Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1721

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
25-02-2016
Zaaknummer
C/09/501625 KG ZA 15/1901
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding (openbare procedure). Partijen verschillen van mening over de vraag of het door de inschrijvers over te leggen contractmanagementplan (CMP) “integraal” had moeten worden beoordeeld, waarmee wordt bedoeld dat bij de beoordeling van de afzonderlijke (sub)criteria, naast het daarbij behorende onderdeel in het CMP, ook de verdere inhoud van het CMP wordt betrokken, ook indien daar niet uitdrukkelijk naar is verwezen. Vast staat dat de CMP’s niet aldus zijn beoordeeld en gedaagde meent dat dit ook niet volgt uit de aanbestedingsstukken. De voorzieningenrechter volgt eiseres echter in haar standpunt dat zij daar, gelet op de beantwoording door gedaagde van de gestelde vragen, wel van uit mocht gaan. De vordering tot herbeoordeling wordt dan ook toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2016/362
JAAN 2016/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/501625 / KG ZA 15/1901

Vonnis in kort geding van 11 februari 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Antea Nederland B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Heerenveen,

eiseres,

advocaten: mr. D.R. Versteeg, mr. P.F.C. Heemskerk en mr. E. Brenders te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. D. Wolters Rückert te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Antea’ en ‘Rijkswaterstaat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de daarbij en de nadien overgelegde producties;

- de akte houdende een wijziging van eis;

- de door gedaagde overgelegde brief van 27 januari 2016, met producties, alsmede met het eerste gedeelte van zijn pleitnotities;

- de op 28 januari 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Rijkswaterstaat heeft een aanbestedingsprocedure gehouden volgens de openbare procedure overeenkomstig het Aanbestedingsreglement Werken 2012 (ARW 2012) voor het sluiten van een raamovereenkomst met meerdere ondernemers, te weten Samenwerkingsovereenkomst Ingenieursdiensten 3 (SO3), hierna: de aanbesteding. De aanbesteding is verdeeld in drie percelen: 1. Algemeen, 2. Assetmanagement en 3. Integrale planuitwerking en contractvoorbereiding. SO3 betreft de opvolger van de thans lopende Samenwerkingsovereenkomst Ingenieursdiensten 2 (SO2), waar Antea partij bij is.

2.2.

Rijkswaterstaat heeft ten behoeve van de aanbesteding een inschrijvings- en beoordelingsdocument gepubliceerd. Dit document, met inbegrip van de daarbij behorende bijlagen, heeft in de loop van de procedure enkele wijzigingen ondergaan. In het definitieve document met bijlagen staat, voor zover thans relevant, het volgende vermeld:

“2 Inlichtingen en inschrijving

(…)

2.3

Inschrijvingsfase

(…)

2.3.2

Bij de inschrijving te verstrekken kwalitatieve documenten

Als kwalitatief deel van de inschrijving dient het Contractmanagementplan (CMP) te worden verstrekt met de informatie zoals opgegeven in Bijlage B.”

(…)

4 Beoordeling en opdrachtverlening

4.1

Algemeen

(…)

De beoordeling vindt plaats aan de hand van de criteria als vermeld in Bijlage C bij dit inschrijvings- en beoordelingsdocument. De uitwerking van deze criteria is weergegeven in de ‘Tabel Beoordelingscriteria’ in die Bijlage C. De beoordeling vindt plaats door een beoordelingsteam samengesteld uit ter zake kundige beoordelaars op de te onderscheiden (deel)vakgebieden.

Indien bij de hierna genoemde situaties het toegekende beoordelingscijfer lager is dan de hierna vermelde minimum waarde, dan wordt dit gezien als een onaanvaardbaar risico ten aanzien van het bereiken van de ter zake geformuleerde doelstelling van de aanbesteder. Dit leidt dan tot afwijzing van de inschrijving en de inschrijver komt niet in aanmerking voor het sluiten van een Overeenkomst:

Minimumwaarde beoordelingscriteria (Knock out’s)

De kwaliteitswaarde van het Contractmanagementplan moet een 6,0 of hoger zijn. Een kwaliteitswaarde lager dan een 6,0 leidt tot een “Knock out”.

Een beoordelingscijfer van een 4 of lager op het subcriterium Verificatie en Validatie leidt tot een “Knock out”.

Van de overige subcriteria mag er maximaal 1 een lager beoordelingscijfer dan een 6 hebben. Meer dan 1 onvoldoende leidt tot een “knock out”.

(…)”

In bijlage B ‘Checklist bij inschrijving in te dienen documenten’ staat onder meer vermeld, samengevat, dat de kwalitatieve documenten voor de kwalitatieve beoordeling van de inschrijving als gesteld in paragraaf 2.3.2 en voortvloeiend uit Bijlage C maximaal 12 (perceel 1) dan wel 14 (percelen 2 en 3) pagina’s A4 dienen te zijn exclusief de titelpagina/het voorblad en alleen dienen te bestaan uit tekst, waarbinnen een maximum van 10 (perceel 1) dan wel 12 (percelen 2 en 3) pagina’s geldt voor de onderwerpen kwaliteitsmanagement en samenwerking (perceel 1) dan wel kwaliteitsmanagement, samenwerking en technische bekwaamheid (percelen 2 en 3).

Voorts staat in bijlage B vermeld:

Inhoudsopgave/indeling CMP

(…) De inschrijver dient in het Contractmanagementplan (CMP) onder andere de beschrijving van zijn managementsysteem vast te leggen, waarmee de Diensten in de Nadere Overeenkomsten worden gemanaged.

Het hoofdstuk 0 “Algemeen” behoeft niet anoniem te worden ingediend. Dit deel dient los van de overige hoofdstukken van het CMP te worden ingediend.

In het Contractmanagementplan moeten ten minste onderstaande onderwerpen SMART worden beschreven conform de indeling:

Perceel 1: Algemeen

0 Algemeen

0.1

Inleiding

0.2

Doelstelling(en)

0.3

Organisatiestructuur

1 Kwaliteitsmanagement

1.0

Structuur en opbouw kwaliteitssysteem

1.1

Risicomanagement

1.2

Planningsmanagement

1.3

Verificatie en Validatie

2 Samenwerking

2.1

Kennisoverdracht:

2.2

Innovatie en Duurzame Leefomgeving:

Perceel 2: Assetmanagement

0 Algemeen

0.1

Inleiding

0.2

Doelstelling(en)

0.3

Organisatiestructuur

1 Kwaliteitsmanagement

1.0

Structuur en opbouw kwaliteitssysteem

1.1

Risicomanagement

1.2

Planningsmanagement

1.3

Verificatie en Validatie

2 Samenwerking

2.1

Kennisoverdracht

2.2

Innovatie en Duurzame Leefomgeving specifiek voor de werkzaamheden op

het gebied van assetmanagement

3 Technische bekwaamheid

3.1

Expertise

3.2

Informatie

Perceel 3: Planuitwerking en contractvoorbereiding

0 Algemeen

0.1

Inleiding

0.2

Doelstelling(en)

0.3

Organisatiestructuur

1 Kwaliteitsmanagement

1.0

Structuur en opbouw kwaliteitssysteem

1.1

Risicomanagement

1.2

Planningsmanagement

1.3

Verificatie en Validatie

2 Samenwerking

2.1

Kennisoverdracht

2.2

Innovatie en Duurzame Leefomgeving specifiek voor de werkzaamheden op

het gebied van planuitwerking

3 Technische bekwaamheid

3.1

Expertise planuitwerking

3.2

Expertise contractvoorbereiding

Indien van toepassing dient een Gecontracteerde voor een inschrijving ten behoeve van een Nadere Overeenkomst (NOK) het CMP aan te vullen met specifieke bepalingen conform de Uitnodiging tot Inschrijving. Het door aanbesteder beoordeelde CMP blijft het basisdocument.”

In bijlage C ‘Uitwerking beoordelingscriteria’ staat onder meer vermeld:

“Bij de beoordeling van een inschrijver worden de onderstaande criteria gehanteerd:

Perceel 1 Algemeen

1. Kwaliteitsmanagement

2. Samenwerking

Perceel 2 Assetmanagement

1. Kwaliteitsmanagement

2. Samenwerking

3. Technische bekwaamheid

Perceel 3 Integrale planuitwerking en contractvoorbereiding

1. Kwaliteitsmanagement

2. Samenwerking

3. Technische bekwaamheid

De uitwerking van deze criteria is opgenomen in de Tabel criteria als opgenomen in het Contractmanagementplan (CMP) -behorende bij deze Bijlage C.

Daarnaast wordt het CMP in generieke zin bekeken of de aangeboden zaken:

SMART zijn;

Efficiënt en doelmatig zijn (bijvoorbeeld niet leiden tot forse verhoging van de workload);

Toetsbaar zijn.”

Hierna is opgenomen de “Tabel beoordelingscriteria op te nemen in het Contractmanagementplan (CMP)”. Hierin zijn de beoordelingscriteria uitgewerkt in subcriteria, die exact overeenstemmen met de indeling van het CMP zoals voorgeschreven in bijlage B.

Na deze tabel bevat bijlage C nog een toelichting op het rekenblad die luidt:

Behaalde kwaliteitswaarde

Voor elk (sub)criterium waarop de maximale kwaliteitswaarde zichtbaar gemaakt is, wordt een beoordelingscijfer gegeven. Bij het beoordelingscijfer 10 wordt de maximale kwaliteitswaarde toegekend. De waarde is het beoordelingscijfer maal de procentuele weging. De totale kwaliteitswaarde is de optelling van deze waardes. Onderstaande tabel bevat het overzicht van de beoordelingscijfers.

Beoordelingscijfer

Waardering

10

Uitmuntend (maximaal denkbare meerwaarde)

8

Goed (aanzienlijke meerwaarde)

6

Neutraal (niet of nauwelijks meerwaarde)

4

Ruim onvoldoende

2

Zeer slecht

Beoordelingscijfer beneden 6

Indien een criterium niet voortbouwt op een eis en ook niet expliciet is bepaald dat op dit criterium een “Knock out” van toepassing is, zijn beoordelingscijfers lager dan 6 mogelijk. Toekennen van een beoordelingscijfer lager dan 6 kan gerechtvaardigd zijn als:

  • -

    een door de inschrijvers aangeboden werkwijze moeilijk te beheersen risico’s met zich meebrengt.

  • -

    niet of onvoldoende wordt ingegaan op hetgeen gevraagd wordt in het kader van de beoordeling.”

2.3.

Door potentiële inschrijvers zijn vragen over de aanbestedingsprocedure gesteld, die door Rijkswaterstaat zijn beantwoord in een Nota van Inlichtingen van 7 oktober 2015. Hierin staat onder meer vermeld:

“36 Vraag

Om doublures in het beperkte aantal pagina’s van het CMP te voorkomen, is het volgens ons noodzakelijk dat de ter zake kundige beoordelaars het gehele CMP ter inzage krijgen en zij op basis van het gehele CMP het specifieke EMVI-criterium beoordelen. Deelt u die mening?

Antwoord

De Aanbesteder meldt dat de beoordelaars het gehele CMP ontvangen.

78 Vraag

Aanbesteder schrijft in bijlage B de hoofdstukindeling voor, waarbij een hoofdstuk 0 wordt voorgeschreven. In bijlage C wordt vervolgens aangegeven dat de boordeling alleen op basis van hoofdstuk 1 en 2 plaatsvindt. Kan aanbesteder een toelichting geven op de status van hoofdstuk 0 of kan de aanbesteder bevestigen dat hoofdstuk 0 niet wordt beoordeeld in de procedure?

Antwoord

De Aanbesteder meldt dat hoofdstuk 0. ‘Algemeen’ even als paragraaf 1.0 ‘Structuur en opbouw kwaliteitssysteem’ wel onderdeel uitmaakt van het totale CMP, waarbij deze onderdelen geen onderdeel uitmaken van de beoordeling.

170 Vraag

Wat is de functie van het indienen van 2 of meer pagina’s A4 in het CMP over “Algemeen”, “0.1 Inleiding”, “0.2 Doelstelling” en “0.3 Organisatiestructuur”? Wat beoogd aanbesteder te bereiken met het indienen hiervan? Ook omdat aanbesteder in bijlage C aangeeft dat hij de onderdelen “Doelstelling” en “Organisatiestructuur” van het CMP niet gaat beoordelen.

Antwoord

De Aanbesteder meldt dat het volgende van toepassing is:

- dat hoofdstuk 0 van het CMP voor gebruik binnen de Nadere Overeenkomsten is bedoeld,

- dat hoofdstuk 0 van het CMP apart en niet geanonimiseerd ingediend wordt,

- dat hoofdstuk 0 niet meegaat naar beoordelaars van het CMP, dit in afwijking op de letterlijke tekst van het eerder gegeven antwoord nummer 36,

- de kwalitatieve hoofdstukken 1, 2 en indien van toepassing 3 van het CMP geanonimiseerd ingediend dienen te worden,

- dat beoordelaars van het CMP wel de kwalitatieve hoofdstukken in zijn geheel ontvangen, zijnde hoofdstuk 1, 2 en indien van toepassing 3, in lijn met het beoogde doel van vraag 36,

- dat paragraaf 1.0 daarmee wel meegaat naar beoordelaars van het CMP, de beoordelaars daar wel kennis van kunnen nemen echter paragraaf 1.0 niet meetelt in de beoordeling.

260 Vraag

(…) Hierbij werd aangegeven dat Hoofdstuk 0 niet wordt meegegeven aan het Beoordelingsteam. We hebben hier moeite mee. Ondanks het feit dat Hoofdstuk 0 geen separate beoordeling krijgt, zijn wij van mening dat Hoofdstuk 0 van essentieel belang is voor de integrale beoordeling van het CMP. Kunt u bevestigen dat Hoofdstuk 0 toch onderdeel uitmaakt van het CMP om daarmee de context en leesbaarheid van het CMP te bevorderen en dientengevolge wel zal worden geleverd aan het Beoordelingsteam?

Indien het antwoord nee is:

(…)

Antwoord

De Aanbesteder meldt dat het volgende van toepassing is:

- dat hoofdstuk 0 van het CMP voor gebruik binnen de Nadere Overeenkomsten is bedoeld,

- dat hoofdstuk 0 van het CMP apart en niet geanonimiseerd ingediend wordt,

- dat hoofdstuk 0 niet meegaat naar beoordelaars van het CMP, dit in afwijking op de letterlijke tekst van het eerder gegeven antwoord nummer 36,

- de kwalitatieve hoofdstukken 1, 2 en indien van toepassing 3 van het CMP geanonimiseerd ingediend dienen te worden,

- dat beoordelaars van het CMP wel de kwalitatieve hoofdstukken in zijn geheel ontvangen, zijnde hoofdstuk 1, 2 en indien van toepassing 3, in lijn met het beoogde doel van vraag 36,

- dat paragraaf 1.0 daarmee wel meegaat naar beoordelaars van het CMP, de beoordelaars daar wel kennis van kunnen nemen echter paragraaf 1.0 niet meetelt in de beoordeling.

Het aantal pagina’s als aangegeven in Bijlage B van het Inschrijvings- en beoordelingsdocument onder “kwalitatieve documenten” blijft onveranderd, waarbij het onderscheid gemaakt is tussen het aantal pagina’s voor hoofdstukken 1, 2 en indien van toepassing 3 en hoofdstuk 0.

Het indienen van hoofdstuk 0 van het CMP voor gunning heeft tot doel dat Inschrijvers uitgedaagd worden in één keer het integrale CMP opstellen. Het totaal aantal ingediende pagina’s voor een CMP ten opzichte van het maximum aantal in te dienen pagina’s is tevens onderdeel van de geldigheid van de Inschrijving. Aanvullend is het de overweging van de Aanbesteder dat het aantal beschikbare pagina’s voor hoofdstuk 0 relatief beperkt is.

280 Vraag

In relatie tot de beoordeling (aanvullend op vraag/antwoord 36 en 78):

Krijgen de beoordelaars de instructie kennis te nemen van de volledige inhoud van het gehele CMP en daarna pas de beoordelingscijfers vast te stellen voor de onderdelen 1.1, 1.2, 1.3, 2.1, 2.2 en evt 3.1, 3.2?

Dit ook voor de ‘specialisten’ die alleen betrokken zijn bij de beoordeling van 2.1, 2.2 en 3.1, 3.2?

Indien ja, ziet de aanbestedingscommissie er ook op toe dat de beoordeling daadwerkelijk zo wordt uitgevoerd?

Zo niet, kunt u ons dan aangeven wat de toegevoegde waarde is van de hoofdstukken 0.1, 0.2, 0.3 en 1.0 aangezien hieraan door de beoordelaars geen waardering mag worden gekoppeld?

In algemene zin: indien Inschrijver kruisverwijzingen gebruikt in zijn document (bijv. vanuit 2.1 naar par. 0.2), mag Inschrijver er vanuit gaan dat de beoordelaar deze ook volgt?

Antwoord

De Aanbesteder meldt dat het volgende van toepassing is:

- dat hoofdstuk 0 van het CMP voor gebruik binnen de Nadere Overeenkomsten is bedoeld,

- dat hoofdstuk 0 van het CMP apart en niet geanonimiseerd ingediend wordt,

- dat hoofdstuk 0 niet meegaat naar beoordelaars van het CMP, dit als nieuw inzicht ten gevolge van de bijeenkomst anonimiseren en in afwijking op het eerder gegeven antwoord nummer 36,

- kruisverwijzingen naar hoofdstuk 0 dienen te worden voorkomen omdat hoofdstuk 0 niet in de beoordeling wordt meegenomen,

- de kwalitatieve hoofdstukken 1, 2 en indien van toepassing 3 van het CMP geanonimiseerd ingediend dienen te worden,

- dat beoordelaars van het CMP wel de kwalitatieve hoofdstukken in zijn geheel ontvangen, zijnde hoofdstuk 1, 2 en indien van toepassing 3,

- dat paragraaf 1.0 daarmee wel meegaat naar beoordelaars van het CMP, de beoordelaars daar wel kennis van kunnen nemen echter paragraaf 1.0 niet meetelt in de beoordeling.

Het aantal pagina’s als aangegeven in Bijlage B van het Inschrijvings- en beoordelingsdocument onder “kwalitatieve documenten” blijft onveranderd, waarbij het onderscheid gemaakt is tussen het aantal pagina’s voor hoofdstukken 1, 2 en indien van toepassing 3 en hoofdstuk 0.”

2.4.

Antea heeft tijdig op alle drie de percelen een inschrijving ingediend.

2.5.

Bij brieven van 20 november 2015 heeft Rijkswaterstaat aan Antea meegedeeld dat haar inschrijvingen op de drie percelen terzijde zijn gelegd. Dit laatste wordt in de drie brieven op gelijke wijze aldus gemotiveerd:

“Een knock-out criterium is van toepassing; ik verwijs naar paragraaf 4.1 van het Inschrijvings- en beoordelingsdocument. U heeft op het criterium Kwaliteitsmanagement, subcriterium Verificatie en Validatie een beoordelingscijfer 4 gescoord hetgeen een knock-out betekent. Uw beoordelingscijfer(s) licht ik toe in de bij deze brief gevoegd bijlage.”

In de bij deze brieven gevoegde bijlagen staat een nadere toelichting op de beoordelingscijfers van Antea vermeld.

2.6.

Antea heeft vervolgens een klacht ingediend bij het Centrale Klachtenmeldpunt Aanbesteden van Rijkswaterstaat. Deze houdt onder meer in dat zij ervan uit is gegaan, en er ook vanuit mocht gaan, dat haar CMP integraal zou worden beoordeeld, maar dat door Rijkswaterstaat is gemeld dat de beoordelaars het gehele CMP slechts diagonaal hebben gelezen. Daardoor hebben zij volgens Antea bij de beoordeling relevante informatie in het kader van hun beoordeling gemist, dan wel daar – ten onrechte – niet voldoende kennis van genomen. Dit blijkt volgens Antea ook uit de lage scores en de motivering daarbij. Deze klacht is ongegrond verklaard, waarna Antea dit kort geding aanhangig heeft gemaakt.

3 Het geschil

3.1.

Antea vordert – na wijziging van eis – zakelijk weergegeven:

- primair: Rijkswaterstaat te gebieden de inschrijvingen van Antea te herbeoordelen aan de hand van de bij de aankondiging bekendgemaakte gunningscriteria, subcriteria, aandachtspunten en met inachtneming van het bepaalde in dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- subsidiair: Rijkswaterstaat te gebieden om de aanbestedingsprocedure te beëindigen en niet tot gunning aan een of meer partijen over te gaan en om, voor zover hij (een of meer onderdelen van) de opdracht nog wenst te gunnen, over te gaan tot heraanbesteding met uitnodiging van Antea, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- meer subsidiair: Rijkswaterstaat te gebieden om niet tot gunning van de opdrachten over te gaan en de opschortende termijn te verlengen tot nadat de appeltermijn is verstreken en – in voorkomend geval – het gerechtshof een beslissing heeft genomen over het verzoek tot voorlopige maatregel in appel;

met veroordeling van de Rijkswaterstaat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert Antea – samengevat – het volgende aan. Zij is ervan uit gegaan dat de CMP’s integraal zouden worden beoordeeld. Dit volgt namelijk onmiskenbaar uit de beantwoording door Rijkswaterstaat van de in deze aanbesteding gestelde vragen. Hiervan uitgaande heeft Antea haar CMP’s zo opgesteld dat hierin geen doublures voorkomen en dat het voldoen aan bepaalde vereisten en voorgeschreven verplichtingen niet wordt herhaald. Gebleken is echter dat de beoordelingscommissie de CMP’s per hoofdstuk/subcriterium heeft beoordeeld. Een dergelijke beoordeling behoefde Antea als normaal geïnformeerd en behoorlijk oplettende inschrijver niet te verwachten en deze is in strijd met de door Rijkswaterstaat zelf opgestelde spelregels. Er dient dan ook een herbeoordeling plaats te vinden. Het is niet aan de voorzieningenrechter om in te schatten of integrale lezing van de plannen zou hebben geleid tot een andere score. Dit dient te worden beoordeeld door de materiedeskundigen van de beoordelingscommissie. Indien toch een dergelijke inschatting wordt gemaakt, kan worden aangenomen dat de uitkomst van de beoordeling bij integrale lezing anders zou zijn geweest. Er zijn namelijk diverse elementen gemist bij de huidige beoordeling. Subsidiair dient er een heraanbesteding plaats te vinden. Een aanbesteding waarbij de partij, die thans kwalitatief het beste scoort bij SO2 betreffende een nagenoeg gelijke opdracht, wordt beoordeeld met ruim onvoldoende, hetgeen inhoudt dat deze partij voor Rijkswaterstaat een onbeheersbaar risico vormt, is immers onhoudbaar. Als een aanbesteding tot zulke willekeurige uitkomsten leidt, is het resultaat onaanvaardbaar.

3.3.

Rijkswaterstaat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Het belangrijkste geschilpunt tussen partijen gaat over de vraag of de CMP’s al dan niet “integraal” (hadden) moeten worden beoordeeld. Met dit begrip wordt bedoeld dat bij de beoordeling van de afzonderlijke (sub)criteria, naast het daarbij behorende onderdeel in het CMP, ook de verdere inhoud van het CMP wordt betrokken, ook indien daar niet uitdrukkelijk naar is verwezen. Tussen partijen staat vast dat een dergelijke integrale beoordeling van de CMP’s niet heeft plaatsgevonden. Met informatie die elders in het CMP is opgenomen, is volgens Rijkswaterstaat bij de beoordeling van een bepaalde (sub)criterium alleen rekening gehouden indien daar uitdrukkelijk naar is verwezen. Rijkswaterstaat betwist de stelling van Antea dat zij er van uit mocht gaan dat er een integrale beoordeling zou plaatsvinden.

4.2.

Rijkswaterstaat heeft er ter onderbouwing van zijn standpunt op gewezen dat de beoordelingscriteria zijn uitgewerkt in subcriteria, met per subcriterium afzonderlijke aandachtspunten, doelstellingen en wegingen, dat de subcriteria exact overeenstemmen met de voorgeschreven indeling van het CMP en dat de diverse beoordelingsteams uitsluitend de aan dat betreffende team toegewezen (sub)criteria beoordelen. Voorts stelt Rijkswaterstaat nergens te hebben geantwoord dat een beoordelingsteam het gehele CMP integraal zal beoordelen voor ieder afzonderlijk (sub)criterium.

4.3.

Weliswaar is juist dat laatstgenoemd antwoord nergens expliciet door Rijkswaterstaat is gegeven, maar naar voorshands oordeel kan uit de beantwoording door Rijkswaterstaat van de gestelde vragen echter wel genoegzaam worden afgeleid dat dit wel de wijze van beoordeling zal zijn. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen.

4.4.

Het doel van vraag 36 is onmiskenbaar het verkrijgen van een bevestigend antwoord op (althans in ieder geval het verkrijgen van duidelijkheid over) de vraag of de beoordelaars het gehele CMP betrekken bij de beoordeling van een specifiek criterium. De vraag is onderverdeeld in twee subvragen, namelijk of de beoordelaars het gehele CMP ter inzage krijgen en of zij op basis van het gehele CMP het specifieke criterium beoordelen. Rijkswaterstaat beantwoordt vervolgens echter slechts de eerste vraag. Nu deze vraag bevestigend wordt beantwoord, zonder daarbij enige toelichting te geven, wordt daarmee de indruk gewekt dat hiertoe wordt overgegaan om de reden die de vraagsteller daarmee blijkens de inhoud van de vraag voor ogen heeft. Dat ligt in ieder geval meer voor de hand dan de conclusie die Rijkswaterstaat hieraan verbindt. Hij stelt dat de reden van het ter beschikking stellen van het gehele CMP aan de beoordelaars is gelegen in de omstandigheid dat het is toegestaan om te verwijzen naar passages die in een andere hoofdstuk staan vermeld. In het antwoord noch in de vraag is voor die uitleg echter een aanknopingspunt te vinden. Het had op de weg van Rijkswaterstaat gelegen om, indien hij dát doel voor ogen had met het verstrekken aan de beoordelaars van het gehele CMP, daar duidelijkheid over te verschaffen.

4.5.

Daar komt nog het volgende bij. Uit de vragen die volgen op vraag 36, zoals weergeven onder de feiten, kan worden afgeleid dat bij de vragenstellers op dat moment óf de veronderstelling leefde dat bij de beoordeling van een criterium de tekst van het gehele CMP zou worden betrokken – althans in ieder geval van de kwalitatieve hoofdstukken daarvan – óf daarover nog steeds onduidelijkheid was. In deze vragen wordt immers wederom getracht om hierover opheldering te krijgen. Rijkswaterstaat laat echter ook in de beantwoording van deze vragen na om er uitdrukkelijk op te wijzen dat vorenbedoelde veronderstelling van de vragenstellers onjuist is dan wel om de verzochte opheldering (zie onder meer vraag 280, eerste aandachtspunt) te verschaffen. Ook in de beantwoording van deze vragen wordt door Rijkswaterstaat meegedeeld dat de beoordelaars het CMP geheel ontvangen, zij het met de kanttekeningen dat het daarbij gaat om de kwalitatieve hoofdstukken 1, 2 en voor zover van toepassing 3, dat hoofdstuk 0 niet meegaat naar de beoordelaars en dat hoofdstuk 1.0 wel meegaat, maar niet in de beoordeling wordt betrokken. Bij de vragen 170 en 260 heeft Rijkswaterstaat hieraan thans echter de tekst toegevoegd: “in lijn met het beoogde doel van vraag 36”. Zoals voormeld is dat doel het verkrijgen van een bevestigend antwoord op de vraag of de beoordelaars het gehele CMP betrekken bij de beoordeling van een specifiek criterium.

4.6.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, mochten inschrijvers er naar voorshands oordeel redelijkerwijs van uitgaan dat er een integrale beoordeling zou plaatsvinden, zoals bedoeld onder 4.1. Dat dit leidt tot een “zoekplaatje”, zoals Rijkswaterstaat stelt, kan niet worden gevolgd. De jurisprudentie waarnaar Rijkswaterstaat in dit verband verwijst, ziet op inschrijvingen waarbij informatie die in een bepaald document moest worden vermeld, elders in de inschrijving in een ander stuk was opgenomen. In dat geval geldt dat niet van de aanbestedende dienst kan worden gevergd dat hij gaat zoeken of bepaalde informatie mogelijk elders te vinden is en zo ja, waar. Daarvan is in dit geval echter geen sprake. Hier is al de benodigde informatie in één plan opgenomen, dat integraal moest worden opgesteld (zie het antwoord van Rijkswaterstaat op vraag 260, laatste alinea) en welk plan ook nog eens van relatief beperkte omvang is, zo heeft Antea terecht opgemerkt.

4.7.

Rijkswaterstaat heeft naar voren gebracht dat, als het CMP al integraal beoordeeld zou moeten worden, dat niet zal leiden tot een andere uitkomst. Antea is een andere mening toegedaan. Zij heeft zich ter zitting echter primair op het standpunt gesteld dat het niet op de weg van de voorzieningenrechter ligt om in dit geding daarover te beoordelen. Dat laatste wordt door de voorzieningenrechter gevolgd. Het ligt op de weg van de beoordelaars om de CMP’s opnieuw te beoordelen en bij de beoordeling van de diverse (sub)criteria thans ook de informatie in aanmerking te nemen die staat vermeld in andere kwalitatieve hoofdstukken (1, 2 en voor zover van toepassing 3, met uitzondering van hoofdstuk 1.0). Daarop kan in dit geding niet vooruit worden gelopen.

4.8.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de primaire vordering tot herbeoordeling van de inschrijvingen van Antea toewijsbaar is, althans voor zover Rijkswaterstaat de opdracht nog wenst te gunnen. De voorzieningenrechter merkt hierbij voor de volledigheid op dat hij geen beslissing kan nemen over een herbeoordeling van de andere inschrijvingen, nu daar geen vordering op is gericht. Indien de CMP’s van de andere inschrijvers echter ook niet integraal zijn beoordeeld, hetgeen wel voor de hand ligt, is een herbeoordeling daarvan eveneens en op dezelfde gronden op zijn plaats.

4.9.

Voor het opleggen van een dwangsom ten laste van Rijkswaterstaat is geen aanleiding, nu Rijkswaterstaat rechterlijke uitspraken pleegt na te komen en Antea niet heeft gesteld dat en waarom dat in deze zaak niet het geval zou zijn.

4.10.

Hetgeen Antea nog naar voren heeft gebracht over haar goede prestaties onder het huidige contract en de volgens haar mede in dat licht onbegrijpelijke en onaanvaardbare uitkomst van deze aanbesteding kan in het licht van het vorenstaande onbesproken blijven.

4.11.

Rijkswaterstaat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

gebiedt Rijkswaterstaat om, voor zover zij de opdracht nog wenst te gunnen, de inschrijving van Antea opnieuw te beoordelen, met inachtneming van hetgeen in de aanbestedingsdocumenten staat vermeld en in dit vonnis daaromtrent is overwogen;

5.2.

veroordeelt Rijkswaterstaat in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van Antea begroot op € 1.435,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 619,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2016.

ts