Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:17121

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2016
Datum publicatie
18-09-2017
Zaaknummer
AWB 16/5128
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft in het besluit op bezwaar alsnog het verblijfsrecht van eiseres als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 maart 2011, C-3-34/09, Zambrano (ECLI:EU:C:2011:124) erkend. Verweerder heeft het verzoek van eiseres tot vergoeding van de aan de behandeling van het bezwaar verbonden kosten ten onrechte afgewezen, omdat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het primaire besluit niet is herroepen wegens een aan hem te wijten onrechtmatigheid.

Er is geen grond voor het oordeel dat de door eiseres bij haar aanvraag overgelegde onderzoeksrapportage van het Explora Instituut, ter onderbouwing van haar stelling dat de vader van haar kinderen pedagogisch onmachtig is, niet objectief of verifieerbaar is. De methode van onderzoek is immers door de onderzoeker, van wie de deskundigheid door verweerder niet is betwist, verantwoord en de rapportage is gebaseerd op meer dan enkel door de gemachtigde van eiseres verstrekte informatie en een gesprek met de vader van de kinderen. Bovendien heeft eiseres terecht erop gewezen dat de Raad voor de Kinderbescherming in zijn rapportage, waarmee eiseres volgens verweerder in bezwaar alsnog de onmacht van de vader heeft aangetoond, dezelfde conclusies trekt als het Explora Instituut in zijn rapportage heeft gedaan. Uit het rapport van de Raad is geen nieuwe of andere informatie gebleken, die niet reeds bleek uit de rapportage van het Explora Instituut. Evenmin is gebleken van een wezenlijk andere onderzoeksmethodiek. Eiseres voert derhalve terecht aan dat zij ten tijde van het primaire besluit met het overleggen van de rapportage van het Explora Instituut reeds had aangetoond dat sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest Zambrano, op grond waarvan zij een verblijfsrecht ontleent aan het unierecht. Verweerder heeft daarom bij het primaire besluit de aanvraag van eiseres tot afgifte van een document, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw, ten onrechte afgewezen. De rechtbank is aldus van oordeel dat het primaire besluit is herroepen wegens een aan verweerder toe te rekenen onrechtmatigheid.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/5128

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 juli 2016 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] , van Surinaamse nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. P.B. Weenink, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.E.J. ten Berg, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 19 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, de aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw alsnog ingewilligd en het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 8 juni 2016 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Verweerder heeft bij het bestreden besluit bepaald dat het door eiseres gevraagde document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw wordt afgegeven voor de duur van vijf jaar en dat de geldigheidsduur van het document aanvangt met ingang van de datum van het besluit. Verweerder acht op basis van het door eiseres in bezwaar overgelegde rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 1 februari 2016 aannemelijk dat sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 maart 2011, C-3-34/09, Zambrano (ECLI:EU:C:2011:124), omdat de vader, van Nederlandse nationaliteit, feitelijk niet in staat is voor de kinderen van eiseres, van Nederlandse nationaliteit, te zorgen.
    Het verzoek tot vergoeding van de aan de behandeling van het bezwaar verbonden kosten heeft verweerder afgewezen, omdat het primaire besluit niet is herroepen wegens een aan hem te wijten onrechtmatigheid.

  2. De rechtbank merkt de beslissing van verweerder tot afwijzing van het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar aan als een, naast de beslissing tot afgifte van het door eiseres gevraagde document, zelfstandig besluitonderdeel waartegen eiseres in beroep afzonderlijk kan opkomen. Eiseres komt in beroep op tegen zowel het besluitonderdeel tot afgifte van het document, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw, voor zover daarin geen ingangsdatum is vastgesteld van haar aan het unierecht ontleende verblijfsrecht, als tegen het besluitonderdeel tot afwijzing van haar verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar.

  3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen belang heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen het besluitonderdeel tot afgifte van het document, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw, gericht op de vaststelling van de ingangsdatum van haar verblijfsrecht, nu uit het door haar ter zitting overgelegde besluit van de Sociale Verzekeringsbank van 11 april 2016 blijkt dat aan haar (alsnog) met ingang van het tweede kwartaal van 2014 een recht op kinderbijslag is toegekend op basis van het door verweerder erkende verblijfsrecht.

3.1

Eiseres stelt dat zij belang behoudt bij vaststelling van de ingangsdatum van haar verblijfsrecht, met het oog op de vaststelling van (de ingangsdatum van) haar recht op een bijstandsuitkering en op toeslagen op grond van de Toeslagenwet.

3.2

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in haar uitspraak van 21 februari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP5947), kan in de gevallen waarin het voor het vaststellen van andere rechten en plichten van een vreemdeling van belang is of hij voorafgaande aan de afgifte van een document, dat strekt tot bewijs van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan, over rechtmatig verblijf beschikte, dat rechtmatig verblijf in het kader van de vaststelling van die andere rechten en plichten worden bepaald. Aan haar aanspraak op een bijstandsuitkering of toeslagen kan eiseres daarom geen belang ontlenen bij een beoordeling van het onderhavige beroep, voor zover dat is gericht op het verkrijgen van een vaststelling wanneer haar verblijfsrecht is ontstaan. Nu zij geen ander belang heeft gesteld, is het beroep, gericht tegen het besluit tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw, niet-ontvankelijk.

4. Eiseres heeft, zoals tussen partijen ook niet in geschil is, wel een belang bij een beoordeling van haar beroep gericht tegen het besluitonderdeel tot afwijzing van haar verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar.

5. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte haar verzoek om vergoeding van de proceskosten van het bezwaar heeft afgewezen. Het door eiseres in bezwaar overgelegde rapport van de Raad voor de Kinderbescherming neemt volledig de conclusie over van het door eiseres reeds bij haar aanvraag overgelegde rapport het Explora Instituut , Praktijk voor Psychologie en Orthopedagogiek en Onderwijsbegeleiding, van 26 februari 2015. Het Explora Instituut heeft de vader van de kinderen van eiseres beoordeeld als pedagogisch onmachtig en feitelijk niet in staat, al dan niet met behulp van derden, om de zorg voor de kinderen te kunnen dragen. In bezwaar heeft eiseres aangevoerd, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1349), dat ook een brief van een hulpverlener kan bijdragen aan het bewijs dat de zorg voor het kind niet aan de vader kan worden toevertrouwd. Daarom zijn zowel het primaire besluit als het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd.

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het primaire besluit niet is herroepen wegens een aan hem te wijten onrechtmatigheid. In het primaire besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat aan de rapportage van het Explora Instituut niet zonder meer de waarde kan worden gehecht die eiseres daaraan gehecht wil zien. Er zijn geen objectieve stukken ter ondersteuning van de rapportage overgelegd. Er is informatie gebruikt, onder meer verstrekt door de gemachtigde van eiseres. Er is onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke informatie dit betreft, en in hoeverre dit informatie uit objectieve bron betreft. Uit de rapportage blijkt verder dat met de vader enkel een gesprek is gevoerd. Elke onderbouwing met objectieve en verifieerbare stukken van hetgeen door de vader wordt gesteld, bijvoorbeeld over zijn gezondheidssituatie en het ontbreken van mogelijkheden om voor de kinderen te zorgen, ontbreekt. Er zijn in ieder geval geen objectieve stukken overgelegd die dit perspectief van de vader belichten. Ook zijn geen verklaringen of rapportages van instanties als Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming overgelegd. Eerst met het in bezwaar overgelegde rapport van de Raad van 1 februari 2016 is voldoende aannemelijk gemaakt dat de vader feitelijk niet in staat is voor de kinderen te zorgen.

5.2

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

5.3

Vast staat dat verweerder met het bestreden besluit het primaire besluit heeft herroepen. In geschil is of verweerder het primaire besluit heeft herroepen wegens een aan hem te wijten onrechtmatigheid.

5.4

Volgens het beleid van verweerder, neergelegd in paragraaf B10/2.4 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), geldt binnen het EU-recht, tenzij anders is bepaald in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), Voorschrift Vreemdelingen (VV) of Vc, de vrije bewijsleer. Vrije bewijsleer wil zeggen dat verweerder de bewijsmiddelen niet beperkt.
Het bestaan van een situatie als bedoeld in het arrest Zambrano kan daarom, bij gebreke aan een bepaling waaruit dat blijkt, niet uitsluitend worden aangetoond met een verklaring of rapportage van Bureau Jeugdzorg of de Raad voor de Kinderbescherming.

5.5

In de door eiseres bij haar aanvraag overgelegde rapportage van het Explora Instituut , opgesteld door drs. [naam] , GZ-psycholoog, registerpsycholoog NIP, kinder- en jeugdpsycholoog NIP en orthopedagoog generalist NVO, wordt onder meer geconcludeerd dat de vader van de kinderen van eiseres pedagogisch onmachtig is, dat wil zeggen niet in staat is, nu en op termijn voor de kinderen te zorgen. Bij gedwongen vertrek van moeder uit Nederland zal een voor de kinderen zeer bedreigende situatie ontstaan, met een hoge mate van onzekerheid en instabiliteit, waarbij op voorhand kan worden aangenomen dat dit op geen enkele manier in het belang van de kinderen zal zijn.
Uit de in de rapportage opgenomen verantwoording van de methode van onderzoek blijkt onder meer dat de onderzoeker bij eiseres een gestructureerd diagnostisch interview heeft afgenomen. Aan de hand van dit interview is door de onderzoeker de BIC-Q ingevuld: de vragenlijst ‘Belang van het Kind in het Vreemdelingenrecht en voorwaarden voor ontwikkeling’. Voorts heeft de onderzoeker gesprekken gevoerd met de kinderen en heeft zij een orthopedagogisch onderzoeksgesprek gevoerd met de vader van de kinderen. Voorts is informatie ontvangen, zowel schriftelijk als mondeling, verstrekt door eiseres, de gemachtigde van eiseres, en van hulpverlenende instellingen die betrokken zijn bij het gezin, de school en de kinderopvang.

5.6

Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel, zoals verweerder betoogt, dat de door eiseres overgelegde onderzoeksrapportage niet objectief of verifieerbaar is. De methode van onderzoek is immers door de onderzoeker, van wie de deskundigheid door verweerder niet is betwist, verantwoord en de rapportage is gebaseerd op meer dan enkel door de gemachtigde van eiseres verstrekte informatie en een gesprek met de vader van de kinderen.
Bovendien heeft eiseres terecht erop gewezen dat de Raad voor de Kinderbescherming in zijn rapportage, waarmee eiseres volgens verweerder de onmacht van de vader als bedoeld in het arrest Zambrano heeft aangetoond, dezelfde conclusies trekt als het Explora Instituut in zijn rapportage heeft gedaan. Blijkens de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming zijn de conclusies van de Raad voor een groot deel mede gebaseerd op de onderzoeksrapportage van het Explora Instituut , en is drs. [naam] , onderzoekster van het Explora Instituut , door de Raad als informant gehoord. Daarnaast heeft de Raad, net als het Explora Instituut , gesprekken gevoerd met eiseres, haar kinderen, de school en de vader. Uit het rapport van de Raad is derhalve geen nieuwe of andere informatie gebleken, die niet reeds bleek uit de rapportage van het Explora Instituut . Evenmin is gebleken van een wezenlijk andere onderzoeksmethodiek.
Eiseres voert derhalve terecht aan dat zij ten tijde van het primaire besluit met het overleggen van de rapportage van het Explora Instituut reeds had aangetoond dat sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest Zambrano, op grond waarvan zij een verblijfsrecht ontleent aan het unierecht. Verweerder heeft daarom bij het primaire besluit de aanvraag van eiseres tot afgifte van een document, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw, ten onrechte afgewezen.

5.7

Uit het voorgaande volgt dat het primaire besluit in strijd is met artikel 9, eerste lid, Vw en artikel 3:46 Awb. De rechtbank is aldus van oordeel dat het primaire besluit is herroepen wegens een aan verweerder toe te rekenen onrechtmatigheid. Verweerder heeft gelet daarop ten onrechte de proceskosten in bezwaar niet aan eiseres vergoed op grond van artikel 7:15, tweede lid, Awb, zodat dat onderdeel van het bestreden besluit geen stand kan houden.

5.8

De beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van het verzoek tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, is gegrond.

7. De rechtbank zal het bestreden besluit, voor zover daarbij het verzoek tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar is afgewezen, vernietigen wegens strijd met de artikelen 7:12, eerste lid, en 7:15, tweede lid, Awb. Met toepassing van artikel 8:72, tweede lid, aanhef en onder b, Awb zal de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten in bezwaar dient te vergoeden en dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) € 496,- (1 punt voor het bezwaarschrift, wegingsfactor 1).

8. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb verweerder opdragen het betaalde griffierecht te vergoeden.

9. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten zijn op grond van het Bpb € 992,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep, gericht tegen het besluit tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw, niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep, gericht tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij het verzoek tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar is afgewezen;

  • -

    bepaalt dat verweerder de proceskosten in bezwaar aan eiseres dient te vergoeden, stelt deze kosten vast op een bedrag van € 496,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op € 168,- aan eiseres te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep en draagt verweerder op € 992,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Peeters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2016.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.