Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:17209

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-07-2016
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
AWB 16/4637
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aangevraagd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Eiseres wordt niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule o.g.v. artikel 3.71 van het Vb 2000. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, geen bijzondere omstandigheid opleveren op grond waarvan toepassing van het mvv-vereiste zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 16/4637

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] ,

v-nummer [v-nummer] ,

van (gestelde) Kazachstaanse nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. A.C. Pool),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 6 mei 2015 heeft eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aangevraagd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Bij besluit van 6 mei 2015 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

Daartegen heeft eiseres op 6 mei 2015 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 februari 2016 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 9 maart 2016 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 7 juni 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door M.J. Hofstra.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft deze afwijzing in bezwaar bij besluit van 11 februari 2016 gehandhaafd. Daaraan heeft verweerder het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd. Eiseres beschikt niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv). De weigering om aan eiseres verblijf toe te staan levert geen schending op van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Ten aanzien van het beroep op artikel 3.71, derde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000; de hardheidsclausule) heeft verweerder zich op het standpunt gestelde dat hetgeen eiseres in dit verband heeft aangevoerd, onvoldoende is voor vrijstelling van het mvv-vereiste.

Het bezwaar tegen het besluit van 6 mei 2015 is gegrond verklaard voor wat betreft het onthouden van de vertrektermijn en het opleggen van een inreisverbod.

3. Met de gehandhaafde afwijzing van de aanvraag kan eiseres zich niet verenigen. Op hetgeen zij in dat kader heeft aangevoerd zal in het navolgende, voor zover van belang, worden ingegaan.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 31 maart 2010 een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘buiten schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken’. Deze aanvraag is afgewezen, hetgeen in bezwaar bij besluit van 12 februari 2013 is gehandhaafd. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 16 december 2013 (AWB 13/6819) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) bij uitspraak van 28 mei 2014 (zaak nr. 201400366/1/V4) bevestigd.

6. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder r, van het Vb 2000 houdt de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperking verband met niet-tijdelijke humanitaire gronden.

Op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden worden verleend aan de vreemdeling, die wegens bijzondere individuele omstandigheden naar het oordeel van Onze Minister blijvend op verblijf in Nederland is aangewezen.

Zoals volgt uit artikel 3.71, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder l, is van het vereiste van een geldige mvv op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat verweerder het eerste lid van dit artikel buiten toepassing kan laten voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien, en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economische welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

7. Niet in geschil is dat eiseres niet in het bezit is van een geldige mvv. In geschil is of het standpunt van verweerder dat er geen grond bestaat om eiseres op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 vrij te stellen van de verplichting te beschikken over een geldige mvv, omdat van een schending van artikel 8 van het EVRM geen sprake is, alsook dat niet is gebleken dat in het geval van eiseres sprake is van voldoende bijzondere en individuele omstandigheden om haar van het mvv-vereiste vrij te stellen, stand kan houden.

8. Ten aanzien van het beroep op artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt.

8.1

De rechtbank stelt vast dat deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, in eerdergenoemde uitspraak van 16 december 2013, heeft geoordeeld dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onvoldoende is gebleken dat eiseres voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘buiten schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken’ aangezien er twijfel bestaat aan de identiteit en nationaliteit van eiseres. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat tegenwerping van het mvv-vereiste niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Van beschermenswaardig privéleven is niet gebleken en verweerder heeft terecht overwogen dat geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en haar zus aangezien niet gebleken is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen hen.

8.2

In het kader van de onderhavige aanvraag stelt verweerder zich op het standpunt dat, hoewel sprake is van opgebouwd privéleven in Nederland, nog immer niet gebleken is dat dit beschermenswaardig is in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verder neemt verweerder aan dat er tussen eiseres en haar zus een familierechtelijke band bestaat, maar dat van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM geen sprake is nu nog immer niet gebleken is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen hen, wat volgens verweerder vereist is om uit te kunnen gaan van het bestaan van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen twee zussen.

8.3

De rechtbank ziet in de in dit verband aangevoerde omstandigheden, mede gelet op het oordeel op dit punt in de nog vrij recente uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 16 december 2013, welke in rechte vast is komen te staan, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de weigering om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste geen schending oplevert van het bepaalde in artikel 8 van het EVRM. Van relevante wijzigingen in dit opzicht ten opzichte van de uitspraak van 16 december 2013 is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken. Voor een beoordeling van het betoog van eiseres dat verweerder (eerder) een onjuiste toets heeft aangelegd bij de beoordeling of tussen haar en haar zus sprake is van familie- dan wel gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, ziet de rechtbank in het kader van deze procedure geen ruimte.

9. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel, in die zin dat aan haar zus eerder wel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen, reeds nu onvoldoende gebleken is dat eiseres zich in een gelijke dan wel vergelijkbare situatie bevindt als haar zus destijds. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat de (humanitaire) omstandigheden dat de zus van eiseres kinderen heeft en zij een partner in Nederland heeft met een verblijfsvergunning een rol hebben gespeeld bij de verlening van voornoemde verblijfsvergunning aan de zus.

10. Ten aanzien van het beroep van eiseres op de hardheidsclausule overweegt de rechtbank het volgende.

10.1

Volgens vaste jurisprudentie komt verweerder ter zake van de toepassing van de hardheidsclausule een ruime beoordelingsmarge toe en zal de weigering van verweerder om in een bepaald geval toepassing te geven aan die clausule de toetsing in rechte slechts dan niet kunnen doorstaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten.

De rechtbank stelt voorop dat de wetgever heeft beoogd dat verweerder alleen in zeer bijzondere, individuele gevallen kan afzien van het volharden in de eis van het in bezit zijn van een geldige mvv. Gelet op de discretionaire bevoegdheid van verweerder om de bovengenoemde hardheidsclausule toe te passen dient de rechtbank zich bij haar toetsing terughoudend op te stellen.

10.2

In paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is het volgende opgenomen:

Hardheidsclausule

Op grond van artikel 3.71, derde lid, Vb wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af wegens het ontbreken van een geldige mvv als dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).

Bijzondere gevallen in het kader van de hardheidsclausule

De IND past de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, Vb in ieder geval toe bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning van een vreemdeling van wie de terugkeer in verband met een medische noodsituatie leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Niet-bijzondere gevallen in het kader van de hardheidsclausule

De IND past de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, Vb in ieder geval niet toe als de vreemdeling:

• het beroep op de hardheidsclausule niet heeft gemotiveerd of met relevante gegevens en bescheiden heeft onderbouwd binnen een door de IND gestelde termijn;

• stelt dat aan een of meer voorwaarden voor vrijstelling slechts op een onderdeel niet is voldaan;

• stelt dat aan alle voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning voor het gestelde verblijfsdoel is voldaan, afgezien van het mvv-vereiste;

• asielgerelateerde gronden aanvoert;

• als asielzoeker is uitgeprocedeerd;

• aangeeft dat de noodzakelijke medische behandeling aan terugkeer – teneinde een mvv te verkrijgen – naar het land van herkomst in de weg staat, maar niet heeft aangetoond dat sprake is van een medische noodsituatie; of

• meer dan twee jaar na afloop van een eerder verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om verlenging of wijziging hiervan heeft gevraagd tenzij het overschrijden van deze termijn niet aan de vreemdeling is toe te rekenen.”

10.3

De rechtbank stelt allereerst vast dat van één van de omstandigheden genoemd in het van toepassing zijde beleid, zoals hiervoor uiteen gezet, waarin verweerder de hardheidsclausule in ieder geval niet toepast, geen sprake is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, geen bijzondere omstandigheid opleveren op grond waarvan toepassing van het mvv-vereiste zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. In dit verband acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang.

10.3.1

Eiseres heeft verklaard dat zij is geboren in Kazachstan en daar 14 jaar heeft gewoond. Sinds 2001 verblijft eiseres in Nederland. Zij was toen 14 jaar. Eiseres heeft sindsdien samen met haar zus samengeleefd. Eiseres heeft aangevoerd dat zij wordt onderhouden door haar zwager en haar zus, die - zoals ook hun kinderen - in het bezit zijn van een geldige verblijfsvergunning, en bij wie zij sinds 2004 in huis woont. Niet in geschil is dat er een familierechtelijke relatie bestaat tussen eiseres en haar zus, en derhalve ook met de familieleden van haar zus. Evenmin is in geschil dat de (gestelde) moeder en tweelingzus van eiseres uit Nederland zijn vertrokken. Eiseres heeft aangevoerd dat zij in praktische en emotionele zin afhankelijk is van haar zus en haar gezin.

Dat sprake is van opgebouwd privéleven in Nederland, wordt niet betwist. Gebleken is dat eiseres na afronding van een juridische MBO-opleiding, recent haar studie HBO-recht met goed gevolg heeft afgerond. Verder heeft eiseres vrijwilligerswerk verricht bij VluchtelingenWerk Nederland en heeft zij in het kader van haar studie stage gelopen en gewerkt bij het Openbaar Ministerie Arrondissementsparket Arnhem en de rechtbank Gelderland. Dit wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat eiseres zich betrokken voelt bij en zich inzet voor de Nederlandse samenleving. Eiseres is de Nederlandse taal verder zeer goed machtig. Dat het voorgaande inherent is aan een langdurig verblijf in Nederland, zoals verweerder overweegt, volgt de rechtbank uitdrukkelijk niet.

Ten aanzien van het door eiseres aangevoerde op het punt van het familie- en privéleven verwijst verweerder met name naar zijn overwegingen in het kader van artikel 8 van het EVRM en zijn conclusie dat van een schending van dat artikel geen sprake is. Dat van een schending van artikel 8 van het EVRM geen sprake zou zijn, maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat de omstandigheden die zich in dit verband voordoen, zoals deze hiervoor zijn weergegeven, geen rol spelen in het kader van de beoordeling of toepassing gegeven dient te worden aan de hardheidsclausule.

Tevens acht de rechtbank van belang dat eiseres bij de aanvraag van de onderhavige verblijfsvergunning kenbaar heeft gemaakt dat zij een relatie heeft met een Griekse man. Dit element komt in de besluitvorming - ten onrechte - niet aan de orde.

10.3.2

Eiseres is niet in het bezit van nationaliteits- of identiteitsdocumenten. Dat is als zodanig niet in geschil. Terugkeer naar Kazachstan zal, zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd, op dit moment daarom niet mogelijk zijn. Via de ambassade van Kazachstan en met bemiddeling van de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V), heeft eiseres geprobeerd in het bezit te komen van documenten ter vaststelling van haar identiteit en nationaliteit dan wel een laissez passer. Niet wordt betwist dat hiertoe verschillende pogingen zijn ondernomen, zonder dat deze resultaat hebben opgeleverd. Ter verkrijging van een paspoort is eiseres op eigen initiatief in juli 2009 - illegaal - teruggekeerd naar Kazachstan. Ook heeft eiseres in het kader van de vorige procedure contact opgenomen met de Internationale Organisatie voor Migratie. Tijdens een van de gesprekken met de consul van de Kazachstaanse ambassade, waarbij ook de DT&V aanwezig was, werd eiseres te kennen gegeven dat een burger van Kazachstan die langer dan drie jaar buiten dat land verblijf en nooit contact opneemt met de ambassade, zijn burgerschap verliest. Tevens is eiseres te kennen gegeven dat zij niet in de database van Kazachstan is opgenomen en dat het niet mogelijk lijkt om een reisdocument af te geven. Na een suggestie van de consul van de Kazachstaanse ambassade en op advies van de DT&V heeft eiseres ter verkrijging van de Kazachstaanse nationaliteit een brief geschreven aan de president van Kazachstan. Hierop heeft eiseres, ondanks een rappel, nog geen antwoord ontvangen, zo gaf eiseres ter zitting aan. Eiseres wees er hierbij op dat de consul daarbij heeft opgemerkt dat hij niet kon zeggen of er een antwoord zou komen op de brief, en zo ja, hoe lang dit zou gaan duren. Eiseres heeft verder naar voren gebracht dat zij sinds de afwijzing van haar vorige aanvraag, meerdere afspraken met de DT&V heeft gehad en dat dit niet heeft geleid tot nieuwe ontwikkelingen. Aan eiseres is te kennen gegeven dat er geen aanleiding bestaat voor een identiteitsonderzoek.

Voor zover verweerder op dit punt wijst op de omstandigheid dat eiseres niet in het bezit is van een paspoort en zij onvoldoende inspanningen zou hebben verricht om in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘buiten schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken’, wijst de rechtbank erop dat dit niet maakt dat reeds daarom het tegenwerpen van het mvv-vereiste geen onbillijkheid van overwegende aard zou kunnen opleveren. De omstandigheden die in dit verband spelen dient verweerder los van die conclusie in zijn beoordeling omtrent de toepassing van de hardheidsclausule mee te nemen.

10.4

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en de belangen van eiseres, die door verweerder niet allemaal kenbaar bij de beoordeling in dit kader zijn betrokken, acht de rechtbank het onvoldoende daadkrachtig gemotiveerd waarom tegenwerping van het mvv-vereiste aan eiseres niet een onbillijkheid van overwegende aard oplevert en voor haar van onevenredige hardheid is.

11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 11 februari 2016 is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb, dat vereist dat een besluit berust op een deugdelijke motivering. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het besluit zal worden vernietigd.

12. Nu het beroep gegrond zal worden verklaard ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze zijn begroot op € 992,- aan kosten van door derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (te weten 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 496,-; wegingsfactor 1). Tevens dient verweerder het griffierecht ter hoogte van € 168,- te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 11 februari 2016;

  • -

    draagt verweerder op om met in achtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-;.

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiseres te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.S. van Nijen, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).