Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:17178

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2016
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
AWB 16-6425
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag / beroep gegrond / artikel 42, vierde lid, onder b van de Vw 2000 / WBV 2016/3

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16 / 6425

V-nr: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 juni 2016 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 1991, van Syrische nationaliteit, eiseres,

gemachtigde mr. M. Spapens, advocaat te Amsterdam,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder.

Procesverloop

Op 31 maart 2016 heeft eiseres bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag van 29 augustus 2015.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

Overwegingen

1.1

Op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

1.2

Op grond van artikel 8:55c, eerste volzin, van de Awb stelt de bestuursrechter, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast.

1.3

Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

1.4

Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

2.1

In artikel 4:13, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zo een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) bedraagt de termijn in dit geval zes maanden.

2.2

Ingevolge artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vw 2000 kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden.

2.3

In paragraaf C1/2.11 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is opgenomen dat de IND met ingang van 11 februari 2016 gebruik zal maken van de in artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vw 2000 neergelegde bevoegdheid.

2.4

In de toelichting bij het besluit dat heeft geleid tot de betreffende wijziging van de Vc 2000, Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 februari 2016, nummer WBV 2016/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Stcrt. 2016, 7573) heeft verweerder uiteengezet dat vreemdelingen die met ingang van 11 februari 2016 een asielaanvraag indienen, zullen worden geïnformeerd over de verwachte behandelduur van hun aanvraag, en dat deze, gelet op het bepaalde in artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vw 2000, verlengd zal worden. Voor asielaanvragen ingediend vóór 11 februari 2016 geldt de verlenging van de beslistermijn in beginsel niet en streeft verweerder naar beslissing op de aanvraag binnen zes maanden. Indien er in individuele gevallen ondanks alle inspanningen niet beslist kan worden binnen zes maanden, wordt de termijn van deze zaken tevens op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, verlengd.

3.1

De rechtbank stelt vast dat eiseres haar asielaanvraag heeft ingediend op 29 augustus 2015. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder niet voor het verstrijken van de beslistermijn aan eiseres heeft laten weten dat hij deze termijn zal verlengen met negen maanden. Gelet hierop had verweerder uiterlijk op 28 februari 2016 op de aanvraag moeten beslissen. De rechtbank constateert dat deze beslistermijn is overschreden.

3.2

Verder constateert de rechtbank dat eiseres verweerder bij formulier van 3 maart 2016, door verweerder blijkens het faxrapport ontvangen op dezelfde datum, in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. Hoewel aan de inhoud van de ingebrekestelling geen specifieke wettelijke eisen worden gesteld, kan van een ingebrekestelling in de zin van de wet slechts sprake zijn, indien voldoende duidelijk is op welk te nemen besluit zij betrekking heeft (vgl. Kamerstukken II, 2005-2006, 30 435, nr. 3, p. 17). Van de ingebrekestelling mag dan ook worden verlangd dat deze specificeert op welke te nemen beschikking zij ziet. Zonder die specificatie is de ingebrekestelling niet rechtsgeldig (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2554 en van 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5083). Naar het oordeel van de rechtbank is er rechtsgeldig in gebreke gesteld. Nu eiseres op 31 maart 2016 beroep heeft ingesteld is de rechtbank van oordeel dat aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is voldaan. De rechtbank stelt vast dat verweerder vooralsnog geen besluit op de aanvraag van eiseres van 29 augustus 2015 heeft genomen.

4. Het beroep is kennelijk gegrond.

5.1

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,00 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,00 per dag en de overige dagen € 40,00 per dag.

Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de bezwaarmaker een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

5.2

Met toepassing van artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank de door verweerder verbeurde dwangsom, tot aan de dag van deze uitspraak, vast op in totaal € 1.260,00.

6.1

Ingevolge artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Ingevolge het derde lid kan de rechtbank in bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

6.2

De rechtbank ziet gelet op artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb, aanleiding om de beslistermijn van zes maanden te verlengen met negen maanden en in dit geval te bepalen dat verweerder uiterlijk op 28 november 2016 alsnog een besluit op de aanvraag zal nemen. Dit vanwege de omstandigheid dat een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag heeft ingediend waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden. Omdat het vreemdelingenrecht met zich brengt dat omstandigheden buiten de macht van verweerder kunnen leiden tot vertraging van zorgvuldige besluitvorming, ziet de rechtbank aanleiding om vooralsnog geen dwangsom aan genoemde termijn te verbinden.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 124,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 0,25). De rechtbank merkt het gewicht van de zaak aan als ‘zeer licht’, omdat het hier uitsluitend gaat om de vraag of de beslistermijn is overschreden waarbij geen beoordeling plaatsvindt van het materiële geschil.

Beslissing

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gegrond;

- draagt verweerder op alsnog een besluit op de aanvraag te nemen, uiterlijk op 28 november 2016;

- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op de aanvraag een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd van in totaal € 1.260,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 124,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van

H. Akbuz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

D:C

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank.