Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:17176

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-10-2016
Datum publicatie
08-01-2018
Zaaknummer
16/15879
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is een ex politieman en is etnisch Hazara, afkomstig uit Ghazni, Afghanistan. Hij werkte als politieman. Eisers asielrelaas dat hij is bedreigd door de Taliban is geloofwaardig geacht. Verweerder meent echter dat eiser geen aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 omdat eiser een vestigingsalternatief heeft in Kaboel.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of, en ontoereikend heeft gemotiveerd dat, Kaboel in het geval van eiser kan dienen als vestigingsalternatief. Verweerder heeft geen beoordeling gemaakt langs de drie kernvoorwaarden die het internationale en nationale recht stelt aan een vestigingsalternatief. Ook heeft verweerder niet gereageerd op de door eiser ingeroepen landeninformatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/15879

[V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Afghaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. F.J.E. Hogewind),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. B. van Beers).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 20 november 2015 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen.

Op 18 juli 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig [naam 1] , tolk Dari. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Het asielrelaas

1. Eiser heeft aan zijn asielverzoek kort samengevat het volgende relaas ten grondslag gelegd. Hij is Hazara afkomstig uit de provincie Ghazni in Afghanistan. Eiser is vanwege zijn werkzaamheden bij de Afghaanse nationale politie via zijn familie bedreigd door de Taliban. De Taliban heeft hem opgedragen naar hen te luisteren en met zijn werkzaamheden bij de politie te stoppen omdat hij anders gedood zou worden. De Taliban is op een gegeven moment bij eiser aan de deur gekomen en heeft een dreigbrief voor eiser bij zijn familie achtergelaten. De Taliban heeft verschillende politiemannen die de bedreigingen niet serieus hadden genomen opgepakt en vermoord. Uit angst dat hem hetzelfde zou overkomen, heeft eiser Afghanistan verlaten en in Nederland asiel aangevraagd.

Verweerders afwijzing

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen.

3.1.

Verweerder heeft het asielrelaas van eiser onderverdeeld in de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- de werkzaamheden voor de Afghaanse nationale politie;

- de bedreigingen door de Taliban.

3.2.

Verweerder heeft in het bestreden besluit alle relevante elementen van het asielrelaas geloofwaardig geacht. Verweerder meent dat eiser geen aanspraak kan maken op vluchtelingrechtelijke bescherming omdat de bedreigingen door de Taliban niet verdragsgerelateerd zijn.

In de geloofwaardig geachte bedreigingen door de Taliban ziet verweerder ook geen aanleiding om te concluderen dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Eiser kan zich namelijk vestigen in Kaboel en zich op die manier onttrekken aan het risico. Op grond van paragraaf C7/2, en meer specifiek paragraaf C7/2.5.2, van de Vreemdelingencirculaire 2000 neemt verweerder ten aanzien van Afghanistan een vlucht- of vestigingsalternatief aan in Kaboel. Geen vlucht- of vestigingsalternatief in Kaboel wordt aangenomen voor een aantal specifieke categorieën personen, te weten etnische en religieuze minderheden, LHBT’s, alleenstaande vrouwen, minderjarigen en vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor geweldpleging. Eiser behoort niet tot een van deze categorieën. Verweerder beoordeelt bij elke vreemdeling individueel of dit vlucht- of vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. Bij de beoordeling of Kaboel specifiek voor eiser kan gelden als vestigingsalternatief heeft verweerder betrokken dat niet aannemelijk is dat de Taliban in Kaboel specifiek naar eiser zal gaan zoeken omdat eiser, zoals de Taliban dat eiste, is gestopt met zijn werkzaamheden bij de politie. Ook heeft verweerder hierbij betrokken dat eiser Hazara is, dat 25% van de bevolking in Kaboel bestaat uit Hazara en dat de Hazara sjiitische moslims zijn. Voor sjiitische moslims is een aanzienlijk netwerk in Kaboel aanwezig om zich staande te houden. Eiser is een gezonde en geschoolde volwassen jongeman die aansluiting kan zoeken bij de grote sjiitische Hazaragemeenschap in Kaboel. Verweerder verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 25 januari 2017. Bovendien heeft eiser vier jaar lang in Kandahar gewoond en gewerkt waardoor volgens verweerder niet valt in te zien dat hij zich niet ook in Kaboel zou kunnen handhaven. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat hij onmogelijk werk en onderdak in Kaboel zal kunnen vinden, aldus nog steeds verweerder. Over de familievete die eiser in beroep heeft genoemd als reden waarom hij zich niet in Kaboel kan vestigen heeft verweerder opgemerkt dat dit een nieuw asielmotief is dat pas in beroep is aangedragen en dat daarom buiten de beoordeling moet blijven.

3.3.

Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er in Afghanistan weliswaar sprake is van een zorgelijke situatie, maar dat er geen sprake is van uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15C van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder verwijst daarbij naar het algemeen ambtsbericht Afghanistan van 15 november 2016, de uitspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) van 12 januari 2016 in de zaak A.W.Q. en D.H. t. Nederland, de uitspraak van het EHRM van 5 juli 2016 in de zaak

A.M. t. Nederland, en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2731.

Waarom eiser het niet met verweerder eens is

4. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat Kaboel voldoet aan de vereisten die gelden voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief.

De Taliban is ook in Kaboel actief. Nu verweerder de bedreigingen door de Taliban geloofwaardig heeft geacht, heeft verweerder niet zonder nadere motivering een vestigingsalternatief in Kaboel kunnen tegenwerpen aangezien de Taliban eiser ook daar niet met rust zal laten. In dit verband verwijst eiser naar een brief van Vluchtelingenwerk van 20 juli 2016 waaruit blijkt dat het inlichtingennetwerk van de Taliban indrukwekkend is en zich concentreert op overheidspersoneel, zoals de politie.

Volgens eiser is er sprake van een verslechtering van de veiligheidssituatie in geheel Afghanistan en ook in Kaboel. Deze verslechtering treft de Hazara’s in het bijzonder. Ook daarom kan Kaboel voor eiser niet dienen als vestigingsalternatief. Eiser heeft hierbij onder meer gewezen op informatie van UNHCR, de Schweizerische Flüchtlingshilfe, de Minority Rights Group en het US Department of State. Volgens eiser heeft verweerder bij de tegenwerping van het vestigingsalternatief niet de actuele situatie meegewogen.

Om Kaboel als vestigingsalternatief te kunnen tegenwerpen, moet ook vastgesteld kunnen worden dat eiser toegang heeft tot onderdak, gezondheidszorg, onderwijs en mogelijkheden om zelf in zijn levensonderhoud te voorzien. Verweerder heeft hierover gezegd dat de omstandigheid dat de levensstandaard voor eiser in Afghanistan lager is dan de levensstandaard in Nederland niet maakt dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. Daarmee heeft verweerder een verkeerd criterium toegepast.

Er is nog een andere reden waarom Kaboel voor eiser geen vestigingsalternatief kan zijn. Al decennialang bestaat er een vete tussen eisers familie en een andere Hazara familie genaamd [naam 2] . Deze vete gaat over landbouwgrond in de provincie Ghazni en heeft al vele levens gekost, waaronder die van de broer van eiserse grootvader en eisers neef. Deze neef is in [jaartal] in Kaboel vermoord door de familie [naam 2] die in de Hazarawijk in Kaboel woont. Eiser vreest dat hem hetzelfde zal overkomen als hij zich in Kaboel zal vestigen.

Al deze redenen maken dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat eiser een vestigingsalternatief heeft in Kaboel.

Wettelijk kader vluchtalternatief / vestigingsalternatief

5.1.

In onder andere de notitie “Guidelines on International Protection: Internal Flight or Relocation Alternative for Individuals at Risk of Persecution”1 definieert UNHCR de eisen aan een vestigingsalternatief als volgt. Het gebied moet praktisch, juridisch en veilig bereikbaar zijn. Het gebied moet zelf ook veilig zijn: de oorspronkelijke vrees voor vervolging en de actoren van vervolging moeten zich buiten het gebied bevinden. Het ligt minder voor de hand om een vestigingsalternatief tegen te werpen als de vrees voor vervolging uitgaat van of getolereerd wordt door de staat. Daarnaast is er de “reasonableness test”: per geval moet bekeken worden in hoeverre het redelijk is om van de persoon te verlangen naar het betreffende gebied te gaan. De persoon mag niet geisoleerd raken, gediscrimineerd worden, blootstaan aan psychisch trauma, er moet een minimaal niveau van respect voor de mensenrechten zijn en er moet voldoende potentieel zijn voor het opbouwen van een bestaan in economische zin: de persoon moet er geld kunnen verdienen, een huis kunnen krijgen, aanspraak kunnen maken op medische zorg.

5.2.

Het EHRM kijkt bij de vraag of een vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen feitelijk, praktisch en per geval naar de veiligheid in het betreffende gebied, de bereikbaarheid/toegankelijkheid van het gebied en de duurzaamheid ofwel bestendigheid van mogelijkheden voor vestiging.2

5.3.

In artikel 3.37d van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 is het volgende bepaald.

1. Bij de beoordeling of een vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Wet (http://maxius.nl/vreemdelingenwet-2000/artikel29/) in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet (http://maxius.nl/vreemdelingenwet-2000/artikel28/) geldt dat een vreemdeling geen behoefte heeft aan bescherming, indien hij in een deel van het land van herkomst:

a. (http://maxius.nl/voorschrift-vreemdelingen-2000/artikel3.37d/lid1/onderdeela) geen gegronde vrees heeft voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade loopt; of

b. (http://maxius.nl/voorschrift-vreemdelingen-2000/artikel3.37d/lid1/onderdeelb) toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c tegen vervolging of tegen ernstige schade, en hij op een veilige en wettige manier kan reizen naar en zich toegang verschaffen tot dat deel van het land, en redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij er zich vestigt.

2. Bij de beoordeling of de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt, of toegang heeft tot bescherming tegen vervolging of tegen ernstige schade in een deel van het land van herkomst overeenkomstig het eerste lid, wordt rekening gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling in overeenstemming met artikel 31 van de Wet (http://maxius.nl/vreemdelingenwet-2000/artikel31/). Daartoe wordt ervoor gezorgd dat wordt beschikt over nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen, zoals de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken.

5.4.

In de Vc 2000 is in paragraaf C2/3.4 verder uitgewerkt welke eisen worden gesteld aan een vestigingsalternatief. De IND neemt aan dat een ander gebied in het land van herkomst op grond van artikel 3.37d VV voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a. het gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of voor daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw óf toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c VV;

b. de vreemdeling kan op veilige en wettige wijze reizen naar en toegang verkrijgen tot dat gebied in het land van herkomst; en

c. van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt.

Ad a.

Naast het vereiste dat de dreiging in het andere gebied niet mag bestaan, is het ook van belang dat de vreemdeling in het andere gebied geen nieuwe dreiging zal ondervinden. Als het aannemelijk is dat de vreemdeling in het andere gebied ook heeft te vrezen voor vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw dan beoordeelt de IND of de vreemdeling bescherming kan inroepen tegen de dreiging in dat gebied. Als de dreiging een gevolg is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95/EU in een bepaald gebied en niet gerelateerd is aan individuele, persoonlijke vrees, kan de vreemdeling afkomstig uit dat gebied zich onttrekken aan deze dreiging door zich te vestigen in een plaats gelegen buiten het hier bedoelde gebied. De voorwaarden genoemd onder b en c voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief blijven onverminderd van toepassing.

Ad b.

Het gebied moet vanuit Nederland daadwerkelijk bereikbaar zijn. Daarnaast moet het gebied op legale en veilige wijze kunnen worden bereikt.

Ad c.

De bescherming die de vreemdeling in het gebied krijgt, hoeft niet dezelfde te zijn als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben gekregen.

De vreemdeling moet zich in het gebied kunnen vestigen en een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het betreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast mogen de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie. Dat de omstandigheden in het gebied minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de vreemdeling is voor de IND onvoldoende reden om geen vlucht- of vestigingsalternatief tegen te werpen. De IND beoordeelt aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen of een vlucht- of vestigingsalternatief in de individuele zaak van de vreemdeling aanwezig is.

In het landgebonden asielbeleid kan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het bestaan van een vlucht- of vestigingsalternatief op basis van de beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen met inachtneming van de genoemde voorwaarden van tevoren vaststellen dan wel uitsluiten voor:

vreemdelingen uit een gedeelte van dat land waarbij de dreiging een gevolg is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95/EU; of

een bepaalde bevolkingsgroep.

5.5.

Volgens paragraaf C7/2.5.2 van de Vc 2000 neemt verweerder ten aanzien van Afghanistan in beginsel een vlucht- of vestigingsalternatief aan in Kaboel. Verweerder beoordeelt bij elke vreemdeling individueel of dit vlucht- of vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen.

Oordeel rechtbank

6.1.

Verweerder heeft eisers relaas geloofwaardig geacht. Verweerder gaat er met eiser vanuit dat eiser in Ghazni als (voormalig) politieman te vrezen heeft voor de Taliban. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder eiser terecht heeft tegengeworpen dat eiser toch kan terugkeren naar Afghanistan omdat hij zich kan vestigen in Kaboel. Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat Kaboel voldoet aan de hierboven weergegeven eisen die volgens het internationale en nationale recht gelden voor een vestigingsalternatief.

6.2.

Op grond van de bewoordingen van het voornemen en het bestreden besluit stelt de rechtbank vast dat verweerder niet expliciet en kenbaar stapsgewijs een toetsing heeft verricht aan de drie kernvoorwaarden die het recht stelt aan een vestigingsalternatief, te weten dat:

1) er veilig, daadwerkelijk en legaal naar het gebied kan worden gereisd en dat er toegang moet zijn tot het gebied;

2) het gebied voldoende veilig moet zijn;

3) de betrokkene zich in het gebied moet kunnen vestigen.

De rechtbank leidt uit het landgebonden beleid in paragraaf C7/2.5.2 van de Vc 2000 niet af dat een dergelijke stapsgewijze toetsing niet hoeft te worden verricht omdat in dit landgebonden beleid is bepaald dat Kaboel in beginsel als vluchtalternatief / vestigingsalternatief geldt. Dit beleid zegt immers ook dat verweerder bij elke vreemdeling individueel beoordeelt of Kaboel als vlucht- of vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. Ook voor eiser dient dus een individuele stapsgewijze beoordeling te worden gemaakt langs de drie genoemde kernvoorwaarden.

6.3.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verweerder in het kader van de tweede voorwaarde – de vraag of het gebied voldoende veilig is – niet expliciet en kenbaar heeft gereageerd op de landeninformatie die eiser heeft ingeroepen ter onderbouwing van zijn betoog dat de situatie in Kaboel - in het algemeen maar met name ook voor hem als Hazara - dusdanig onveilig is dat deze stad redelijkerwijs niet kan dienen als vestigingsalternatief. Eiser heeft gewezen op de Eligibility Guidelines van UNHCR van 2016 dat er een toename is van aanvallen van anti-overheidstroepen eind 2015 en begin 2016. In het rapport van Schweizerische Flüchtlingshilfe van 6 juni 2016 wordt het aantal aanslagen in Kaboel opgesomd. Daaruit komt een zorgwekkende veiligheidssituatie naar voren. Verder staat in de UNHCR Eligibility Guidelines van 2016 dat het enkele gegeven dat er Hazara wonen in Kaboel geen reden is om een vestigingsalternatief in Kaboel aan te nemen. Eiser heeft ook gewezen op een rapport uit 2015 van de Minority Rights Group waarin staat dat Hazara’s het slachtoffer worden van doelgerichte moorden, ook in Kaboel. Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende expliciet en kenbaar gereageerd op deze door eiser ingeroepen landeninformatie.

Ook in het verweerschrift is niet voldoende gereageerd op de door eiser aangehaalde bronnen. Verweerder heeft in het verweerschrift opgemerkt dat uit de door eiser aangehaalde bronnen geen ander beeld van de situatie in Kaboel naar voren komt dan het beeld beschreven in het Algemeen Ambtsbericht inzake Afghanistan van 2016, maar is niet concreet ingegaan op de veiligheidsproblemen waar de door eiser aangehaalde bronnen melding van maken. Daarnaast zijn in het verweerschrift, dat dateert van 29 juni 2017, ook geen recentere bronnen genoemd dan de bronnen die eiser heeft aangehaald en die ten tijde van het uitbrengen van de zienswijze (juni 2016) en het beroep (augustus 2016) het meest recent waren. Dit had wel mogen worden verwacht van verweerder.

Op verweerder rust immers de bewijslast dat Kaboel kan dienen als vestigingsalternatief en artikel 3.37, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 vereist dat wordt beschikt over nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen, zoals de UNHCR en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO).

6.4.

De rechtbank stelt daarnaast vast dat verweerder in het kader van kernvoorwaarde 3 – de betrokkene moet zich kunnen vestigen in het gebied – de verschillende aspecten die hierbij volgens het internationale recht - met name volgens UNHCR – in aanmerking moeten worden genomen niet althans niet kenbaar langs is gelopen. Daardoor is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast komen te staan of eiser in Kaboel toegang zal hebben tot elementaire basisvoorzieningen zoals een dak boven het hoofd, gezondheidszorg, mogelijkheden om zelf in zijn levensonderhoud te voorzien. Verweerder heeft hierover in het bestreden besluit gezegd dat de omstandigheid dat de levensstandaard voor eiser in Afghanistan lager is dan de levensstandaard in Nederland niet maakt dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat dit niet criterium is waarlangs de beoordeling plaats moet vinden of aan de derde kernvoorwaarde voor tegenwerping van een vestigingsalternatief is voldaan.

Ook verweerders overweging in dit verband dat eiser als gezonde en geschoolde volwassen jongeman van Hazara etniciteit aansluiting kan zoeken bij de grote sjiitische Hazaragemeenschap in Kaboel acht de rechtbank niet toereikend. De Eligibility Guidelines van UNHCR van 2016 vermelden immers juist dat het enkele gegeven dat er Hazara wonen in Kaboel geen reden is om voor etnische Hazara zonder meer een vestigingsalternatief in Kaboel aan te nemen. Verweerder heeft tegenover deze gezaghebbende bron geen recentere, andersluidende bron geplaatst.

6.5.

Eisers betoog dat Kaboel voor hem individueel eens te minder kan gelden als vestigingsalternatief vanwege een familievete kan naar het oordeel van de rechtbank niet buiten de beoordeling worden gelaten om de reden dat eiser hier eerst in beroep melding van heeft gemaakt. Eiser heeft de familievete naar voren gebracht als extra argument waarom Kaboel voor hem geen passend vestigingsalternatief is. Het internationale en nationale recht en ook verweerders beleid vergen een individuele, op het concrete geval toegespitste beoordeling of een gebied dat in het algemeen als vestigingsalternatief geldt, ook voor de betreffende persoon als zodanig kan dienen. De rechtbank ziet niet in hoe een omstandigheid als door eiser genoemd – een oude familievete die volgens eiser al veel levens heeft gekost – dan niet mag worden betrokken in de beoordeling. Ook in het licht van artikel 83a van de Vw 2000, dat van de rechtbank vergt dat een volledig en ex nunc onderzoek plaatsvindt, zou het niet logisch zijn om deze omstandigheid buiten de beoordeling te laten.

6.6.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht of, en ontoereikend heeft gemotiveerd dat, Kaboel in het geval van eiser voldoet aan de eisen die het internationale en nationale recht stelt aan een vestigingsalternatief. Aan de vraag of in Afghanistan (of specifiek in Kaboel) sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15C van de Kwalificatierichtlijn komt de rechtbank niet toe. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en artikel 3.37d van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak. De rechtbank stelt daarvoor een termijn van acht weken, opdat verweerder voldoende tijd heeft om de meest actuele landeninformatie te betrekken bij de beoordeling.

De rechtbank geeft verweerder voor de nieuwe besluitvorming mee dat Amnesty International in een rapport van 5 oktober 2017 heeft opgeroepen om alle uitzettingen naar Afghanistan op te schorten.

6.7.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om binnen acht weken na de datum van deze uitspraak opnieuw te beslissen op eisers asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van bij eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,-- (zegge: negenhonderdnegentig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. S.T. Ramnewash-Oemrawsingh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2017.

griffier

rechter

de griffier is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's‑Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 Internal Flight or Relocation Alternative” in the Context of Article 1A(2) of the 1951 Convention and/or 1967 Protocol relating to the Status of Refugees, te vinden op: Refugeestudies.org/UNHCR.

2 Zie bijvoorbeeld EHRM Jeltsujeva tegen Nederland, 1 juni 2006, en EHRM Salah Sheekh tegen Nederland, 11 januari 2007.