Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:17146

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-12-2016
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16_19116
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde aanvraag verblijfsvergunning asiel, beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/19116

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2016 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer, [V-nummer]

(gemachtigde: mr. Y.Tamer),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.S. van Tol).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2014 heeft verweerder de herhaalde aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van 24 juli 2014 afgewezen.

Het hiertegen gerichte beroep is door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, bij uitspraak van 18 augustus 2014 AWB, ECLI:NL:RBDHA:2014:10819, gegrond verklaard.

Bij besluit van 4 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 24 juli 2014 wederom afgewezen.

Eiser heeft op 24 augustus 2016 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 22 november 2016. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1972 en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in Nederland.

Eiser heeft op 15 mei 2008 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 16 januari 2009 afgewezen. De rechtbank ‘s-Gravenhage, zittingsplaats Zutphen, heeft bij uitspraak van 17 februari 2010 het beroep van eiser hiertegen ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser geen hoger beroep ingesteld. Het besluit van 16 januari 2009 is daarmee in rechte onaantastbaar geworden. Op 6 september 2010 heeft eiser nogmaals een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 14 september 2010 afgewezen. De rechtbank ’s-Gravenhage, zittingsplaats Assen, heeft bij uitspraak van 7 oktober 2010 het beroep van eiser hiertegen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiser geen hoger beroep ingesteld. Hiermee is ook het besluit van 14 september 2010 in rechte onaantastbaar geworden. Op 24 juli 2014 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Die aanvraag ligt ten grondslag aan het thans bestreden besluit.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser aan zijn opvolgende aanvraag geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die af kunnen doen aan de in rechte vaststaande conclusie van verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op vervolging dan wel op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De vier door eiser overgelegde documenten ter staving van zijn asielrelaas zoals hij dat in zijn eerste asielaanvraag naar voren heeft gebracht zijn weliswaar origineel maar de authenticiteit kan niet worden vastgesteld wegens het ontbreken van referentiemateriaal. Nu het een opvolgende aanvraag betreft, berust de verantwoordelijkheid om de authenticiteit van de documenten aan te tonen bij eiser, aldus verweerder. Verweerder wijst er voorts op dat eiser het punt met deze vier documenten tijdens de behandeling van het beroep tegen de eerste beschikking op deze aanvraag ter zitting heeft laten vallen. Nu eiser tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, staat dit in rechte vast. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM wegens de algehele veiligheidssituatie in Bagdad; in Bagdad is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, sub 3, van de Vw 2000.

3. Eiser stelt zich op het standpunt, kort samengevat, dat verweerder ten onrechte het ne bis in idem-kader heeft toegepast. Volgens eiser is deze toets komen te vervallen voor zowel de bestuurlijke fase als de rechterlijke toets, hetgeen zou volgen uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1759. Verweerder heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het aan eiser is om de authenticiteit van de overgelegde documenten aan te tonen. Dit klemt temeer gezien de samenwerkingsverplichting van artikel 4 van de Definitierichtlijn en gezien het feit dat eiser originele, genummerde en bestempelde documenten heeft overgelegd met de bijbehorende vertalingen. Ten onrechte ook weigert verweerder de documenten terug te geven aan eiser voor een contra-expertise. Ter zitting heeft eiser voorts betwist dat hij in de eerdere beroepsprocedure bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, het punt dat hij met de overgelegde documenten wilde aantonen, namelijk dat zijn asielrelaas wel degelijk geloofwaardig is, heeft laten vallen. Volgens eiser is de uitspraak op dit punt onjuist. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen aanvullend gehoor heeft gehouden nu eiser als niet praktiserend Sjiitisch moslim naar Bagdad moet terugkeren zonder dat hij beschikt over een sociaal netwerk. Hij zal immers als afvallige worden beschouwd nu hij niet meer praktiseert. Daarnaast heeft het stamhoofd afstand van eiser genomen en loopt hij ook nog eens het risico gerekruteerd te worden door Sjiitische milities. Tot slot handhaaft eiser zijn stelling dat er in Bagdad sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn nu de algemene veiligheidssituatie daar zo slecht is dat hij door zijn loutere aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 2, sub e, van de Definitierichtlijn. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser onder meer naar de brief met 29 bijlagen van Vluchtelingenwerk Nederland van september 2016 alsmede naar diverse krantenberichten waaruit blijkt hoe slecht de situatie in Bagdad is en dat er dagelijks vele slachtoffers vallen. Daarnaast heeft eiser ter zitting nog verwezen naar het meest recente algemeen ambtsbericht inzake Irak van 14 november 2016 en gesteld dat hieruit blijkt dat de veiligheidssituatie in Bagdad is verslechterd sinds de vorige verslagperiode. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat hij via Bagdad airport zal worden uitgezet, dat dit vliegveld zich bevindt binnen de ring Bagdad en dat in die ring sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Verweerder heeft ten aanzien van eisers individuele relaas verwezen naar de eerdere afwijzende besluiten, waarin is geoordeeld dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is en dat geen sprake is van nova. Ook aan de huidige aanvraag heeft eiser volgens verweerder geen rechtens relevante nova ten grondslag gelegd en daarom heeft eiser nog altijd niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Bagdad een reëel risico loopt op vervolging dan wel schending van artikel 3 van het EVRM.

5.2.

Bij uitspraak van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld dat de bestuursrechter in vreemdelingenzaken het zogenoemde ne bis-beoordelingskader in asielzaken met onmiddellijke ingang niet langer zal toepassen en voortaan elk besluit op een opvolgende asielaanvraag – waarbij die aanvraag niet wordt ingewilligd – overeenkomstig artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. Deze toetsing omvat, zoals bij alle besluiten, de motivering van het besluit en de manier waarop het tot stand is gekomen. Uit deze uitspraak volgt verder dat de bestuursrechter moet toetsen of verweerder in het licht van zijn beleid de aanvraag niet ten onrechte heeft afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.

5.3.

De rechtbank stelt voorop dat eisers betoog dat verweerder, gelet op voornoemde Afdelingsuitspraak van 22 juni 2016, gehouden is zijn asielrelaas opnieuw inhoudelijk te beoordelen, berust op een onjuiste lezing hiervan. Deze uitspraak ziet immers niet op de bevoegdheid van verweerder om artikel 4:6 van de Awb toe te passen bij een herhaalde aanvraag maar op de rechterlijke toets die plaatsvindt bij een dergelijk besluit. De rechtbank dient in dit geval dus te toetsen of verweerder de aanvraag terecht en deugdelijk gemotiveerd heeft afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb.

5.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit gedaan. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder zich met betrekking tot de door eiser overgelegde documenten primair terecht op het standpunt heeft gesteld dat de overgelegde documenten reeds niet als nova kunnen worden bestempeld nu eiser tijdens de behandeling van het beroep gericht tegen de eerste beschikking op onderhavige aanvraag te kennen heeft gegeven het punt waar deze stukken op zien te laten vallen. De stelling dat de feiten in de uitspraak verkeerd staan vermeld, treft zonder enige vorm van onderbouwing geen doel. Nu eiser geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 18 augustus 2014, staat dit in rechte vast. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft overwogen dat het blijkens bestendige Afdelingsjurisprudentie aan de vreemdeling is om bij een herhaalde asielaanvraag de authenticiteit van ingebrachte documenten aan te tonen. Hierin is eiser niet geslaagd. Dat verweerder eiser geweigerd zou hebben de overgelegde stukken terug te geven is niet onderbouwd en leidt ook overigens, gezien het primaire standpunt van verweerder, niet tot een ander oordeel.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat in Bagdad-stad geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000. Uit hetgeen eiser heeft overgelegd blijkt weliswaar dat Bagdad zwaar getroffen wordt qua aantallen burgerdoden. Echter, gelet op de inhoud van het ambtsbericht van oktober 2015, de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 5 oktober 2015 (AA/06175/2009), alsmede de uitspraken van diverse meervoudige kamers van deze rechtbank (Den Haag, 31 maart 2016 - ECLI:NL:RBDHA:2016:3401 en zittingsplaats Arnhem, 16 juni 2016 - ECLI:NL:RBDHA:2016:6884), heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat er in Bagdad-stad geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Met de door eiser overgelegde stukken, die bovendien voor een groot deel zien op de provincie Bagdad en slechts voor een klein deel op Bagdad-stad, en de verwijzing naar recente aanslagen in Bagdad heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de situatie thans wezenlijk anders is. Ook uit het meest recente algemeen ambtsbericht blijkt niet van een zodanig verslechterde veiligheidssituatie dat thans wel van een situatie moet worden uitgegaan als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De stelling dat eiser reeds een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM omdat hij via de luchthaven van Bagdad moet terugkeren terwijl deze in onveilig gebied ligt en eiser via twee gevaarlijke wijken van Bagdad naar zijn eigen wijk moet reizen, treft zonder enige nadere onderbouwing ten aanzien van de veiligheidssituatie in die gebieden evenmin doel.

8. De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat het feit dat eiser een niet praktiserend sjiitisch moslim zonder sociaal netwerk zou zijn, niet reeds met zich brengt dat hij bij terugkeer een reëel risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) loopt. Anders dan eiser ter zitting heeft gesteld, heeft verweerder wel degelijk in het bestreden besluit gemotiveerd waarom eiser niet om deze reden in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Immers, niet is aangetoond dat eiser als niet praktiserend sjiitisch moslim behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep dan wel tot een groep die systematisch wordt blootgesteld aan ernstige schade als bedoeld in de Definitierichtlijn waardoor eiser met geringe indicaties kan volstaan. Eiser dient dan ook op individuele gronden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade, hetgeen eiser, zoals hiervoor is overwogen, niet heeft gedaan.

9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (nadere informatie www.raadvanstate.nl)