Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1702

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
22-02-2016
Zaaknummer
VK-15_13320
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Somalië, 3 EVRM, intrekking, hoofdverblijf, R.H. tegen Zweden, gegrond, Ashraf, Mogadishu.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/13220

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 11 februari 2016 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde mr. A.K.J. Plaisier,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. J.E.P. Pijnenburg.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 juli 2015 (het bestreden besluit) waarbij de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum. Tevens is de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 september 2010, de datum waarop de verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland heeft plaatsgevonden.

Bij brief van 11 augustus 2015 heeft de rechtbank verweerder verzocht om te reageren op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 juli 2015, kenmerk 201500573/1/V2.

Bij brief van 19 augustus 2015 heeft verweerder verzocht om de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van een nieuw ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Somalië.

Vervolgens heeft verweerder bij brief van 15 oktober 2015 meegedeeld dat niet langer behoeft te worden gewacht op het verschijnen van het nieuwe ambtsbericht.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 14 januari 2016. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A. Yahya, tolk in de Somalische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Somalische nationaliteit te bezitten. Bij besluit van 7 juli 2009 is aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, met ingang van 6 november 2008, geldig tot 6 november 2013. Vervolgens is aan eiser bij besluit van 21 maart 2014 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend, met ingang van 6 november 2013.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de verleende vergunningen ingetrokken

omdat eiser zijn hoofdverblijf heeft verplaatst. Uit eisers vreemdelingenpaspoort blijkt dat

eiser van 1 september 2010 tot 8 december 2011 in Jemen heeft gewoond en derhalve meer

dan zes maanden buiten Nederland heeft verbleven. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat

de overschrijding van de termijn te wijten is aan omstandigheden die buiten zijn schuld zijn

gelegen. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico

loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het Europees Verdrag tot

bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

In het verweerschrift van 22 december 2015 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld

dat leden van de Ashraf niet als kwetsbare minderheidsgroep zijn aangewezen. Eiser heeft

zijn stelling dat de positie van Ashraf anders zou kunnen zijn dan in de ambtsberichten is

vermeld, niet onderbouwd. Ook eisers stelling dat hij bij terugkeer naar Mogadishu zal

worden aangemerkt als een spion leidt niet tot een schending van artikel 3 van het EVRM.

Verweerder heeft zich daartoe beroepen op een arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake R.H. tegen Zweden (nr. 4601/14) van 10 september 2015, waaruit blijkt dat Mogadishu niet meer onder controle staat van Al-Shabaab.

3. Eiser heeft in beroep het volgende aangevoerd. Hij is in september 2010 naar Jemen vertrokken om de verblijfplaats van zijn vrouw en kinderen te achterhalen. De opsporing van zijn gezin heeft veel tijd gekost omdat de situatie in Jemen verslechterde. Na hereniging met zijn gezin heeft eiser alles in het werk gesteld om zijn gezin in veiligheid te brengen. Eiser is in december 2011 onder achterlating van zijn gezin naar Nederland teruggekeerd. De politieke situatie in Jemen heeft ertoe geleid dat eiser langer dan gewenst in Jemen moest blijven waardoor zijn visum is verlopen en hij slechts met veel geluk de mogelijkheid heeft gevonden om in december 2011 naar Nederland terug te keren. Eiser heeft nimmer de bedoeling gehad om Nederland definitief te verlaten. Eiser was echter onvoldoende op de hoogte van zijn verplichtingen als huurder en was onbekend met de bepalingen van de vreemdelingenwetgeving.

Een gedwongen terugkeer naar Somalië levert een schending op van artikel 3 van het EVRM omdat eiser behoort de Ashraf, een minderheidsgroepering die geen bescherming kan krijgen van andere clans bij wie zij wonen.

Volgens eiser dient verweerder te onderzoeken hoe de huidige positie van de Ashraf in Mogadishu is nu het ambtsbericht van november 2012 zeer oud is. Volgens eiser worden terugkeerders herkend en vervolgens beschuldigd van spionage. Eiser beroept zich in dit kader op de informatie van Vluchtelingenwerk Nederland van januari 2015 getiteld ‘Veelgestelde vragen Somalië – Terugkeer uit het westen en beschuldiging van spionage’.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. De verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan ingevolge artikel 35, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw worden ingetrokken indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd.

De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 van de Vw kan ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw worden ingetrokken indien

de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd.

Het beleid van verweerder is neergelegd in hoofdstuk B1/6.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

5. Niet in geschil is dat eiser in de periode van 1 september 2010 tot en met 8 december 2011 in Jemen heeft verbleven en dat verweerder bevoegd was om de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in trekken.

6. De vraag dient te worden beantwoord of er sprake is van omstandigheden die buiten de schuld van eiser ertoe hebben geleid dat hij zijn hoofdverblijf heeft moeten verplaatsen. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hiervan geen sprake is. Uit de verklaringen van eiser tijdens het intrekkingsgehoor van 27 maart 2015 blijkt dat eiser een weloverwogen besluit heeft genomen om te vertrekken naar Jemen. Zo heeft hij zijn spullen opgeslagen dan wel verkocht en heeft hij ervoor gezorgd dat zijn belangen werden behartigd door een zaakwaarnemer. Dat eiser niet tijdig is teruggekeerd dient voor zijn rekening en risico te komen. Niet is gebleken dat eiser vanuit Jemen (via zijn zaakwaarnemer) contact met instanties in Nederland heeft gelegd teneinde deze van zijn problemen bij terugkeer op de hoogte te stellen.

7. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd terecht is ingetrokken wegens verplaatsing van hoofdverblijf. Het daartegen gerichte beroep van eiser is dan ook ongegrond.

8. Het voorgaande leidt tevens tot de conclusie dat verweerder in beginsel bevoegd was tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd per 1 september 2010. Vervolgens dient in het kader van deze verblijfsvergunning asiel wel te worden beoordeeld of bij terugkeer van eiser naar Somalië schending van artikel 3 van het EVRM dreigt.

9. Uit het rapport van intrekkingsgehoor van 27 maart 2015 blijkt dat eiser heeft verklaard dat zijn familie niet meer in Somalië woont. Bij terugkeer in Mogadishu heeft hij als lid van de minderheidsgroep Ashraf te vrezen voor beroving of andere nadelige zaken. Hij zal een makkelijker doelwit zijn omdat er geen clan is die hem zal beschermen. Ook vreest hij als een spion van westerse regeringen te worden beschouwd.

10. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Somalië van november 2012, op het standpunt gesteld dat de Ashraf vanwege hun speciale religieuze status worden gerespecteerd. Verder heeft verweerder overwogen dat bronnen elkaar tegenspreken ten aanzien van de kwestie of deze clan in het algemeen wel of geen bescherming kan krijgen

van de clans bij wie zij wonen. Met andere woorden het is onduidelijk. Gelet op de bewijslastverdeling zal eiser aannemelijk moeten maken dat hij vanwege het behoren tot de Ashraf een artikel 3 EVRM risico loopt, aldus verweerder. Verweerder heeft zich tot slot nog beroepen op het arrest van het EHRM inzake R.H. tegen Zweden van 10 september 2015.

11. De rechtbank overweegt dat in voornoemd arrest wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een algemene situatie van geweld in Mogadishu (rechtsoverweging 68) en dat Al-Shabaab verdwenen is uit Mogadishu (rechtsoverweging 67). Er is geen indicatie dat de situatie in Mogadishu van dien aard is dat iedereen aanwezig in de stad moet vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Het arrest heeft echter geen betrekking op de positie van eiser als Ashraf en zijn andere persoonlijke omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat hij al jaren weg is uit Somalië en daar geen huis heeft of familieleden op wie hij kan terugvallen. Zoals eiser in zijn beroepsgronden terecht heeft opgemerkt, is het ambtsbericht van 2012 waar naar verweerder in dit kader in het bestreden besluit heeft verwezen geen deugdelijke onderbouwing, nu het niet actueel is en geen uitsluitsel biedt over de bescherming van de Ashraf van andere clans.

12. Verder overweegt de rechtbank dat het EHRM in het arrest R.H. tegen Zweden in rechtsoverweging 67 verwijst naar een uitspraak van het United Kingdom Upper Tribunal in de zaak MOJ & Ors van 3 oktober 2014 en de daarin gemaakte beoordeling. In rechtsoverweging 407 van deze laatste uitspraak staan onder h. acht factoren opgesomd die in elk geval bij een zorgvuldige beoordeling moeten worden betrokken. Het betreft de volgende factoren:

h. If it is accepted that a person facing a return to Mogadishu after a period of absence has no nuclear family or close relatives in the city to assist him in re-establishing himself on return, there will need to be a careful assessment of all of the circumstances. These considerations will include, but are not limited to:

(i) circumstances in Mogadishu before departure;

(ii) length of absence from Mogadishu;

(iii) family or clan associations to call upon in Mogadishu;

(iv) access to financial resources;

(v) prospects of securing a livelihood, whether that be employment or self employment;

(vi) availability of remittances from abroad;

(vii) means of support during the time spent in the United Kingdom;

(viii) why his ability to fund the journey to the West no longer enables an appellant to secure financial support on return.

13. De rechtbank is van oordeel dat voormelde aandachtspunten voor de beoordeling van hervestiging in Mogadishu ook in de zaak van eiser relevant zijn. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft nagelaten een dergelijke beoordeling te maken die in dit geval noodzakelijk is bij de intrekking van eisers verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het betreft immers een voor eiser belastend besluit.

14. De rechtbank is van oordeel dat het beroep, voor zover dat is gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, gegrond is en dat het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, dient te worden vernietigd wegens strijd met de motiveringsplicht van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

15. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 980,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,-- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 980,-- (negenhonderdtachtig euro) te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.