Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16892

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
SGR 16/1249
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/1249

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 december 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. K. van Lessen Kloeke en mr. W.A.M. Steenbruggen),

en

de Centrale Commissie Dierproeven (CCD), verweerder

(gemachtigden: mr. P.J. Kooijman, mr. M.J. Heule, G.J.D. van Deurloo).


Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 2 september 2015 (de primaire besluiten) heeft verweerder projectvergunningen verleend voor het verrichten van dierproeven voor de ontwikkeling van [(...)] , voor de periode van 2 september 2015 tot en met 31 juli 2020.

Bij besluit van 8 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres, gericht tegen een aan de projectvergunningen verbonden voorschrift, ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij afzonderlijke besluiten van 21 juni 2016 heeft verweerder de wijzigingsaanvragen van eiseres van 4 mei 2016 toegewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, waarbij de gemachtigde van eiseres in de gelegenheid is gesteld een schriftelijke reactie te geven naar aanleiding van de door verweerder ter zitting overgelegde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 september 2016, UTR 15/6042. Bij brief van 20 oktober 2016 heeft de gemachtigde van eiseres haar reactie ingestuurd. Bij brief van 15 november 2016 heeft verweerder hierop gereageerd. Nadat partijen daarvoor schriftelijk toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft zij het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1.

Verweerder heeft aan eiseres projectvergunningen verleend voor het verrichten van dierproeven voor de ontwikkeling van [(...)] . Voor wat betreft het [(...)] en het [(...)] is hieraan het voorschrift verbonden dat bij het verrichten van deze dierproeven vrouwelijke en mannelijke muizen in een evenredige verhouding worden gebruikt.

1.2.

Bij de wijzigingsbesluiten heeft verweerder het voorschrift, verbonden aan de projectvergunningen, laten vervallen. Voor het overige blijven de verleende projectvergunningen in stand.

2.1.

De vraag of eiseres – gelet op de wijzigingsbesluiten – nog belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit van 8 januari 2016, beantwoordt de rechtbank bevestigend.

2.2.

Eiseres heeft zich bij brief van 19 september 2016 op het standpunt gesteld dat zij belang heeft bij de vaststelling van de onrechtmatigheid van de beslissing op bezwaar van 8 januari 2016, omdat zij schade heeft geleden door de besluitvorming van verweerder.

2.3.

Verweerder heeft in reactie op het voorgaande bij e-mail van 29 september 2016 erkend dat eiseres schade kan hebben geleden als gevolg van de besluitvorming en dat haar daarom procesbelang niet kan worden ontzegd.

2.4.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep, nu zij tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van de besluitvorming van verweerder. De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie onder meer de uitspraak van 11 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV0590), waarin is geoordeeld dat ook belang bestaat bij een beoordeling van het beroep als de betrokkene stelt schade te hebben geleden en hij tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij dergelijke schade daadwerkelijk en als gevolg van het bestreden besluit heeft geleden. De vraag of verweerder bevoegd was het voorschrift te verbinden aan de primaire besluiten is onbeantwoord gebleven en dient naar het oordeel van de rechtbank alsnog te worden beoordeeld.

2.5.

De wijzigingsbesluiten zijn genomen naar aanleiding van de door eiseres ingediende aanvragen van 4 mei 2016. Deze aanvragen hebben betrekking op dezelfde projecten met dezelfde opzet. Nu er sprake is van nieuwe aanvragen is het beroep echter om die reden niet op grond van artikel 6:19 van de Algemene Wet bestuursrecht mede gericht tegen deze besluiten. Bovendien is er met beantwoording van de vraag of een voorschrift verbonden mocht worden aan de vergunningen geen belang bij een beoordeling van de wijzigingsbesluiten.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij bevoegd is om het voorschrift dat voor de proeven vrouwelijke en mannelijke muizen in een evenredige verhouding worden gebruikt te verbinden aan de vergunning. Deze bevoegdheid vloeit voort uit artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn 2010/63/EU (de Richtlijn) van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt, in samenhang met de artikelen 1d, en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Dierproeven (Wod). Uit artikel 10a1, tweede lid, van de Wod volgt dat hij voorschriften aan een vergunning kan verbinden. Van enige beperking aan de te stellen voorschriften blijkt niet. Het opnemen van deze voorschriften betreft een bestendige bestuurspraktijk van verweerder die bovendien voldoende kenbaar is voor aanvragers. Eiseres heeft in de primaire besluitvorming en in de bezwaarfase volgens verweerder nagelaten te onderbouwen dat het onderzoek alleen tot het beoogde resultaat kan leiden indien gebruik wordt gemaakt van muizen van hetzelfde geslacht. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat bij de beoordeling van een projectaanvraag het volledige projectvoorstel wordt beoordeeld en niet alleen de dierproef. Daarbij beschouwt verweerder het onnodig in voorraad doden van dieren als belangrijke onderdeel van de ethische toetsing.

Ter zitting heeft verweerder zich aanvullend op het standpunt gesteld dat artikel 10a1, tweede lid, van de Wod een ongeclausuleerde bevoegdheid geeft om aan een projectvergunning voorschriften te verbinden. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 september 2016, UTR 15/6042.

4. Eiseres voert als meest verstrekkende beroepsgrond aan dat verweerder om verschillende redenen niet bevoegd is om dit voorschrift te stellen. Hoewel op grond van artikel 10a1, tweede lid, van de Wod voorschriften kunnen worden verbonden aan een projectvergunning, volgt uit de Memorie van Toelichting dat het verbinden van voorschriften aan een vergunning is beperkt tot die gevallen waarbij dierproeven nog onvoldoende uitgekristalliseerd zijn. Dat is in het geval van eiseres niet aan de orde.

Eiseres voert verder aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij in de primaire besluitvorming en in de bezwaarfase heeft nagelaten te onderbouwen dat het onderzoek alleen tot het beoogde resultaat kan leiden indien gebruik wordt gemaakt van muizen van hetzelfde geslacht. De wijzigingsaanvragen berusten op dezelfde wetenschappelijke onderbouwing en argumenten als eiseres in bezwaarfase heeft aangevoerd. Daarnaast voert eiseres aan dat in de standaard aanvraagformulieren niet wordt gevraagd naar het geslacht van de gebruikte dieren, noch naar de mogelijkheid om dieren van beide geslachten in evenredige aantallen te gebruiken. Ook heeft verweerder geen aanleiding gezien om te reageren op de nadere toelichting die eiseres heeft gegeven op 18 augustus 2015. Het voorschrift dat aan de vergunningen is verbonden kwam dan ook geheel onverwacht en was vooraf aan eiseres niet kenbaar gemaakt, niet in het beleid noch in het kader van de specifieke aanvragen van eiseres. Voor zover verweerder bevoegd was dit voorschrift op te leggen stelt eiseres zich, gelet op het voorgaande, op het standpunt dat het bestreden besluit onvoldoende is voorbereid en gemotiveerd.

5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

6. De rechtbank overweegt het volgende.

6.1.

Op grond van artikel 10a1, tweede lid, van de Wod kan verweerder voorschriften verbinden aan de projectvergunning. De rechtbank stelt vast dat dit artikel – anders dan verweerder stelt – geen ongeclausuleerde bevoegdheid geeft om aan een projectvergunning voorschriften te verbinden. Dit leidt de rechtbank af uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2012/13, 33692, nr.3). Hierin is op pagina 29 het volgende vermeld:

‘Op grond van het bepaalde in het tweede lid kunnen aan een projectvergunning voorschriften verbonden worden. Hierdoor is het mogelijk dat de CCD bij de beoordeling van een project waarvan dierproeven onderdeel uitmaken, die nog onvoldoende uitgekristalliseerd zijn om ze te kunnen toetsen, toch kan overgaan tot de verlening van de vergunning onder de voorwaarde dat een dergelijke dierproef voordat die wordt verricht, nog aan de CCD ter toetsing wordt voorgelegd. Hierdoor is het mogelijk voor de CCD om een projectvergunning te verlenen voor langlopende projecten waarvan nog niet alle dierproeven voldoende concreet zijn ingevuld’.

Op pagina 15 is verder vermeld:

‘Indien één of meerdere dierproeven die onderdeel zijn van een project niet of onvoldoende gedetailleerd zijn beschreven, kan verweerder een projectvergunning onder voorwaarden verlenen. De voorwaarde kan eruit bestaan dat de aanvrager de dierproef, die nog onvoldoende is beschreven, eerst nog nader moet specificeren en aan verweerder voorleggen alvorens de dierproef kan worden verricht. Verweerder kan dan op basis van aanvullende informatie oordelen of de dierproef al dan niet uitgevoerd mag worden’.

Uit de toelichting volgt dus dat verweerder slechts voorschriften aan de vergunning kan verbinden, indien één of meerdere dierproeven die onderdeel zijn van een project niet of onvoldoende gedetailleerd zijn beschreven. Nu gesteld noch gebleken is dat van zo’n situatie sprake is, was verweerder niet bevoegd om het voorschrift dat bij het verrichten van deze dierproeven vrouwelijke en mannelijke muizen in een evenredige verhouding worden gebruikt aan de vergunning te verbinden.

6.2.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat uit artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn in samenhang met de artikelen 1d, en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wod volgt dat artikel 10a1 anders uitgelegd moet worden. Uit artikel 1d van de Wod waarmee artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn is geïmplementeerd en artikel 10, tweede lid, van de Wod waarmee artikel 13 van de Richtlijn is geïmplementeerd, kan niet de bevoegdheid worden afgeleid om in zijn algemeenheid een voorschrift op te nemen dat van beide geslachten evenveel dieren worden gebruikt. Deze eis zou er immers, zoals door eiseres ook gesteld, toe kunnen leiden dat zelfs meer dieren moeten worden gebruikt voor de proeven. Bovendien zien deze bepalingen niet op de voorschriften die aan de vergunningen kunnen worden verbonden.

6.3.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres in de primaire besluitvorming en in de bezwaarfase heeft nagelaten te onderbouwen dat het onderzoek alleen tot het beoogde resultaat kan leiden, indien gebruik wordt gemaakt van muizen van hetzelfde geslacht. De rechtbank stelt vast dat verweerder naar aanleiding van de ingediende projectaanvragen op 18 augustus 2015 alleen met betrekking tot het [(...)] een toelichting van eiseres heeft gevraagd over de mogelijkheid gebruik te maken van beide geslachten en als dit niet mogelijk is te onderbouwen waarom het belangrijk is alleen dieren van één geslacht te gebruiken. Verweerder heeft daarbij aangegeven er belang aan te hechten het aantal dieren in voorraad gedood te verminderen. Eiseres heeft deze vragen dezelfde dag beantwoord. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen aanleiding heeft gezien om te reageren op de toelichting van eiseres. Evenmin heeft verweerder over de andere projecten vragen gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van verweerder gelegen om nadere vragen te stellen indien hij de projecten van eiseres als onvoldoende uitgekristalliseerd beschouwde. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de standaard aanvraagformulieren niet wordt gevraagd naar het geslacht van de gebruikte dieren en evenmin om aan te geven of het mogelijk is om dieren van beide geslachten in evenredige aantallen te gebruiken, zodat eiseres er niet op bedacht hoefde te zijn dat verweerder dit voorschrift zou verbinden aan de projectvergunningen. Onbetwist is voorts dat de op 21 juni 2016 verleende vergunningen op de wijzigingsaanvragen zonder voorschriften zijn verleend op basis van dezelfde projecten, waarvan de inhoud en de opzet niet gewijzigd is.

7. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder ten onrechte het voorschrift aan de projectvergunningen heeft verbonden. Dit betekent dat het beroep gegrond is.

8. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

9. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, aanleiding zelf in de zaak te voorzien in die zin dat het bestreden besluit wordt vernietigd en de primaire besluiten worden herroepen, voor zover verweerder daarbij het voorschrift aan de projectvergunningen heeft verbonden.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in de bezwaar- en beroepsfase. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.991,50,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1 en € 7,50,- aan verschotten (betreffende een uittreksel Kamer van Koophandel).

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept de primaire besluiten, voor zover verweerder daarbij het voorschrift aan de projectvergunningen heeft verbonden;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.991,50,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, voorzitter, mr. M. Dam en mr. A.G.J. van Ouwerkerk, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 december 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE

De Richtlijn

Artikel 1, eerste lid, van de Richtlijn 2010/63/EU (de Richtlijn) van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt bepaalt dat deze richtlijn maatregelen bevat ter bescherming van dieren die worden gebruikt voor wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden.

Artikel 1, tweede lid, van de Richtlijn bepaalt dat deze richtlijn van toepassing is wanneer dieren worden gebruikt of bestemd zijn om te worden gebruikt in procedures, of wanneer zij specifiek worden gefokt opdat hun organen of weefsels voor wetenschappelijke doeleinden kunnen worden gebruikt.

Artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn bepaalt dat de lidstaten er zorg voor dragen dat het

aantal dieren dat in projecten wordt gebruikt tot het minimum wordt beperkt zonder dat de

doelstellingen van het project in het gedrang komen.

Artikel 13, eerste lid, van de Richtlijn bepaalt dat, onverminderd een bij de nationale wetgeving ingesteld verbod op bepaalde soorten methoden, de lidstaten er zorg voor dragen dat geen procedure wordt uitgevoerd indien het nagestreefde resultaat kan worden verkregen met behulp van een andere methode of beproevingsstrategie waarbij geen levende dieren worden gebruikt en die in de wetgeving van de Unie is erkend.

Artikel 13, tweede lid, van de Richtlijn bepaalt dat in geval van verschillende mogelijkheden de procedures worden geselecteerd die aan het grootste aantal van de volgende voorwaarden voldoen:

er wordt een zo gering mogelijk aantal dieren gebruikt,

de betrokken dieren zijn dieren die het minst gevoelig zijn voor pijn, lijden, angst of blijvende schade,

de desbetreffende procedures berokkenen het minste pijn, lijden, angst of blijvende schade,

en de betrokken procedures leveren naar verwachting bevredigende resultaten op.

Artikel 13, derde lid, van de Richtlijn bepaalt dat de dood als eindpunt van een procedure zoveel mogelijk moet worden vermeden en worden vervangen door in een vroege fase vaststelbare, humane eindpunten. Wanneer de dood als eindpunt onvermijdelijk is, dient de procedure zo te worden opgezet dat:

zo weinig mogelijk dieren sterven,

(…)

Wet op de dierproeven

In artikel 1d, tweede lid, van de Wod is bepaald dat het aantal dieren dat in projecten wordt

gebruikt, tot het minimum wordt beperkt zonder dat de doelstellingen van het project in

gedrang komen.

Op grond van artikel 10a van de Wod is het verboden een project uit te voeren indien

verweerder daarvoor geen projectvergunning heeft verleend.

In artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wod is bepaald dat het verboden is een

dierproef te verrichten voor een doel dat, naar de algemeen kenbare, onder deskundigen

heersende opvatting, ook kan worden bereikt anders dan door middel van een dierproef, of

door middel van een dierproef waarbij minder dieren kunnen worden gebruikt of minder

ongerief wordt berokkend dan bij de in het geding zijnde proef het geval is.

Artikel 10a, eerste lid, van de Wod bepaalt dat het verboden is een project uit te voeren indien de centrale commissie dierproeven daarvoor geen projectvergunning heeft verleend.

Artikel 10a1, tweede lid van de Wod bepaalt dat aan de projectvergunning, bedoeld in 10a, eerste lid, voorschriften kunnen worden verbonden.