aan de hand van meerdere aanwijzingen hebben we vastgesteld, dat de brand in het woonhuis (dus op de 1e verdieping) is ontstaan.

4.5

Brandoorzaak

We hebben geen exacte brandoorzaak kunnen vaststellen.

De brand is in het woonhuis ontstaan. Deze kan zijn ontstaan door:

Brandstichting (…) Gezien de grote mate van destructie kon niet meer worden vastgesteld of er bij de mogelijke brandstichting één of meerdere ontvlambare vloeistoffen zijn gebruikt;

Elektrotechnische oorzaak. Deze kan zowel door een mankement in de huisinstallatie als door een mankement in een op de huisinstallatie aangesloten verbruiker zijn ontstaan.

(…)

4.6

Keuring elektrische installatie

De elektrische installatie dient periodiek gekeurd te worden. Verzekerde kon ons geen keuringsrapport tonen. Verzekerde informeerde ons dat de keuring door de heer [C] was uitgevoerd. Op 16 juli 2015 hebben wij ( [E] en [F] ) de heer [C] gesproken. Uit dit gesprek bleek, dat de elektrische installatie van het woongedeelte door hem in 2009 was gekeurd. De elektrische installatie van de bedrijfsruimte was volgens hem in 2013 gecontroleerd. Hierbij had hij een visuele controle uitgevoerd en had hij de aardschakelaars getest.

In 5.3.3. van de NEN 3140 is vastgelegd op welke wijze de inspectie uitgevoerd dient te worden. Bij de inspectie van de installatie moet worden gecontroleerd:

a. De beschermingsmaatregelen tegen elektrische schok, thermische invloeden, overstroom, overspanning, onderspanning.

b. De juiste werking van de veiligheidsketens.

c. De vrije ruimten en vluchtwegen.

d. Het juiste gebruik, gelet op de omgevingsomstandigheden.

e. De juiste werking van signalerings- en alarmeringssystemen die van belang zijn voor de veiligheid.

f. Wat de getalswaarde is van de isolatieweerstand.

g. Wat de weerstandswaarden van de beschermingsleidingen zijn.

h. Wat de aanspreekstromen en aanspreektijden zijn van de aardlekbeveiligingstoestanden.

i. Of de uitschakelkarakteristieken van schakelende beveiligingstoestellen tegen overstroom geen afwijking heeft groter dan de waarde waarbij het risico onaanvaardbaar wordt.

Uit de verklaring van de heer [C] blijkt dat alleen de punten a. (deels) en h. zijn uitgevoerd. Echter de resultaten hiervan zijn niet vastgelegd en derhalve niet verifieerbaar.

Uit het gesprek met de heer [C] bleek verder dat hij doorgaans belast is met montagewerkzaamheden en dat hij geen ervaring bezit in het uitvoeren van NEN 3140 keuringen.

Wij concluderen dan ook dat verzekerde niet aan deze clausule heeft voldaan.

(..)”

2.9.

Het toedrachtsonderzoeksrapport van 31 juli 2015 houdt onder meer het volgende in:

“(…) Elektrische installatie:

Ter aanvulling op eerder per e-mail ontvangen informatie van de heer [G] (in uw bezit), werd van hem op 2 juli 2015 een e-mailbericht ontvangen (in uw bezit), met aanvullende informatie ten aanzien van de elektriciteit en de keuring daarvan op de schadelocatie. Deze informatie is voorgelegd aan de expert Ing. [E] die, in verband hiermee, aan mij mededeelde dat de elektrische installatie op de schadelocatie, blijkens de e-mails voornoemd van de contraonderzoeker, gekeurd zou zijn maar dat de bepalingen van NEN3140 vereisen dat van een dergelijke keuring een schriftelijke rapportage wordt opgemaakt. Die schriftelijke rapportage werd niet overlegd.

(…)

Gesprek [C] : (installateur)

(…) Het volgende kwam naar voren:

(…)

Op 12 maart 2015 zou de heer [C] de elektrische installatie van het bedrijfsgedeelte van het pand gecontroleerd/gekeurd hebben. Hij gaf aan niet altijd de benodigde apparatuur voor een dergelijke keuring bij zich te hebben, maar op die dag wel. Er zou geen specifieke reden zijn geweest (storing o.i.d.) waarom een keuring vereist was. Het was gewoon een “periodiek gebeuren” volgens de heer [C] . Hij zou toen de aardlek en de noodverlichting visueel gecontroleerd hebben en een paar lichtbronnen (spotjes) gewisseld hebben. Een en ander werd door hem toegelicht aan de heer [E] . Op basis van die toelichting en de eigen opleveringskeuring die men hanteert bij NEN 1010, werd door de heer [E] vastgesteld dat de vereiste NEN3140-keuring toen en/of in 2013 niet heeft plaatsgevonden (…)

Beschouwing:

Gebleken is dat uw verzekerde de gestelde eisen ten aanzien van de clausules als onderdeel van de onderhavige verzekering, niet heeft opgevolgd, (…):

(…)

Uw verzekerde geeft in het eerste gesprek met mij aan dat er in het geheel geen onderhoud en/of keuring aan de elektrische installatie of daarop aangesloten apparatuur is geweest vanaf 2004. Dit wordt later bijgesteld en dan komt er een verklaring van de heer [C] , werkzaam bij een installatiebedrijf en schoonzoon van uw verzekerde. Uit de door de heer [C] gegeven toelichting aan de heer Ing. [E] blijkt dat de door hem uitgevoerde werkzaamheden/keuring in het geheel niet voldoet aan de door u geclausuleerde NEN3140-eis. Ik verwijs naar het rapport van de heer [E] in deze.

(…)

Resumé:

Een duidelijke oorzaak van de brand is niet te geven, maar een technische oorzaak behoort tot de mogelijkheden. Aan de gestelde eisen in de clausules (NEN3140) is niet voldaan door uw verzekerde.”

2.10.

Bij brief van 17 augustus 2015 heeft NN [A c.s.] bericht dat de brandschade niet is gedekt, omdat [A c.s.] niet heeft voldaan aan de verplichtingen die zijn gesteld ten aanzien van de elektrische installatie.

2.11.

Op 1 maart 2016 heeft [C] de volgende verklaring opgesteld:

“(…) Een paar dagen na de brand ben ik verhoord door particuliere rechercheurs van de verzekeringsmaatschappij. Ze hadden vooraf met mij een afspraak gemaakt maar de afspraak ging bijna niet door omdat ik, vlak daarvoor, voor de eerste keer vader ben geworden (…). Recht vanuit het ziekenhuis stonden die rechercheurs voor mijn neus. Ik was het helemaal vergeten maar heb ze toch ontvangen. Achteraf heb ik daar spijt van omdat ik niet helemaal duidelijk ben geweest (…). Van mijn schoonvader heb ik begrepen dat hij bij het afwikkelen van de brandschade daar last van heeft. Ik schrijf deze verklaring daarom op zijn verzoek om het recht te zetten (…).

a. (…)

b. (…)

c. Ik heb de juiste cursussen gevolgd zoals (…) NEN 3140 en mag alle elektrotechnische werkzaamheden uitvoeren.

d. Ik mag installaties in bedrijf stellen, nadat ik heb gecontroleerd dat de installaties voldoen aan NEN 1010. Daarbij werk ik volgens NEN 3140.

e. Sinds mijn schoonvader dit bedrijfspand had doe ik voor hem alle elektrotechnische werkzaamheden (…),

f. De installatie is aangelegd door de vorige eigenaar. Dat was [H] , een elektromonteur van Nuon. Dat was goed te zien. Alles was perfect en heel degelijk aangelegd (…)

g. (…)

h. (…)

i. In maart 2015 heb ik de elektrische installatie van het bedrijfsgedeelte helemaal gecontroleerd. Ik heb daarbij de werking van de Alemats gemeten, de isolatieweerstand gemeten en de lusweerstand gemeten met mijn Profitester die ik altijd in mijn servicewagen van mijn werkgever heb liggen. Ik hoefde de elektrische installatie niet visueel te beoordelen. Ik zag die installatie elke paar weken wel een keertje. Ik kende elk draadje en elk schroefje bij wijze van spreken.

Voor mijn schoonvader vervulde ik niet alleen de taak van servicemonteur maar ik was ook zijn adviseur, zijn beheerder van de elektrische installatie (…).

j. Je zou kunnen zeggen dat ik zijn installatieverantwoordelijke was (…)”.

3 Het geschil

3.1.

[A c.s.] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. een verklaring voor recht dat NN gehouden is de schade die [A c.s.] heeft geleden als gevolg van de brand onder de polis te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment dat zij de vordering tot vergoeding van schade heeft afgewezen, te weten 17 augustus 2015, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen moment, tot de dag der algehele voldoening;

II. veroordeling van NN tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 904,-, met rente;

III. een en ander met veroordeling van NN in de (na)kosten.

3.2.

[A c.s.] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de brand een verzekerd evenement is en dat NN tot uitkering dient over te gaan.

3.3.

NN voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kern van dit geschil is of NN uit hoofde van de verzekeringsovereenkomsten dekking dient te verlenen voor de schade geleden ten gevolge van de brand. NN stelt zich op het standpunt daartoe niet verplicht te zijn, omdat [A c.s.] de clausule elektrische installatie heeft geschonden (hierna: de clausule). Ter zitting heeft NN opgemerkt dat de schending bestaat uit het niet keuren van de elektrische installatie conform NEN 3041 (zie onder 2.3, 2e bulletpoint).

4.2.

[A c.s.] stelt dat NN geen beroep toekomt op de clausule, omdat hij er vanuit is gegaan en ook redelijkerwijs er vanuit mocht gaan dat de Horecaclausule alleen ziet op het horecagedeelte, dat wil zeggen de bedrijfsruimte op de begane grond, waar Partycentrum [X] was gevestigd, terwijl vaststaat dat de brand niet is ontstaan door bedrijfsactiviteiten op de begane grond, maar op de bovenverdieping, waar zich het woonhuis bevond.

4.3.

De rechtbank overweegt dat [A c.s.] miskent dat volgens het polisblad van de Gebouwenverzekering verzekerd is het gebouw aan de [adres] , waarin een partycentrum, bar, bowling en woonhuis. Daaruit kan worden afgeleid dat de verzekering niet is beperkt tot de bedrijfsruimte. Ook uit de brief van Noordborgh aan [A c.s.] van 5 november 2004, waarin een afspraak is gemaakt om de verzekeringen door te nemen, blijkt dat de verzekering tevens zag op het woonhuis. Vaststaat voorts dat het woonhuis slechts te bereiken was via een inpandige trap vanuit de bedrijfsruimte, zodat ook daarom het woonhuis en de bedrijfsruimte feitelijk als één pand moeten worden beschouwd. De Horecaclausule is onder het kopje “speciale voorwaarden” van toepassing verklaard op de Gebouwenverzekering, en dus ook op het woonhuis. Overigens wordt in de brief van 9 oktober 2006 (zie onder 2.3) de term “Horecaclausule” niet gebruikt; in deze brief wordt opgemerkt dat preventie-eisen van toepassing zijn op het risicoadres [adres] . De rechtbank volgt [A c.s.] dus niet in zijn betoog dat hij op grond van de term “Horecaclausule” mocht begrijpen dat de clausule slechts betrekking had op de bedrijfsruimte. Van belang is voorts dat terwijl de clausule “beveiligingsinstallatie” expliciet vermeldt dat de bedrijfsruimte in het gebouw is voorzien van een beveiligingsinstallatie, de clausule elektrische installatie geen onderscheid maakt tussen de bedrijfsruimte en het woonhuis, maar spreekt over “de elektrische installatie” in het algemeen. Dat betekent dat ook de elektrische installatie van het woonhuis onderdeel vormt van de elektrische installatie als bedoeld in de clausule elektrische installatie. Bovendien laat het feit dat de brand is ontstaan op de bovenverdieping onverlet dat de oorzaak van de brand kan zijn gelegen in een defect in de elektrische installatie, die zich op de benedenverdieping bevindt. Immers, vaststaat dat de hoofdaansluiting van de elektriciteit binnen kwam in de meterkast in de bedrijfsruimte, en dat via een onderverdeelinrichting, die zich eveneens op de begane grond bevond, de woning werd voorzien van stroom. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [A c.s.] er niet op mocht vertrouwen dat de Horecaclausule alleen zag op de bedrijfsruimte.

4.4.

[A c.s.] voert daarnaast aan dat de tekst van de clausule volstrekt onbegrijpelijk is voor hem, zodat [A c.s.] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet gehouden kan worden aan de in deze clausule opgenomen eisen. Immers, niet duidelijk is wat NN bedoelt met “de van toepassing zijnde voorschriften” en “bepaling 5.3.3. van de meest recente NNI-uitgave ‘Bedrijfsvoering van elektrische installaties’”.

4.5.

De rechtbank verwerpt dit betoog op grond van het volgende. Volgens de door [A c.s.] overgelegde brief van zijn huidige tussenpersoon heeft deze tussenpersoon bij verschillende elektriciens navraag gedaan wat wordt bedoeld met “de van toepassing zijnde voorschriften” en “de meest recente NNI-uitgave”, waarop zij hebben geantwoord dat dat de NEN 1010 respectievelijk de NEN 3140 was. Reeds hieruit kan worden afgeleid dat de clausule voor een ter zake deskundige, zoals een elektricien, in ieder geval niet onduidelijk is. Nu de aanleg en onderhoud van elektrische installaties door een ter zake deskundige dienen te geschieden, gaat het betoog dat de clausule onbegrijpelijk is gelet op het voorgaande niet op. Bovendien is [A c.s.] bijgestaan door Noordborgh, die op de hoogte was, althans had behoren te zijn van de strekking van de onderhavige clausule. Voor zover onduidelijkheid bestond voor [A c.s.] , had het op zijn weg gelegen navraag bij Noordborgh te doen.

4.6.

[A c.s.] voert voorts aan dat hij uit de tekst van de clausule slechts hoefde te begrijpen dat deze zag op de elektrische installatie van de bedrijfsruimte, omdat de clausule deel uitmaakt van de Horecaclausule, waarvan hij mocht begrijpen dat deze alleen zag op bedrijfsmatige activiteiten. Gelet op de onduidelijkheid van de clausule is uitleg daarvan nodig, hetgeen aan de hand van de contra proferentem-regel dient te geschieden, aldus [A c.s.]

4.7.

De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat en waarom de elektrische installatie van het woonhuis onderdeel vormt van de elektrische installatie als bedoeld in de clausule. Anders dan [A c.s.] is de rechtbank dus van oordeel dat de clausule in dat opzicht niet onduidelijk is, zodat reeds op grond daarvan niet aan toepassing van de contra proferentem-regel wordt toegekomen. Daar komt nog bij dat [A c.s.] zowel bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomsten als op het moment dat de Horecaclausule van toepassing werd is bijgestaan door een onafhankelijke verzekeringstussenpersoon, die op de hoogte was, althans had behoren te zijn van de door NN bedoelde strekking van de onderhavige clausule. Deze kennis dient in de verhouding tot NN aan [A c.s.] te worden toegerekend.

4.8.

Het voorgaande betekent dat NN in beginsel een beroep kan doen op de clausule. Of NN met succes een beroep op schending van deze clausule kan doen, hangt af van de vraag of komt vast te staan dat [A c.s.] niet heeft voldaan aan de clausule. Partijen verschillen van mening over de vraag op wie de stelplicht en bewijslast ter zake rusten. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.9.

Nu er – kort gezegd – geen dekking voor schade is als niet of niet alle verplicht gestelde voorzieningen zijn getroffen en/of (één of meerdere van) de preventievoorschriften niet zijn nageleefd, is het aan NN om te stellen en zo nodig bewijzen dat [A c.s.] niet heeft voldaan aan de clausule. De rechtbank verwerpt dus de stelling van NN dat wanneer een clausule onderdeel is van de primaire dekkingsomschrijving, reeds op grond daarvan de bewijslast en het bewijsrisico van de stelling dat wèl is voldaan aan de clausule bij de verzekerde rusten. Op wie de bewijslast en het bewijsrisico rusten is immers afhankelijk van de formulering van de clausule. Gelet op de formulering van de clausule rusten, zoals hiervoor overwogen, de bewijslast en het bewijsrisico op NN. Overigens zal de rechtbank hierna, in het kader van de vraag of er plaats is voor een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, nog ingaan op het standpunt van NN dat de clausule onderdeel is van de primaire dekkingsomschrijving.

4.10.

NN legt het volgende ten grondslag aan haar stelling dat [A c.s.] niet heeft voldaan aan de clausule. NEN 3140 (“bedrijfsvoering van elektrische installaties – laagspanning”, hierna: NEN 3140) vereist in verschillende artikelen schriftelijke vastlegging, die ontbreekt. Verder heeft [C] inhoudelijk niet voldaan aan de vereisten die NEN 3140 stelt aan een inspectie door meting of beproeving van de installatie.

4.11.

[A c.s.] voert aan dat zij wel aan de clausule heeft voldaan. NEN 3140 houdt niet in dat direct na de controle een schriftelijk inspectierapport moet worden opgesteld. De eisen met betrekking tot schriftelijke vastlegging zien bovendien niet op de resultaten van de inspectie. Voorts heeft [A c.s.] aan de clausule voldaan, omdat [C] de elektrische installatie heeft gecontroleerd conform NEN 3140. Voor zover [A c.s.] niet aan de clausule heeft voldaan omdat schriftelijke vastlegging ontbreekt, ontbreekt het causaal verband tussen het niet-naleven van de schriftelijkheidsvereisten en de brand, nu het niet hebben van een schriftelijk rapport niet betekent dat er een causaal verband bestaat met de brand. De halfjaarlijkse feitelijk uitgevoerde controle door [C] was in overeenstemming met NEN 3140. [C] heeft begin 2015 voor het laatst de elektrische installatie van het woonhuis gecontroleerd en op 12 maart 2015 de elektrische installatie van de bedrijfsruimte, aldus nog steeds [A c.s.]

4.12.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 5.3.3 NEN 3140 de volgende eis tot schriftelijke vastlegging kent:

“5.3.3.101.3

De installatieverantwoordelijke moet het volgende bepalen en met redenen omkleed vastleggen:

  1. de te inspecteren elektrische installaties of delen daarvan;

  2. de uit te voeren inspecties;

  3. de tijd tussen twee opeenvolgende inspecties;

  4. e representatieve steekproef.

(…)”

In 5.3.3.101.4.1 en 5.3.3.101.4.2 wordt toegelicht wat een visuele controle en inspectie door meting of beproeving van een installatie dient in te houden. 5.3.3.101.4.3 houdt in dat wordt vastgelegd welke meetinstrumenten en meetmethoden daarbij zijn gebruikt.

4.13.

Anders dan artikel 5.3.3.6 van NEN 3840 (bedrijfsvoering van elektrische installaties, hoogspanning), waarin is opgenomen: “De resultaten van een inspectie moeten worden vastgelegd”, ontbreekt in NEN 3140 een dergelijke bepaling. Dat 5.3.3 van NEN 3041 wel enige schriftelijke vastlegging vereist, volgt echter uit het voorgaande. Nu vaststaat dat van enige schriftelijke vastlegging door [C] geen sprake is, heeft geen controle plaatsgevonden conform 5.3.3 van NEN 3140, zodat [A c.s.] niet heeft voldaan aan de clausule.

4.14.

[A c.s.] betoogt echter dat het causaal verband tussen de schending en de schade ontbreekt, omdat feitelijk is gecontroleerd conform NEN 3041 en het ontbreken van schriftelijke vastlegging niet de oorzaak of mede-oorzaak kan zijn geweest van de brand. NN erkent dat [A c.s.] de mogelijkheid heeft te bewijzen dat de schade niet is ontstaan of vergroot door het niet-nakomen van de clausule, maar betoogt dat [A c.s.] daartoe onvoldoende heeft gesteld. De rechtbank overweegt als volgt.

4.15.

[A c.s.] heeft gemotiveerd gesteld dat [C] periodiek, namelijk halfjaarlijks, de elektrische installatie heeft gecontroleerd conform NEN 3041. In aanmerking genomen dat [A c.s.] de mogelijkheid heeft te bewijzen dat de schade niet is ontstaan of vergroot door het niet-nakomen van de clausule, leidt het voorgaande tot de slotsom dat [A c.s.] mag bewijzen dat de schade niet is ontstaan of vergroot door het niet-voldoen aan 5.3.3. van NEN 3041. Voor zover NN in de conclusie van antwoord onder 9 nog betoogt dat nu de clausule onderdeel is van de primaire dekkingsomschrijving, een beroep van de verzekeraar daarop hoe dan ook niet kan worden afgeweerd met een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, overweegt de rechtbank als volgt.

4.16.

De clausule is op het polisblad geplaatst onder het kopje “speciale voorwaarden”. De tekst van de clausule is dus geen onderdeel van de tekst van de bepalingen waarin de omvang van de dekking is beschreven. Het gebruik van het woord “voorwaarde” duidt erop dat sprake is van een verplichting waaraan de verzekerde moet voldoen om aanspraak te kunnen maken op schadevergoeding. Mede gelet op het kopje “speciale voorwaarden” kan de clausule in redelijkheid dan ook zo worden begrepen dat het gaat om een aan de verzekeringsovereenkomsten verbonden voorwaarde, die ter voorkoming van brand een verplichting inhoudt voor de verzekerde om iets te doen, te weten – kort gezegd en voor zover relevant – de elektrische installatie van het pand te controleren conform NEN 3041. Zo bezien gaat het gaat hier om een bepaling die, als hij niet wordt nageleefd, leidt tot verval van dekking. Ook het gebruik van de zinsnede “tenzij verzekerde bewijst dat de schade daardoor niet is ontstaan of vergroot” wijst in die richting. Immers, in geval van een primaire dekkingsomschrijving bestaat die mogelijkheid juist niet voor de verzekerde. Anders dan NN is de rechtbank dan ook van oordeel dat de clausule geen deel uitmaakt van de primaire dekkingsomschrijving, zodat plaats is voor een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.

4.17.

De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol van 25 januari 2017, voor uitlating aan de zijde van [A c.s.] over de wijze waarop hij het opgedragen bewijs wenst te leveren.

4.18.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

laat [A c.s.] toe bewijs te leveren van zijn stelling dat de schade niet is ontstaan of vergroot door het niet-voldoen aan 5.3.3. van NEN 3041;

5.2.

bepaalt dat, indien [A c.s.] dit bewijs wil leveren door middel van geschrift, hij dit bij akte in het geding kan brengen en wijst de zaak, met inachtneming van een termijn van vier weken naar de rol van woensdag 25 januari 2017;

5.3.

bepaalt dat, indien [A c.s.] het bewijs (ook) door getuigen wil leveren, hij gelijktijdig op voormelde roldatum om een dag- en uurbepaling dient te verzoeken en daarbij opgave dient te doen van de namen van de getuigen en de verhinderdata van die getuigen, partijen en de advocaten over de maanden maart tot en met mei 2017;

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Voorwinden en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2016.