Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16890

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
AWB 16/6954
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Daarbij heeft verweerder de door eiser genoemde ‘verhoormethoden’ terecht aangemerkt als absolute niet-politieke misdrijven zoals bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag en dat eiser door het brengen naar, bewaken tijdens en terugbrengen van verdachten na de gehoren een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de gepleegde misdrijven. Eiser heeft door zijn rol de misdrijven gefaciliteerd, zodat sprake is van ‘personal participation’. Gelet op het feit dat eiser heeft verklaard dat hij tijdens de gehoren gesprekken kon volgen, mensen hoorde schreeuwen en geluiden van marteling hoorde en dat hij na afloop bij verdachten sporen van geweld zag, heeft verweerder zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat bij eiser sprake is geweest van ‘knowing participation’. Voorts was verweerder niet gehouden om in het geval van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van Definitierichtlijn nader in te gaan op de aangevoerde individuele omstandigheden in het kader van artikel 3 EVRM. Tot slot heeft verweerder deugdelijk onderbouwd dat eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, zodat verweerder terecht een zwaar inreisverbod aan eiser heeft opgelegd. In dat kader acht de rechtbank van belang dat de door eiser gepleegde misdrijven een aanzienlijke periode beslaan, namelijk van 2008 tot en met mei 2015. Voorts is het tijdsverloop sindsdien zeer beperkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/6954

V-nummer: [volgnummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 november 2016 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1988, van Iraakse nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. A.M. van Eik),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. I. Boon).

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 11 juli 2015 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Bij ditzelfde besluit is ten aanzien van eiser een terugkeerbesluit genomen op grond waarvan eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en is aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en O. Al Othman, tolk in de Turkmeense taal. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiser heeft op 11 juli 2015 een asielaanvraag ingediend.

1.2

Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is van Turkmeense afkomst en woonde tot zijn vertrek in [woonplaats] in de provincie [naam provincie] (ook [naam provincie] genoemd) in Irak. Sinds 2008 heeft eiser gewerkt als politieagent. De provincie [naam provincie] behoort tot de zogenaamde betwiste gebieden in Irak. De invloed van Koerden in het gebied is groter geworden in de laatste jaren. In de zomer van 2014 hebben ze het bestuur van de Arabieren overgenomen. Daardoor worden volgens eiser Turkmenen steeds meer gemarginaliseerd. Op zijn werk voelde eiser zich na vertrek van de Amerikanen gediscrimineerd door zijn Koerdische meerderen. In mei 2015 werd eiser overgeplaatst naar [plaats] om tegen Islamitische Staat te vechten. Omdat hij dit te gevaarlijk vond - Turkmenen worden volgens eiser in de gevaarlijkste posities geplaatst - heeft hij ontslag genomen en Irak verlaten.

Grondslag bestreden besluit

2.1

Verweerder heeft de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000 en een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar, omdat op eiser artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (Vluchtelingenverdrag), van toepassing wordt geacht. Verweerder heeft deze conclusie gebaseerd op de verklaringen van eiser in het nader gehoor van 18 september 2015 en algemene informatie uit openbare bronnen over marteling en foltering in Irak.

2.2

Eiser wordt verweten dat hij mensen heeft overgedragen aan verhoorders, die vervolgens deze mensen martelden. Eiser werd daarbij direct geconfronteerd met de misdrijven. Hij hoorde de gevangenen schreeuwen van pijn tijdens de verhoren en na afloop van de verhoren zag hij de verwondingen van de personen die hij terugbracht naar hun cel. Dit vormt “faciliteren” in het kader van ‘personal participation’, zodat eiser individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor deze misdrijven, als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Volgens verweerder is naast ‘personal participation’ ook sprake van ‘knowing participation’. Marteling is een gedraging die verboden wordt door het Antifolterverdrag uit 1984 en valt onder de reikwijdte van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

2.3

Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat, gelet op het feit dat eiser afkomstig is uit de provincie [naam provincie] en het gestelde in paragraaf C7/13.4.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, eiser aannemelijk heeft gemaakt dat gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verboden behandeling. Dit kan echter, gelet op de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, niet tot vergunningverlening leiden, aldus verweerder.

2.4

Tot slot heeft verweerder bij het bestreden besluit overwogen dat de omstandigheid dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, aanleiding geeft om te bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag houdt tevens in dat artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000 van toepassing is. Daarom is aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Daarbij staat artikel 8 van het EVRM niet aan het opleggen van een inreisverbod aan de weg.

Beroepsgronden

3.1

Eiser betoogt primair dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De door verweerder genoemde bronnen in het voornemen hebben geen betrekking op de periode, locaties en gebieden waarin eiser werkzaam is geweest. Het bestreden besluit is daarom niet deugdelijk gemotiveerd. Verweerder heeft eveneens ten onrechte vastgesteld dat sprake is van ‘personal and knowing participation’ bij eiser. Daarbij is van belang dat eiser de vragen tijdens het gehoor niet goed heeft begrepen dan wel dat zijn antwoorden verkeerd zijn uitgelegd. Een afzonderlijk 1(F)-gehoor heeft niet plaatsgevonden. Dat had in dit geval wel moeten gebeuren, omdat de rol van eiser bij het vermeende martelen van arrestanten en gedetineerden op basis van het nader gehoor geenszins duidelijk was. In een aanvullend 1(F)-gehoor had verweerder scherper zicht kunnen krijgen op eisers precieze rol alsmede op de frequentie waarmee bij de politie marteling van arrestanten en gedetineerden zou voorkomen. Verder heeft verweerder met de gebruikte bronnen niet aangetoond dat de politie in Irak een organisatie is die zich op grote schaal of op systematische wijze schuldig heeft gemaakt aan zogenaamde “1(F) misdrijven”.

3.2

Voorts is verweerder ten onrechte niet ingegaan op de aangevoerde individuele aspecten omtrent artikel 3 van het EVRM. Het feit dat sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat in [naam provincie] sprake is van een situatie in de zin van artikel 15C van de Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (de Kwalificatierichtlijn), maakt niet dat verweerder niet gehouden is het gehele relaas van eiser te beoordelen.

3.3

Tot slot heeft eiser aangevoerd dat de standaardpraktijk waarbij op basis van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag een vertrektermijn wordt onthouden en een inreisverbod van tien jaren wordt opgelegd niet voldoet aan de eis van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang voor de samenleving zoals die volgt uit de zaak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak van Z. Zh. en I.O. (C-554/13) van 11 juni 2015. Bovendien is het opleggen van dit zware inreisverbod in strijd met artikel 8 van het EVRM, gelet op de banden tussen eiser en zijn broer in Nederland.

Beoordeling rechtbank

4.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder het inreisverbod heeft uitgevaardigd met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000. Eiser kan, gelet daarop, geen rechtmatig verblijf hebben. De rechtbank stelt verder vast dat de beroepsgronden zien op zowel de afwijzing van eisers asielaanvraag als op het opgelegde inreisverbod. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) heeft een vreemdeling tegen wie een inreisverbod met de rechtsgevolgen als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000, is uitgevaardigd, zolang dat inreisverbod voortduurt, geen belang bij de beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van een aanvraag om verlening of verlenging van een verblijfs-vergunning, dan wel de intrekking van een zodanige vergunning. Dat beroep kan immers nimmer leiden tot het door die vreemdeling beoogde rechtmatig verblijf. Of verweerder de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel van de desbetreffende vreemdeling heeft kunnen afwijzen, kan ten volle aan de orde worden gesteld in het kader van de toetsing van het inreisverbod. De rechtbank ziet daarom aanleiding de gronden gericht tegen de afwijzing van eisers aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te bespreken in het kader van het beroep tegen het inreisverbod.

4.2

Eiser heeft allereerst betoogd dat het inreisverbod ten onrechte is gebaseerd op de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank zal op grond van het voorgaande allereerst de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag bespreken. Het bij de beoordeling betrokken wettelijke kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5.1

De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het nader gehoor, ondubbelzinnig, het volgende heeft verklaard:

“Ik heb gewerkt als politieagent in verschillende plaatsen waaronder [woonplaats] (…)

Er zijn vijf rangen, ik zat op rang vier (…)

Ik heb altijd alle bevelen die ik kreeg opgevolgd (…)

Er zijn bevoegde personen voor om met geweld informatie te krijgen. Maar die bevoegdheid krijgen ze vanuit de rechter. Zij mogen dit doen zodat zij de juiste informatie krijgen tijdens een verhoor. Als iemand weigert mee te werken of niet de juiste informatie verstrekt, dan kan hij klappen krijgen zodat hij wel mee werkt (…)

De verdachten die wij brachten werden wel verhoord uiteraard (…)

Ik bracht ze ook weer terug naar de cel (…)

De sporen van geweld heb ik wel gezien maar ik had niet het recht om mij daar mee te bemoeien (…)

Als iemand iets ergs heeft gedaan dan is dat het verdiende loon (…)

Mensen die ik bijvoorbeeld ophaalden, die stroom schokken als martelmethode hadden kregen maakte indruk op mij. Of het waren mensen die zweepslagen met een kabel hadden gekregen. Dit waren mensen die verdacht waren van terrorisme. Als je dergelijke dingen dan ziet. Dat doet toch wel wat met je. Het raakt wel je hart (…)

Wat ik wel weet is dat om informatie uit mensen te krijgen werden diverse manieren gebruikt. Waaronder elektrische schokken, zweepslagen met kabel. Er werd een elektrische stoel gebruikt door middel van kabels op een stoel. Of het kon door een mobiele stroom stok. Daarnaast kon een kabel gebruikt worden waarmee zweepslagen gegeven werden. Soms zag ik dat de nagels er met een nijptang waren afgetrokken. Wat ze ook weleens deden is dat zij elektrische schokken gaven op de ellenbogen en knieën. Dit kregen wij toevallig ook bij de politietraining als theorie. Dat als je iemand bij de ellenbogen raakt het tijdelijk kan verlammen (…)

Ze willen informatie krijgen (…)

Het gebeurde heel vaak dat ik mensen naar verhoor bracht en dat ik ze weer ophaalde (…)

Soms drie of vijf op een dag. En soms weer een aantal maanden niets (…)

Het behoorde bij mijn taken als agent om personen van en naar een gehoor te brengen (…)

Ik bleef tijdens het verhoor ook buiten de deur staan om te bewaken (…)

Ik hoorde weleens dat er het een ander geroepen werd. Ik hoorde dat er geschreeuwd werd (…)

Soms hoorde ik de gesprekken weleens. Ik hoorde dat er vragen werden gesteld. Je hoorde de geluiden van het martelen. Je hoorde ook het geschreeuw van de mensen die gemarteld werden.”

5.2

Verweerder heeft voor deze verklaringen van eiser steun gevonden in diverse openbare bronnen over de situatie in Irak. De relevante passages uit deze bronnen citeert de rechtbank hieronder.

De algemene ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken inzake Irak voor 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 vermelden het volgende:

2007 en 2008:

“Tijdens de verslagperiode was op grote schaal sprake van ernstige gewelddadigheden. Zowel militairen van de MNF-I, Iraakse diensten belast met de handhaving van de openbare orde (zoals de politie), ‘niet-statelijke actoren’ als milities en andere vergelijkbare organisaties en groeperingen als ook gewapende individuen hebben geweldplegingen begaan, waarbij ook mishandelingen zouden zijn gepleegd. Verschillende rapporten stellen dat foltering voorkomt in Irak. De VN-speciaal rapporteur voor foltering heeft op 21 september 2006 aangegeven dat de situatie voor wat betreft foltering in Irak volledig uit de hand is gelopen, en in detentiecentra en op politiebureaus ongeremd voorkomt.” (pagina 54 resp. 59)

2009:

“Onderzoeken in strafzaken berusten vaak in grote mate op onder foltering verkregen bewijs.” (pagina 49)

2010

“In detentiecentra in Centraal-Irak vond veelvuldig marteling plaats. Human Rights Watch berichtte eind april 2010 over systematische martelingen van gedetineerden in een geheime gevangenis van de Iraakse autoriteiten. Andere bronnen geven aan dat onderzoeken in strafzaken vaak in grote mate op onder foltering verkregen bewijs berusten en dat dit bewijs nog altijd door rechters wordt geaccepteerd. De berichten van Human Rights Watch laten echter zien dat ook na het afleggen van een gedwongen bekentenis, mishandeling en marteling soms doorgaan. Volgens een bron kwam marteling ook in gevangenissen in KRG-gebied voor. In detentiecentra van de Asayish zou marteling zelfs systematisch plaatsvinden, terwijl ook in politiegevangenissen foltering geregeld voorkwam. Hoewel het Iraakse Ministerie van Mensenrechten onderzoek doet naar berichten van marteling, waren er in Centraal-Irak en KRG-gebied weinig gevallen bekend van disciplinaire maatregelen of vervolging van (vermoedelijke) daders.” (pagina 55)

2011:

“In de verslagperiode waren er in Zuid-/Centraal-Irak opnieuw berichten van mishandeling en marteling door veiligheidsorganisaties. Ook bleven er berichten van mishandeling en marteling door gewapende illegale groepen. Mishandeling en marteling door veiligheidsorganisaties vindt veelal plaats na arrestatie als de verdachte wordt vastgehouden in een politiebureau of één van de detentiecentra die onder de verantwoordelijkheid vallen van het ministerie van Binnenlandse zaken of het ministerie van Defensie. Tijdens deze periode, die wel tot enkele maanden kan duren, hebben de verdachten in de regel geen toegang tot rechtshulp en is hun familie in veel gevallen niet op de hoogte van hun verblijfplaats. Mishandeling en marteling worden vaak gebruikt als methode om een bekentenis af te dwingen. Bekentenissen spelen in het Iraakse rechtssysteem een belangrijke rol (zie 3.3.6). Human Rights Watch meldt dat mishandeling en marteling ook toegepast wordt als methode van bestraffing.” (pagina 49)

2012:

“Mishandeling en marteling door veiligheidsorganisaties vindt veelal plaats na arrestatie als de verdachte wordt vastgehouden in een politiebureau of één van de detentiecentra die onder de verantwoordelijkheid vallen van het ministerie van Binnenlandse zaken of het ministerie van Defensie. Tijdens deze periode, die wel tot enkele maanden kan duren, hebben de verdachten in de regel geen toegang tot rechtshulp en is hun familie in veel gevallen niet op de hoogte van hun verblijfplaats. Mishandeling en marteling worden vaak gebruikt als methode om een bekentenis af te dwingen.” (pagina 66)

2013:

“Bekentenissen spelen in het Iraakse rechtssysteem een belangrijke rol en mishandeling en marteling worden dan ook vaak gebruikt als methode om een bekentenis af te dwingen, ook bij vrouwen. Mishandeling en marteling van veroordeelde gedetineerden, die zich in detentiecentra van het ministerie van Justitie bevinden, komt minder vaak voor. Dit hangt samen met het feit dat veroordeelde gedetineerden geen bekentenissen meer hoeven af te leggen.” (pagina 44)

Het rapport van Amnesty International “Hope and Fear, Human rights in the Kurdistan Region of Iraq, 2009” vermeldt het volgende.

“Amnesty International has received numerous reports of torture and other ill-treatment of political suspects in prisons and detention centres under the control of the Asayish and other security agencies throughout the Kurdistan Region of Iraq. Methods reported to Amnesty International include: the application of electric shocks to different parts of the body; beatings with fists and with a cable and/or metal or wooden baton; suspension by the wrists or ankles; beating on the soles of the feet (falaqa); sleep deprivation; and kicking.

Torture and other ill-treatment are widely used to obtain information and confessions from detainees and also as a form of punishment. Torture often takes place immediately after arrest, when detainees are under interrogation. Victims of torture include members and suspected members of banned Islamist groups and members of recognized Islamist political parties.”

Het rapport van Amnesty International “New Order, Same Abuses, unlawful detention and torture in Iraq”, September 2010 (pagina 32, 33) vermeldt over mishandeling en foltering het volgende:

“Rape or the threat of rape. Beating with cables and hosepipes. Prolonged suspension by the limbs. Electric shocks to sensitive parts of the body. Breaking of limbs. Removal of toenails with pliers. Asphyxiation using a plastic bag over the head. Piercing the body with drills. Being forced to sit on sharp objects such as broken bottles. These are just some of the torture methods used against men, women and children by Iraqi security forces that have been described to Amnesty International in recent years. At particular risk of such abuses are detainees suspected of links with armed groups and also government critics. The Iraqi Human Rights Ministry documented 574 allegations of torture during 2009, including 326 against Ministry of Interior officers, 152 against Ministry of Defence officers and 56 against Peshmerga but this almost certainly represents no more than the tip of a very large iceberg. Torture and other ill-treatment usually take place following arrest when detainees are held incommunicado in police stations and detention facilities controlled by the ministries of interior and defence. During this initial period of detention, which can last up to several months, detainees usually have no access to lawyers and in many cases their families do not know where they are – conditions known commonly to facilitate – even invite – torture and other ill-treatment.

Torture is often used to make detainees confess. Sometimes confessions or statements have already been prepared by the interrogators, and detainees are tortured, blindfolded and made to sign the incriminating statements. These confessions are often used against them in court if they are charged and tried. The Iraqi criminal justice system relies heavily on confessions as evidence of guilt.”

Het Human Rights Report van United States Department of State ‘Iraq 2013’ vermeldt het volgende:

“As in previous years, credible accounts of abuse and torture during arrest and investigation, in pretrial detention, and after conviction, particularly by police and army, were common. According to former prisoners, detainees, and human rights groups, methods of torture and abuse included putting victims in stress positions, beatings, broken fingers, suffocation, burning, removing fingernails, suspending victims from the ceiling, overextending victims’ spines, beatings on the soles of the feet with plastic and metal rods, forcing victims to drink large quantities of water while preventing urination, sexual assault, denial of medical treatment, and death threats.”

Het bericht van de US Department of State van juni 2015 vermeldt voorts het volgende:

“As in previous years, abuse and torture, particularly by police and security forces, during arrest and investigation were common in pretrial detention and after conviction. Former prisoners, detainees, and human rights groups reported that methods of torture and abuse included: putting victims in stress positions, beating them, breaking their fingers, suffocating them, burning them, removing their fingernails, suspending them from the ceiling, overextending their spines, beating the soles of their feet with plastic and metal rods, forcing them to drink large quantities of water while preventing urination, sexually assaulting them, denying them medical treatment, and threatening to kill them.”

Tot slot vermeldt het Amnesty International jaarrapport over 2014/2015 het volgende:

“Torture and other ill-treatment remained common and widespread in prisons and detention centres, particularly those controlled by the Ministries of the Interior and Defence, and were committed with impunity.

Interrogators tortured detainees to extract information and “confessions” for use against them at trial; sometimes detainees were tortured to death.”

5.3

De rechtbank stelt vast dat eiser voorafgaand aan het nader gehoor desgevraagd heeft verklaard dat hij het zal aangeven als hij om welke reden dan ook moeite heeft met bepaalde vragen. Na afloop van het gehoor heeft eiser verklaard dat hij geen op- of aanmerkingen heeft over de manier waarop het gesprek heeft plaatsgevonden, over de gehoormedewerker en de tolk. Eiser heeft desgevraagd ook verklaard dat hij de tolk goed heeft begrepen en verstaan. Volgens de rechtbank bestaat dan ook geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat eiser de vragen tijdens het gehoor niet goed heeft begrepen dan wel dat zijn antwoorden verkeerd zijn uitgelegd. Bovendien is eiser in de gelegenheid gesteld om correcties en aanvullingen in te dienen, ná het opsturen van het rapport van nader gehoor. Van die gelegenheid heeft eiser op 21 september 2015 ook gebruik gemaakt. Uit de correcties en aanvullingen van volgt evenmin dat eiser de vragen tijdens het gehoor niet goed heeft begrepen. Dit alles in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat het verslag van nader gehoor een onjuiste weergave van het gesprek zou zijn. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn beroepsgrond dat verweerder niet heeft mogen uitgaan van de juistheid van de verklaringen die eiser heeft gegevens tijdens dit gehoor.

5.4

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor de verklaringen van eiser steun te vinden is in de hierboven genoemde en geciteerde openbare bronnen. Het standpunt van eiser dat de bronnen geen betrekking hebben op de periode, locaties en gebieden waarin eiser werkzaam is geweest houdt – gelet op de hierboven weergegeven citaten – geen stand. De bronnen hebben betrekking op de periode waarin eiser werkzaam was bij de politie in Irak, namelijk vanaf 2008 tot en met zijn vertrek in mei 2015. Uit de bronnen volgt dat marteling en foltering plaatsvinden in Centraal-Irak en in het gebied van de Koerdistan Regionale Overheid (KRG). In de bronnen wordt de politie in Irak specifiek en concreet genoemd als overheidsinstelling waar marteling veelvuldig plaatsvindt. Uit de bronnen volgt dat marteling veelal plaatsvindt na arrestatie als de verdachte wordt vastgehouden in een politiebureau en dat marteling vaak wordt gebruikt als methode om een bekentenis af te dwingen. Deze informatie uit de openbare bronnen strookt volledig met eisers verklaringen. De door eiser genoemde marteltechnieken komen sterk overeen met de martelmethoden zoals gerapporteerd in de bovengenoemde en geciteerde openbare bronnen. Eiser heeft de juistheid van deze openbaar toegankelijke informatie verder niet betwist. Verweerder heeft deze bronnen daarom terecht bij zijn besluitvorming betrokken. De beroepsgrond dat de bronnen onvoldoende specifiek verband houden met eisers situatie slaagt evenmin.

5.5

De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat verweerder na het nader gehoor een aanvullend 1(F)-gehoor had moeten houden. Daarbij is allereerst van belang dat voor verweerder geen wettelijke verplichting bestaat tot het houden van een dergelijk separaat 1(F)-gehoor. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eisers verklaringen over zijn rol bij de martelingen bij de politie helder en duidelijk zijn en dat uit de hierboven aangehaalde en geciteerde openbare bronnen eenduidig volgt dat marteling bij de politie een wijdverbreide praktijk is. Bovendien komen eisers verklaringen, zoals uit rechtsoverweging 5.4 volgt, in sterke mate overeen met de informatie uit de openbare bronnen. Ook daarom was in dit geval geen noodzaak voor het houden van een separaat 1(F)-gehoor nadat het nader gehoor was afgenomen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

5.6

Verweerder heeft de door eiser genoemde ‘verhoormethoden’ terecht aangemerkt als absolute niet-politieke misdrijven zoals bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag. Marteling is een gedraging die verboden wordt door het Antifolterverdrag uit 1984 en valt onder de reikwijdte van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat eiser door het brengen naar, bewaken tijdens en terugbrengen van verdachten na de gehoren een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de gepleegde misdrijven, zodat hij hier medeverantwoordelijk voor moet worden gehouden en als mededader, zoals bedoeld in paragraaf C2/7.10.2.4 onder c van de Vc 2000, dient te worden beschouwd. Eiser heeft door zijn rol de misdrijven gefaciliteerd, zodat sprake is van ‘personal participation’. Gelet op het feit dat eiser heeft verklaard dat hij tijdens de gehoren gesprekken kon volgen, mensen hoorde schreeuwen en geluiden van marteling hoorde en dat hij na afloop bij verdachten sporen van geweld zag, heeft verweerder zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat bij eiser sprake is geweest van ‘knowing participation’.

5.7

Gelet op vorengaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

Ten aanzien van persoonlijke vrijwaringen van verantwoordelijkheid (dwang)

6. Voor zover eiser heeft willen aanvoeren dat hij gedwongen was tot het plegen van de misdrijven, oordeelt de rechtbank als volg. Uit de verklaringen van eiser dat hij de mogelijkheid had om ontslag te nemen en op vakantie te gaan, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de mogelijkheid bestond dat eiser zich kon onttrekken aan de misdrijven. Eiser heeft in mei 2015 ook daadwerkelijk ontslag genomen bij de politie door middel van een ontslagbrief, zodat ook hieruit volgt dat sprake was van een daadwerkelijke en reële mogelijkheid om zich eerder te onttrekken aan de misdrijven. In paragraaf C2/7.10.2.5 van de Vc 2000 onder het kopje ‘dwang’ valt deze situatie onder de tweede bullet van opgesomde situaties waarin verweerder een vreemdeling, ondanks de gestelde dwang, niet vrijwaart van de verantwoordelijkheid voor strafbare feiten. Om die reden heeft verweerder terecht geoordeeld dat geen sprake kan zijn van een persoonlijke vrijwaring van verantwoordelijkheid bij eiser.

Ten aanzien van artikel 3 van het EVRM

7. De rechtbank overweegt met verweerder dat gelet op het gestelde in paragraaf C7/13.4.1 van de Vc 2000 in de provincie [naam provincie] ( [naam provincie] ) sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid onder b, van de Vw 2000. Reeds om die reden heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij in zijn land van herkomst een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Uit het beleid en de jurisprudentie volgt niet dat verweerder gehouden was om in het geval van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (Definitierichtlijn) nader in te gaan op de aangevoerde individuele omstandigheden. Anders dan eiser stelt zouden deze omstandigheden in de toekomst bij een eventueel verzoek tot opheffing van het inreisverbod aan de orde kunnen komen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van het onthouden van een vertrektermijn en het opleggen van het inreisverbod

8.1

Naar het oordeel van de rechtbank faalt het betoog van eiser dat hij niet als een bedreiging voor de Nederlandse openbare orde kan worden aangemerkt. Zoals hierboven is geoordeeld is aan eiser terecht artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen, omdat eiser in verband wordt gebracht met marteling en foltering. In het arrest van 20 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3579) heeft de Afdeling uit het arrest Z.Zh. en I.O. afgeleid dat, voor zover van belang, verweerder bij zijn beoordeling alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan.

8.2

Bij verweerschrift van 4 oktober 2016 heeft verweerder zijn standpunt dat eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, als volgt nader gemotiveerd. Marteling wordt wereldwijd als een buitengewoon ernstig misdrijf beschouwd. Er bestaat geen enkele omstandigheid waaronder foltering is toegestaan en er kan evenmin enige omstandigheid dienen als rechtvaardiging voor foltering. Eiser heeft een bijzonder ernstig misdrijf begaan en daarom vormt zijn aanwezigheid in Nederland een rechtstreekse bedreiging voor de Nederlandse rechtsorde en de gemoedsrust van de Nederlandse bevolking en wordt een fundamenteel belang van de samenleving geraakt. De dreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving van een persoon van wie ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij misdrijven heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is naar zijn aard blijvend actueel. Daarbij blijkt uit de verklaringen van eiser dat kan worden aangenomen dat eiser deze misdrijven bij herhaling en op regelmatige basis heeft gepleegd in de periode van 2008 tot mei/juni 2015 toen hij werkzaam was bij de politie. Gelet op de herhaling van het plegen van het misdrijf in een langere periode en het recente karakter daarvan is er zondermeer sprake van een actuele bedreiging, aldus verweerder.

8.3

Anders dan eiser heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het verweerschrift deugdelijk heeft onderbouwd dat eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. In dat kader acht de rechtbank van belang dat de door eiser gepleegde misdrijven een aanzienlijke periode beslaan, namelijk van 2008 tot en met mei 2015. Voorts is het tijdsverloop sindsdien zeer beperkt. De toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op een vreemdeling waarbij sprake is van recente betrokkenheid bij de misdrijven impliceert voorts dat deze vreemdeling een ernstig gevaar vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid, op grond waarvan verweerder in beginsel een inreisverbod ter hoogte van de maximale termijn van tien jaar genoemd in artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vb 2000 oplegt. De rechtbank ziet in de gestelde prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 9 juni 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:6389) geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. In de Middelburgse casus was geen sprake van recente betrokkenheid bij misdrijven maar betrokkenheid in een ver verleden, waardoor zich de vraag opdrong of nog wel kon worden gesproken van een actuele bedreiging. In de hiervoor liggende casus is sprake van zeer recente betrokkenheid, zodat geen sprake is van een gelijke situatie.

8.4

Tot slot heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat artikel 8 van het EVRM niet aan het opleggen van het inreisverbod in de weg staat. Daartoe heeft verweerder terecht overwogen dat eiser en zijn broer allebei volwassen zijn. Zij hebben elkaar 15 jaar voorafgaande aan de komst van eiser naar Nederland niet gezien. Verweerder heeft daarom terecht aangenomen dat het ooit bestaande gezinsleven tussen hen in deze tijd verbroken is geweest. Voorts heeft verweerder terecht overwogen dat eiser niet naar Nederland is gekomen om gezinsleven met zijn broer te verkrijgen, maar dat heeft hij verzocht om internationale bescherming. Ook heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van enige afhankelijkheid tussen eiser en zijn broer. De banden tussen eiser en zijn broer zijn door verweerder dan ook, enigszins terughoudend toetsend, op goede gronden te gering geacht om tussen hen gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aan te nemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

9. Gelet op het voorgaande kan het beroep voor zover dat ziet op het aan eiser opgelegde inreisverbod niet slagen. Het beroep voor zover dat ziet op het inreisverbod zal ongegrond worden verklaard. Gelet daarop heeft eiser geen procesbelang bij een nadere toetsing van zijn afgewezen asielaanvraag. Het beroep voor zover dat ziet op eisers asielaanvraag dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

  • -

    verklaart het beroep tegen het inreisverbod ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep tegen de afwijzing van de asiel aanvraag niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, en mrs. A.K. Mireku en V.F.J. Bernt in aanwezigheid van mr. S.N. de Jager, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: SJ

D:

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Bijlage

Wettelijk kader terzake tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag

1. Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, afgewezen indien de vreemdeling op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

2. Ingevolge artikel 1(F), aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten.

3. Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 verstaat verweerder onder een persoon als bedoeld in artikel 1(F) mede een persoon die heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de in dat artikel genoemde misdrijven of daden. Ingevolge het tweede lid verleent verweerder, indien artikel 1(F) aan het verlenen van een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan de desbetreffende vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29.

4. Ingevolge paragraaf C2/7.10.2.4 van de Vc 2000 dient verweerder voor tegenwerping van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag aan te tonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling verantwoordelijk gehouden kan worden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in dit artikel. Indien verweerder ‘ernstige redenen’ heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag te voorkomen. Om te bepalen of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag, onderzoekt verweerder of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (knowing participation) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (personal participation).

4.1

Er is in ieder geval sprake van ‘knowing participation’ bij de vreemdeling in één van de volgende situaties:

a. de vreemdeling heeft gewerkt bij een organisatie, waarvan verweerder heeft aangetoond dat deze organisatie op systematische wijze en/of op grote schaal zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die genoemd worden in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag;

b. de vreemdeling heeft behoord tot een groep die door de Minister is aangewezen als groep, waarop in de regel artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is; of

c. de vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen, waarvan hij wist of had moeten weten dat het misdrijven betrof zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

4.2

Er is sprake van ‘personal participation’ bij de vreemdeling in tenminste één van de volgende situaties:

a. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag gepleegd;

b. de vreemdeling heeft opdracht gegeven tot, of onder zijn verantwoordelijkheid is een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag gepleegd;

c. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag gefaciliteerd; of

d. de vreemdeling behoort tot een groep die door de Minister is aangewezen als groep die in de regel artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen krijgt.

4.3

De vreemdeling heeft een misdrijf gefaciliteerd, indien zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. Verweerder concludeert dat de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen indien aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

• de bijdrage heeft een effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf; en

• het misdrijf had hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze plaatsgevonden indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld of indien de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf tegen te houden.