Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1722

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
09/857678-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van medeplegen van een overval op de Hornbach

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/857678-14

Datum uitspraak: 24 februari 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 7 augustus 2015, 28 september 2015, 4 december 2015 en 10 februari 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R. van Geloven en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. H.W. van Eeuwijk, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 10 februari 2016 medegedeeld dat zij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 december 2014 te Wateringen, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van in totaal ca. 89.638,- en/of drie, althans een of meer (mobiele) telefoon(s) en/of sleutel(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan bouwmarkt De Hornbach en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- dragen van bivakmutsen en/of tonen en/of doorladen van twee, althans een of meer (vuur) wapen(s) en/of

- sommeren van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] dat zij op hun buik op de grond moest(en) gaan liggen en/of

- met kabelbinders vastbinden van de polsen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of

- met kabelbinders vastbinden van de benen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of

- fouilleren van voornoemde perso(o)n(en) en/of

- het drukken van een (vuur) wapen op/tegen de nek, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] ;

2.

hij in of omstreeks de periode van 15 december 2014 tot en met 12 mei 2015 te Wateringen, gemeente Westland en/of Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een alarmpistool (merk bruni Sri, kaliber 6.35) waarvan de loop is opgevuld en/of vervangen (waardoor het mogelijk is om scherpe patronen kaliber 6.36 munitie te verschieten), voorhanden heeft gehad.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Overval op de Hornbach (feit 1)

3.1.1

Inleiding

Op 15 december 2014 is bij de meldkamer van de politie een melding binnengekomen van een medewerker van de Hornbach, die vertelde dat er een overval op de bouwmarkt Hornbach aan de [adres] te Wateringen had plaatsgevonden. Ter plaatse bleek dat drie overvallers via de personeelsingang met een toegangspas van een medewerkster binnen waren gekomen. Vervolgens hebben twee overvallers elk een vuurwapen getoond en heeft één van hen een vuurwapen doorgeladen en dit op één van de medewerkers gericht. De medewerkers werden gesommeerd op de grond te gaan liggen, waarna hun polsen, en later ook hun enkels, met tie-wraps werden vastgebonden. Verder zijn er telefoons van de medewerkers afgepakt en vernield. De daders hebben bij deze overval € 89.638,- weggenomen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zich tezamen met anderen heeft schuldig gemaakt aan voornoemde overval.

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.1.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit aangezien er onvoldoende bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring.

3.1.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank is van oordeel dat er sterke aanwijzingen zijn voor de betrokkenheid van verdachte bij de overval op de Hornbach. Verdachte kwam al vrij snel als één van de mogelijke daders van de overval in beeld. De verdenking vloeide voort uit het vermoeden dat er sprake was van een ‘inside-job’, waarbij een medewerkster van de Hornbach, [medeverdachte 1] , de moeder van verdachte, betrokken zou zijn. Er is onderzoek gedaan naar het opvallende gedrag van [medeverdachte 1] rondom de overval, zoals het gebruik van een eenvoudige (2G) mobiele telefoon vlak voor de overval. Uit onderzoek is gebleken dat het ging om een telefoonnummer dat begint met [nummer 1] , en dat dit nummer gedurende 8 seconden contact had met een nummer dat eveneens begint met [nummer 1] . Beide nummers bevonden zich op dat moment in hetzelfde celgebied van de aangestraalde zendmast. De simkaarthouder van dat laatste telefoonnummer is aangetroffen in de kelderbox van de woning van [medeverdachte 1] en verdachte. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij met enige regelmaat in de kelderbox te vinden is en dat hij de in de kelderbox aangetroffen simkaarthouder heeft zien liggen. Opvallend is verder dat beide telefoonnummers drie dagen voor de overval gezamenlijk zijn aangekocht, dat beide telefoonnummers op de dag van de overval vlak na elkaar zijn geactiveerd en dat beide telefoonnummers alleen op die dag zijn gebruikt. De telefoons hebben bovendien geen contact gehad met andere telefoons. Het activeren vond plaats in het celgebied van een zendmast die kan worden aangestraald indien vanuit de woning van [medeverdachte 1] en verdachte een mobiele telefoon gebruikt wordt. Voorts is gebleken dat het telefoonnummer van verdachte ( [telefoonnummer] ) op dat moment diezelfde zendmast aanstraalde en dat verdachte na 15 december 2014 geen gebruik meer heeft gemaakt van dit telefoonnummer.

Tevens zijn er enkele opmerkelijke telefoongesprekken gevoerd over en door verdachte. In een telefoongesprek op 23 december 2014 tussen [betrokkene 1] de broer van verdachte, en [medeverdachte 1] vertelt [betrokkene 1] dat de kluis met het geldbedrag van € 30.000,-, toebehorende aan verdachte, was gestolen. Verder vond er na de aanhouding van [medeverdachte 1] op 31 maart 2015 een telefoongesprek plaats tussen [betrokkene 1] en verdachte. In dat gesprek zegt verdachte dat [betrokkene 1] zijn bek moet houden en dat hij van niets weet. Hierna zegt verdachte dat hij even weg gaat. Diezelfde avond refereert [betrokkene 1] in een gesprek met [betrokkene 2] , de vader van verdachte, aan zijn gesprek met verdachte en zegt hij dat hij heeft begrepen dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) voor een tijdje weg zou gaan.

In de nacht van 31 maart 2015 op 1 april 2015 vond er een telefoongesprek plaats tussen verdachte en [betrokkene 3] , waarbij is gesproken over het bewaren van iets. Later is in de kelderbox van de woning van die [betrokkene 3] een omgebouwd alarmpistool aangetroffen.

Voorts zijn er in de woning van verdachte schoenen met een glimmend detail bij de veters aangetroffen die volgens een verbalisant gelijkenis vertonen met de schoenen van één van de daders tijdens de overval. Ook tijdens een observatie op 2 januari 2015 en op camerabeelden van 5 januari 2015 van de Albert Heijn zou te zien zijn dat verdachte dergelijke schoenen draagt. Daarnaast zou een broek die verdachte op 29 december 2014 droeg gelijkenis vertonen met de broek van één van de daders tijdens de overval.

Verder is in de telefoon van verdachte een screenshot aangetroffen van een ontvangen app-bericht van ‘ [medeverdachte 2] ’, hetgeen past bij de voornaam van [medeverdachte 2] , waarop een brandend briefje van € 500,- te zien is.

De rechtbank zal voornoemde aanwijzingen afzonderlijk bespreken.

Telefoons en simkaarthouder

Mede in aanmerking genomen het rapport van het NFI van 5 februari 2016, kan op grond van de netwerkmetingen niet de conclusie worden getrokken dat verdachte bij het activeren van de hierboven genoemde, met [nummer 1] beginnende telefoons aanwezig is geweest. Evenmin is afdoende gebleken dat de simkaarthouder die in de kelderbox is aangetroffen aan verdachte toebehoorde of dat hij de simkaart in gebruik heeft genomen.

De omstandigheid dat verdachte na 15 december 2014 geen gebruik meer heeft gemaakt van een telefoonnummer is naar het oordeel van de rechtbank geen sterke aanwijzing voor betrokkenheid van verdachte bij de overval.

Gesprekken

Het telefoongesprek tussen [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] over het geldbedrag dat van verdachte zou zijn gestolen, is op zijn minst opmerkelijk te noemen, temeer nu het niet aannemelijk is dat verdachte een dergelijk bedrag op een legale wijze heeft verkregen en het gesprek heeft plaatsgevonden 8 dagen na de overval. Dit geldt ook voor de gesprekken die zijn gevoerd nadat [medeverdachte 1] werd aangehouden in combinatie met het aantreffen van een omgebouwd alarmpistool in de kelder van [betrokkene 3] . Echter deze gesprekken zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet om op basis hiervan te concluderen dat verdachte betrokken is geweest bij de overval.

Afbeelding op telefoon

De rechtbank overweegt dat uit het dossier kan worden afgeleid dat verdachte kennelijk in een app-gesprek met [medeverdachte 2] een afbeelding heeft ontvangen van een brandend briefje van € 500,-. Verdachte lijkt hiervan een screenshot te hebben gemaakt op 19 februari 2015. Op welke datum de betreffende afbeelding daadwerkelijk is gemaakt, volgt niet uit het dossier. Het is derhalve niet mogelijk om het afgebeelde briefgeld te relateren aan de overval.

Kleding

De rechtbank is van oordeel dat de beelden van de schoenen en broek van de daders van onvoldoende kwaliteit zijn om te kunnen beoordelen of de bij verdachte aangetroffen dan wel door verdachte gedragen schoenen en broek dezelfde zijn als de schoenen en broek van één van de daders ten tijde van de overval.

Wapen

Uit het feit dat verdachte blijkens het navolgende een omgebouwd alarmpistool voorhanden heeft gehad volgt nog niet dat hij als (mede)pleger bij de overval betrokken is geweest.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat er sterke aanwijzingen zijn dat verdachte bij de overval betrokken is. De rechtbank is echter van oordeel dat de aanwijzingen op zichzelf, maar ook in onderling verband en samenhang bezien, geen wettig en overtuigend bewijs opleveren. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.

3.2

Voorhanden hebben alarmpistool (feit 2)

3.2.1

Inleiding1

Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 15 december 2014 tot en met 12 mei 2015 een omgebouwd alarmpistool voorhanden heeft gehad.

3.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan.

3.2.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit en hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat slechts op een handschoen een DNA-spoor is aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte en dus niet op het aangetroffen alarmpistool. Dit kan volgens de raadsman verklaard worden door de relatie die [betrokkene 3] en verdachte hebben gehad.

3.2.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Op 12 mei 2015 is in de kelderbox behorende bij de woning aan de Vrederustlaan 97 te Den Haag een omgebouwd alarmpistool van het merk Bruni Srl, kaliber 6.35, aangetroffen. De loop van dit alarmpistool was opgevuld en vervangen, waardoor het mogelijk was om scherpe patronen te verschieten.2 De bewoonster van die woning, [betrokkene 3] , heeft hierover verklaard dat zij door verdachte werd gebeld met de vraag of zij iets voor hem in de kelder wilde bewaren. Zij heeft gezegd dat dat goed was. Zij vond de volgende ochtend een plastic tas met daarin een handschoen en een zwart pakketje in haar brievenbus. In de handschoen trof zij een vuurwapen. Ze heeft de tas met inhoud in haar kelder gelegd.3

De verklaring van [betrokkene 3] vindt steun in een telefoongesprek dat plaatsvond op 1 april 2015, waarbij een telefoonnummer is afgeluisterd dat in gebruik was bij verdachte.4 In dat gesprek vraagt een man of de vrouw iets voor hem kan bewaren, dan zou hij het in de brievenbus doen. Op de vraag van de man wat het nummer is (de rechtbank begrijpt: het huisnummer), wordt geantwoord dat dit [nummer 2] is.5 In een gesprek even daarna wordt door een man gevraagd of zij de twee dingen in de kelder wil verstoppen.6

De rechtbank acht het, gelet op bovenvermelde bewijsmiddelen, aannemelijk dat verdachte voornoemd gesprek met [betrokkene 3] heeft gevoerd.

Verder blijkt uit een rapport van het NFI dat op de bij het alarmpistool aangetroffen handschoen een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen is aangetroffen. Blijkens het rapport is de hypothese dat de bemonstering DNA bevat van verdachte en van twee willekeurige onbekende personen extreem veel waarschijnlijker dan de hypothese dat de bemonstering DNA bevat van drie willekeurige onbekende personen.7

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het in de kelderbox aangetroffen omgebouwde alarmpistool door verdachte aan [betrokkene 3] in bewaring is gegeven. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het pistool samen met een ander voorhanden heeft gehad.

3.2.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij in de periode van 1 april 2015 tot en met 12 mei 2015 te Wateringen, gemeente Westland en/of Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, te weten een alarmpistool (merk Bruni Srl, kaliber 6.35), waarvan de loop is opgevuld en vervangen (waardoor het mogelijk is om scherpe patronen te verschieten), voorhanden heeft gehad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III.

5 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor beide tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 53 maanden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft een omgebouwd alarmpistool voorhanden gehad. Zodanig bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie van 7 mei 2015, verdachte betreffende, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf passend en geboden. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Nu de rechtbank verdachte van de tenlastegelegde overval zal vrijspreken, zal zij een fors lichtere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen

7.1

De vorderingen

De Hornbach Bouwmarkt B.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 26.568,18.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.577,03, vermeerderd met de wettelijke rente.

7.2

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en – bij [slachtoffer 2] – vermeerdering met de wettelijke rente.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen bepleit.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de Hornbach Bouwmarkt B.V.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

De vordering van [slachtoffer 2]

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8 Inbeslaggenomen voorwerpen.

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten een Beretta 1934 9mm, wordt onttrokken aan het verkeer.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de beslaglijst geen standpunt ingenomen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer, nu dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op:

  • -

    artikelen 36b, 36c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (DRIE) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat de benadeelde partijen Hornbach Bouwmarkt B.V. en [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten:

1.00

STK Pistool Kl: grijs;

Beretta 1934 9mm.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.P. Pereira Horta, voorzitter,

mr. C.F. Mewe rechter,

mr. S.M. Krans, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. J. Boon en M. Koolen, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 februari 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL 1500 2014324720, van de politie eenheid Den Haag, dienst Regionale Recherche Twister Overvallenteam, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 3190).

2 Proces-verbaal van het team forensische opsporing, pagina’s 844 – 846.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 3] , pagina 1120.

4 Proces-verbaal aanvraag bevel opnemen telecommunicatie, pagina 2133.

5 Een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek van 1 april 2015, sessienummer 1, pagina 510.

6 Een geschrift, te weten een uitgewerkt tapgesprek van 1 april 2015, sessienummer 2, pagina 511.

7 Een nagekomen rapport van het NFI van 17 september 2015, pagina’s 1-4