Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16999

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-11-2016
Datum publicatie
14-04-2017
Zaaknummer
AWB 16/24806 en 16/24807
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Beroep gegrond. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd voor wat betreft de conclusie dat de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser niet geloofwaardig wordt geacht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/24806 (beroep)

AWB 16/24807 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 25 november 2016 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Congolese nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. S.S.M. van Beek, advocaat te Rotterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser was woonachtig in [plaats] en beheerde daar een kledingwinkel voor zijn neef. Eiser weet dat hij homoseksueel is vanaf zijn 20ste jaar (1999) en heeft sinds 2014 een relatie met [naam 1] . In januari 2016 werden vreemde belastingaanslagen opgelegd die zo hoog waren dat de winkel moest sluiten. Ook werd eiser daarna vijf keer gearresteerd en mishandeld. Tijdens de laatste detentie is hij ook seksueel misbruikt. Hem werd gezegd dat hij moest stoppen met zijn relatie met de vrouw van de gouverneur. [naam 1] bleek ook een relatie te hebben met [naam 2] , de gouverneur van [plaats] . Eiser meent dat [naam 2] hem wilde pesten uit jaloezie, vanwege zijn relatie met [naam 1] . Na de vijfde arrestatie en vrijlating door omkoping is eiser ondergedoken bij zijn zus vanaf begin juli tot zijn vertrek in augustus 2016.

  2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e, Vw en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het asielrelaas bevat de volgende relevante elementen:

  • -

    identiteit, nationaliteit, herkomst

  • -

    homoseksualiteit

  • -

    problemen als gevolg van homoseksualiteit en relatie met [naam 1] .

Verweerder heeft het eerste element geloofwaardig geacht en de overige elementen ongeloofwaardig. Voorts is niet gebleken dat eiser op grond van een van de gronden als genoemd in het Vluchtelingenverdrag te vrezen heeft voor vervolging. Verder blijkt niet dat eiser bij terugkeer naar zijn land te vrezen heeft voor negatieve aandacht zijdens de autoriteiten. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft de Minister misleid over zijn identiteit en nationaliteit door Nederland in te willen reizen met een gestolen Belgische identiteitskaart en zich voor te willen doen als iemand anders. De verklaringen van eiser over zijn gestelde homoseksuele geaardheid en de problemen die hij daardoor zou hebben ondervonden zijn aan te merken als kennelijk inconsequent en duidelijk onwaarschijnlijk. Als gevolg daarvan is alle overtuigingskracht van zijn verklaringen ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 28 Vw.

3. Eiser voert aan dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser stelt, kort gezegd, dat zijn seksuele geaardheid en de problemen als gevolg van zijn relatie met [naam 1] voldoende aannemelijk zijn gemaakt en ten onrechte als ongeloofwaardig zijn aangemerkt.

3.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers homoseksualiteit niet geloofwaardig wordt geacht, gelet op het feit dat de verklaringen van eiser omtrent zijn bewustwordingsproces vaag en summier, ontwijkend en daardoor onwaarschijnlijk zijn en eiser tegenstrijdige, dan wel wisselende verklaringen heeft afgelegd over zijn relatie met [naam 1] . Reeds daarom worden ook de gestelde problemen niet geloofwaardig geacht. Afgezien daarvan, heeft eiser zijn relaas niet onderbouwd met documenten en heeft hij kennelijk tegenstrijdig, wisselend en vaag verklaard over de gestelde problemen, de detenties, de belastingheffingen, de mishandelingen en zijn verblijf bij zijn zus. Eiser heeft ook geen enkel verband weten te leggen tussen de gestelde problemen en de oorzaak, de relatie met [naam 1] .

3.2.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen enkel document heeft overgelegd dat zijn relaas kan bevestigen, zoals de vreemde belastingaanslagen. Voorts kan verweerder worden gevolgd ten aanzien van zijn standpunt over de relatie van eiser met [naam 1] . Als men twee jaar een relatie heeft en elkaar regelmatig heeft gezien, privé en tijdens het werk, mag toch verwacht worden dat diegene details kan geven over het leven van zijn of haar partner zoals een achternaam dan wel geboortedatum of -jaar. De enkele stelling dat eiser zijn relatie geheim hield, maakt dit niet anders. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat in tegenstelling tot hetgeen eiser gesteld heeft, eiser niet concreet heeft verklaard over de start van zijn relatie met [naam 1] , dan wel over de relatie tussen [naam 1] en [naam 2] . Ook volgt de rechtbank verweerder in het standpunt dat niet in redelijkheid valt in te zien dat een machthebber via belastingaanslagen op een winkel waar eiser werkt, wil bewerkstelligen dat eiser zijn relatie met [naam 1] beëindigt. De beroepsgronden gericht tegen dit (derde) element slagen dan ook niet.

4. Hoewel eiser te kennen heeft gegeven, dat de reden dat hij vreest voor vervolging of een risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met name draait om de problemen als gevolg van zijn homoseksualiteit in combinatie met zijn relatie met [naam 1] , leest de rechtbank de beroepsgronden in relatie tot de zienswijze (met name pagina 15) zo, dat eiser ook bestrijdt dat hij te vrezen heeft vanwege zijn homoseksualiteit als zodanig. Verweerder heeft weliswaar aan de ongeloofwaardigheid van de homoseksualiteit mede ten grondslag gelegd de ongeloofwaardigheid van eisers relatie met [naam 1] , echter de rechtbank acht dit enkele gegeven onvoldoende om eisers homoseksualiteit ongeloofwaardig te achten. De rechtbank zal dus dienen te beoordelen of verweerder de ongeloofwaardigheid van de homoseksuele gerichtheid overigens afdoende heeft gemotiveerd.

5. In het kader van het bewustwordingsproces heeft verweerder overwogen dat eiser vaag en summier en niet concreet heeft verklaard over zijn proces van bewustwording. Er lijkt geen sprake te zijn geweest van enige moeite, worsteling of innerlijke strijd met zijn sociale omgeving of met de cultuur. Eiser kan niet verklaren over basale zaken als gevoelens voor mannen, over zelfacceptatie, of over het ontdekken van zijn homoseksualiteit. Dit wordt eiser tegengeworpen en doet af aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen.

5.1.1.

Zo heeft eiser niet duidelijk kunnen verklaren of en op welke wijze de verkrachting door zijn neef op jonge leeftijd zijn seksuele geaardheid heeft bepaald. Dat eiser later in zijn tienerjaren dingen heeft gezien in bepaalde kringen en die heeft gelinkt met wat zijn neef bij hem heeft gedaan, blijft vaag en overtuigt niet. Dat eiser nu stelt dat hij met zijn misbruik enkel wilde aangeven dat het zijn eerst seksuele ervaring was met een man wordt door verweerder evenmin gevolgd. Eiser had dit eerder kunnen aangeven in het nader gehoor.

5.1.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, zoals eiser in zijn beroepsgronden stelt, hiermee onvoldoende rekening gehouden met eisers antwoord als vermeld op pagina 14 van het nader gehoor. Eiser heeft hier geantwoord op de vraag:

“U heeft verklaard dat de verkrachting door uw neef bepalend is geweest voor uw geaardheid. Kunt u dat uitleggen? Hoe heeft die verkrachting ervoor gezorgd dat u homoseksueel bent geworden?”

Tussen mijn 12de en 18de verkeerde ik in een periode van onzekerheid. Ik had geen seksuele oriëntatie en geen voorkeur. Pas toen ik met een paar vrienden in bepaalde kringen verkeerde en dat daar zag, heb ik dat gelinkt aan wat mijn neef met mij gedaan heeft en die andere vrouw met mij heeft gedaan. Ik ging tegen mijzelf zeggen: dus het bestaat allemaal. Mensen doen dat dus.”

In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor heeft eiser dit antwoord toegelicht. Hij heeft gesteld dat dit zijn eerste seksuele ervaring was, dat hij zich realiseert dat homoseksualiteit geen keuze is maar is bepaald als je geboren wordt, dat deze negatieve ervaring gesprekstof was tussen hem en andere homoseksuele mannen, maar dat dit niet iets was wat zijn geaardheid heeft bepaald. Door de omgang met deze mannen is eiser zich uiteindelijk bewust geworden van zijn eigen geaardheid. De rechtbank acht de antwoorden van eiser gelet op het voorgaande niet vaag, summier of niet concreet althans acht het standpunt van verweerder dienaangaande onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank acht verder de interpretatie van verweerder van eisers antwoord op de vraag:

“Bedoelt u dat u uw geaardheid heeft uitgekozen?”

“Als je met iets bezig bent, op een gegeven moment moet je dat accepteren. Dat is een keuze.” onjuist. Eiser kan gevolgd worden in zijn uitleg dat het woord “dat” in de laatste zin op de acceptatie slaat en niet op een keuze van zijn geaardheid.

5.2.

Verweerder heeft verder gesteld dat eiser op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd dan wel toegelicht waarom hij met niet al te veel moeite zijn geaardheid heeft kunnen accepteren. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij zich hypocriet heeft opgesteld tegenover zijn familie, maar hij is er niet in geslaagd hier in meer detail over te verklaren. Ook heeft hij niet toegelicht, althans is hij blijven steken in vage en summiere verklaringen, dat hij pieken en dalen heeft meegemaakt tijdens het acceptatieproces van zijn geaardheid. De enkele opmerking dat het goed en normaal is, is niet toereikend. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat het aan eiser is om inzichtelijk te maken hoe zijn proces tot acceptatie van zijn geaardheid is verlopen. Eiser heeft in het nader gehoor geen concrete en aannemelijke verklaringen kunnen afleggen. De in de zienswijze aangehaalde punten werpen geen ander licht op de zaak. Verweerder verwijst naar het voornemen.

5.2.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser in het nader gehoor heeft verklaard dat hij zichzelf zonder al te veel moeite heeft geaccepteerd. Eiser heeft verklaard te hebben geflirt met enkele homoseksuele kleermakers, clubs te hebben bezocht en soms bij iemand te slapen. Voor hem was daarmee duidelijk hoe hij zich heeft herkend in de rol van de man in de homoseksuele omgang, waar andere mannen de vrouw zijn. In de zienswijze heeft eiser uitgelegd op welke wijze hij tot zijn keuze is gekomen om zichzelf te accepteren. Door intensieve contacten met een kring van andere homoseksuele mannen voelde hij zich al snel op zijn gemak en geaccepteerd, waardoor hij zichzelf ook kon accepteren. Ook heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat hij vanaf zijn 20ste ervoor gekozen heeft om te accepteren dat hij homoseksueel was omdat hij dat goed en normaal vond. Eiser heeft in het nader gehoor aangegeven een dubbelleven te leiden, en dat hij zich daarover hypocriet voelde ten opzichte van zijn familie. Voorts heeft eiser in de zienswijze uitgelegd dat hij zelfstandig woonde, oppervlakkig contact onderhield met zijn familie en dat hij niet streng gelovig is. Verweerder heeft zijn standpunt ten aanzien van eisers relatie tot het geloof ter zitting laten vallen. Gelet op de verklaringen van eiser acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat de zelfacceptatie van eiser een geleidelijk proces was. Dat deze worsteling misschien niet zo heftig was doet hieraan niet af. Uit de verklaringen in het nader gehoor blijkt dat eiser zich bewust was van de positie van homoseksuelen in Congo. Zo heeft hij verklaard dat de politie homoseksualiteit ziet als hekserij/magie, dat mannen die er vrouwelijk uit zien het moeilijk hebben op straat. Dat homoseksuelen beledigd worden, er tegen hen wordt geschreeuwd op straat of zand/aarde naar ze wordt gegooid. En dat je als homoseksueel het risico loopt om ‘weggestuurd’ te worden door je familie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiser vage, summiere, ontwijkende en daardoor duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd over het feit dat hij met niet al te veel moeite zijn geaardheid heeft kunnen accepteren.

5.3.

De rechtbank stelt voorts vast, dat verweerder ter zitting enkele tegenwerpingen heeft laten vallen. Hoewel verweerder handhaaft dat eisers verklaringen te algemeen zijn, heeft verweerder ter zitting het standpunt laten vallen dat eiser te weinig weet van de situatie van homoseksuelen in Nederland omdat hij geen namen en locaties van homobars kon noemen. Verder heeft verweerder ter zitting de verklaring van eiser dat hij ervoor kiest om asiel aan te vragen in Nederland, en niet voor een Franstalig land, omdat hij niet wil dat het in Congo en bij zijn familie bekend wordt dat hij homoseksueel is, niet langer onaannemelijk geacht. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder eveneens heeft laten vallen het standpunt ten aanzien van de onwaarschijnlijkheid van homoseksualiteit na een verkrachting, het standpunt dat eiser op 30 juni naar een feest zou zijn geweest en het standpunt dat eiser tegenstrijdig zou hebben verklaard over zijn neef die de reis heeft geregeld.

5.4.

De rechtbank acht voorts het volgende van belang. Zij volgt verweerder in beginsel in het standpunt dat het aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Verweerder dient zich daarbij wel te realiseren dat dit tijdens het nader gehoor tevens gebeurt aan de hand van de vragen van de gehoorambtenaar. Eiser heeft aangevoerd dat hij meende duidelijk te hebben verklaard, zeker indien niet verder werd gevraagd. In dit verband verwijst de rechtbank naar artikel 3.113, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), dat de vreemdeling de mogelijkheid biedt tot uitleg over eventueel ontbrekende elementen, inconsistenties en tegenstrijdigheden ten tijde van het nader gehoor. Daarbij is van belang dat eiser daadwerkelijk op de hoogte diende te worden gebracht van de tekortkomingen dan wel tegenstrijdigheden. Anders wordt niet de reële mogelijkheid geboden om uitleg te geven. Voor zover verweerder uitgebreidere informatie had willen krijgen over ontmoetingsplaatsen van homoseksuelen in Congo, en eisers uitleg over zijn contact met zijn familie te beperkt vond, had het op de weg van verweerder gelegen dit aan te geven. Verweerder heeft onvoldoende kenbaar ervan blijk gegeven dat de verklaringen die door eiser in het nader gehoor zijn gegeven, onvoldoende waren. Eiser was daartoe immers bereid en in staat, zoals blijkt uit de correcties en aanvullingen en zienswijze.

6. Gelet op het vorenstaande, alles overziend en in samenhang bekeken, is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd voor wat betreft de conclusie dat de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser niet geloofwaardig wordt geacht. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen nadere bespreking.

7. Het beroep is daarom gegrond en het besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

8. Verweerder dient te worden veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. Op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor1).

Verzoek om een voorlopige voorziening

9. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

10. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

11. Verweerder dient te worden veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. Op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op € 496,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 992,-.

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, tevens voorzieningenrechter in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2016.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.