Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16889

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
C/09/511759 / KG RK 16-994
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek afgewezen. Wrakingsgronden richten zich tegen voorlopige oordelen van de kantonrechter en tegen processuele beslissingen.

Twee verzoeken tot wraking van de wrakingskamer buiten behandeling gesteld wegens misbruik van het rechtsmiddel wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2016/26

zaak-/rekestnummer: C/09/511759/KG RK 16-994

rolnummer hoofdzaak: 4738605/RL EXPL 16-862

datum beschikking: 15 juni 2016 (bij vervroeging)

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in de zaak van:

[verzoeker] ,

tevens handelend in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige dochter [minderjarige] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. L.H.W.M. Koenen,

strekkende tot wraking van:

mr. R.J. ter Kuile,

kantonrechter in de rechtbank Den Haag,

hierna te noemen ‘de kantonrechter’.

Belanghebbende is:

de stichting Stichting Hogeschool der Kunsten Den Haag,

statutair gevestigd te Den Haag,

(verder te noemen ‘de Hogeschool’),

gemachtigde: mr. M.A. Huisman.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1.

Op 23 mei 2016 heeft ten overstaan van de kantonrechter een comparitie na antwoord plaatsgevonden in een geschil tussen verzoeker en de Hogeschool over vermeend onrechtmatig handelen door de Hogeschool. Verzoeker voert - kort samengevat - aan dat zijn dochter, [minderjarige] , PTSS, angst en depressie alsmede knieklachten heeft opgelopen door direct, schadelijk foutief handelen (inclusief nalaten) door ongekwalificeerde docenten/personeel van de Hogeschool in de periode van juli 2013 tot december 2013.

1.2.

Na afloop van de comparitie van partijen heeft mr. Koenen namens [verzoeker] bij email van 23 mei 2016 een verzoek tot wraking van de kantonrechter ingediend. De kantonrechter is bij email van 24 mei 2016 door de wrakingskamer in kennis gesteld van de ingediende wraking.

1.3.

De wrakingskamer heeft vervolgens kennis genomen van de email berichten van Koenen van 24 mei 2016 en van 1, 3 en 6 juni 2016, alsmede van de schriftelijke reactie van de kantonrechter.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

2.1.

Op 6 juni 2016 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Namens verzoeker is mr. Koenen verschenen. Namens de Hogeschool is mr. Huisman verschenen.

2.2.

Kort voor de mondelinge behandeling is per email aan mr. Koenen doorgegeven dat de zitting verplaats zal worden naar maandag 20 juni 2016. Dit bericht is uitgegaan in de veronderstelling dat de kantonrechter nog niet schriftelijk had gereageerd. Na verzending van voormeld bericht bleek echter dat de schriftelijke reactie per email van zaterdag 4 juni 2016 door de kantonrechter aan de wrakingskamer was toegezonden. De voorzitter van de wrakingskamer heeft dit ter zitting uitgelegd, waarna mr. Koenen verklaarde geen bezwaar te hebben tegen het toch doorgaan van de mondelinge behandeling. Na een korte schorsing om mr. Koenen en mr. Huisman in de gelegenheid te stellen de schriftelijke reactie van de kantonrechter te lezen is de mondelinge behandeling voortgezet.

2.3.

Aan het eind van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker de wrakingskamer gewraakt, welk verzoek door de wrakingskamer buiten behandeling is gesteld. Na het sluiten van de mondelinge behandeling is op 7 juni 2016 een tweede verzoek tot wraking van de wrakingskamer ingekomen.

3 Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft de volgende gronden aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag gelegd.

1) Het besluit van de kantonrechter tot afwijzing van het verzoek tot benoeming van een gerechtelijk deskundige, met als argument dat gedaagde (thans belanghebbende) daarop tegen is, terwijl daaraan voorafgaand de kantonrechter had gezegd dat indien een gerechtelijk deskundige zou herhalen wat Baks en Van der Meulen geoordeeld hebben, de vordering dan wel toewijsbaar is.

1a) De mededeling dat het verzoek onder 1 tevens afgewezen moet worden, omdat de inschatting is dat de gerechtelijk deskundige niet zal (kunnen) vaststellen dat de klachten zijn veroorzaakt door feiten/daden van belanghebbende uit 2013.

2) De mededeling van de kantonrechter dat de reden van afwijzing om getuigen te doen horen is dat die getuigen niets anders zullen verklaren dan reeds bekend is.

3) De mededeling van de kantonrechter dat de zaak voor eiser vrijwel kansloos is, met als motivering dat er geen sprake is van een onrechtmatige daad/norm die is overschreden.

4) De mededeling van de kantonrechter dat bijlage I niet is gelezen.

5) De mededeling van de kantonrechter, na kennisneming van de korte notitie van verzoeker, dat er zijns inziens geen sprake is van schending van artikel 21 Rv.

6) De suggestie van de kantonrechter, na de eerste termijn, aan de gemachtigde van verzoeker dat het beter is om de zaak in te trekken.

7) De mededeling van de kantonrechter dat er geen rechtsgrond is waar de feiten, indien bewezen, onder vallen.

8) Het nalaten van de kantonrechter om ter zitting ontbrekende stukken aan belanghebbende te vragen, hoewel daarom is gevraagd.

4 Het standpunt van de kantonrechter

De kantonrechter berust niet in de wraking. Hij voert - kort samengevat - aan dat de door verzoeker gestelde onrechtmatige gedragingen, die de Hogeschool zou hebben begaan, hem te summier voorkwamen en dat hij daarom verzoeker heeft proberen duidelijk te maken dat hij geen sterke zaak had en dat hij het mede in het belang van het kind ( [minderjarige] ) geraden achtte de zaak te beëindigen. Hij voorzag in een vonnis niet aan een deskundigenbenoeming toe te komen. Hij wilde een benoeming alleen in overweging nemen als beide partijen daarom zouden vragen. De Hogeschool wilde echter geen deskundigenonderzoek. Op een vraag van verzoeker of hij de vordering zou toewijzen als een deskundige zou vaststellen dat het betreffende meisje mishandeld was, heeft de kantonrechter geantwoord dat dat dan vrij zeker zou gebeuren, maar dat dat theoretisch is, omdat hij dacht (zeker zonder instemming van belanghebbende) niet aan de benoeming van een deskundige toe te komen. Toen de kantonrechter duidelijk werd dat zijn voorlopig oordeel niet werd aanvaard en een minnelijke regeling er niet in zat, heeft hij vonnis bepaald.

5 Wraking van de wrakingskamer

5.1.

Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker de wrakingskamer gewraakt. Dit is gebeurd na een schorsing door de wrakingskamer teneinde in raadkamer tot een beslissing te komen omtrent de verzoeken van mr. Koenen tot voeging in het wrakingsdossier van de transcriptie en de geluidsopnamen van de zitting bij de kantonrechter en tot oproeping van de kantonrechter. Na die schorsing heeft de wrakingskamer die verzoeken afgewezen en heeft die afwijzing gemotiveerd als volgt. De wrakingskamer ziet geen aanleiding om opnames die zonder toestemming van de kantonrechter zijn gemaakt tot het wrakingsdossier toe te laten en ziet “op dit moment” evenmin aanleiding de kantonrechter op te roepen. Daarop heeft mr. Koenen de wrakingskamer gewraakt. De wrakingskamer heeft – na een schorsing – dit wrakingsverzoek buiten behandeling gesteld. Het is niet aan verzoeker om voorwaarden te stellen ten aanzien van de wijze van behandeling van het wrakingsverzoek en om in dat kader te eisen dat stukken worden opgevraagd of de kantonrechter wordt gedwongen tot het bijwonen van de zitting. Door dit wel te doen en vervolgens, nadat hij zijn zin niet heeft gekregen, de wrakingskamer te wraken met het kennelijke doel de behandeling van het zich tegen de kantonrechter richtende wrakingsverzoek te belemmeren of onmogelijk te maken indien niet wordt voldoen aan de verlangens van verzoeker, maakt verzoeker naar het oordeel van de wrakingskamer misbruik van het rechtsmiddel wraking.

5.2.

Na het sluiten van de mondelinge behandeling is op 7 juni 2016 een tweede verzoek tot wraking van de wrakingskamer ingekomen. Als wrakingsgronden voert mr. Koenen aan dat de wrakingskamer onbevoegd een verzoek tot wraking van de wrakingskamer zelf heeft afgewezen en dat de motivering van de afwijzing om de kantonrechter op te roepen ondeugdelijk is. Hetgeen hiervoor onder 5.1 is overwogen, maakt dat ook dit tweede verzoek buiten behandeling wordt gesteld.

6 De beoordeling van het verzoek tot wraking van de kantonrechter

6.1.

Het vorenstaande maakt dat de wrakingskamer toekomt aan het verzoek tot wraking van de kantonrechter. Het eerste verzoek tot wraking van de wrakingskamer is aan het eind van de mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking van de kantonrechter gedaan en nadat verzoeker zijn standpunt uitgebreid heeft kunnen toelichten. De wrakingskamer ziet ook na beraad in raadkamer geen aanleiding om de kantonrechter op te roepen, nu de kantonrechter (alsnog) schriftelijk op het wrakingsverzoek heeft gereageerd. De wrakingskamer acht zich voldoende voorgelicht om tot beoordeling van het wrakingsverzoek van de kantonrechter te kunnen overgaan.

6.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.3.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

6.4.

Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting is meegedeeld, gaat de wrakingskamer uit van het volgende.

6.5.

Volgens het proces-verbaal heeft mr. Koenen - klaarblijkelijk met betrekking tot het al dan niet benoemen van één of meer deskundigen door de kantonrechter - tijdens de comparitie van partijen opgemerkt: “of in grote mate van waarschijnlijkheid de door [minderjarige] in het laatste trimester van 2013 ontwikkelde PTSS terug te voeren is tot het handelen van de Hogeschool”.

6.6.

De kantonrechter heeft daarop te kennen gegeven: “en als het al wordt vastgesteld, moet het ook nog onrechtmatig zijn. Ik kom niet eens aan die vraag toe om een deskundige te benoemen”. De wrakingskamer begrijpt dit aldus dat de kantonrechter te kennen heeft gegeven dat eerst dient komen vast te staan dat de door verzoeker gestelde gedragingen van de Hogeschool zich hebben voorgedaan én dat die gedragingen als onrechtmatig zijn aan te merken. Immers, eerst dan komt de kantonrechter toe aan de vraag of de gestelde schade het gevolg is van het onrechtmatig handelen, zijnde een vraag die mr. Koenen volgens voornoemd citaat aan een deskundige voorgelegd wilde zien. In dit licht beziet de wrakingskamer de opmerking van de kantonrechter “Ik kom niet eens aan die vraag toe om een deskundige te benoemen”. Hiermee heeft de kantonrechter klaarblijkelijk op basis van de hem voorgelegde en gebleken feiten en omstandigheden een voorlopig oordeel gegeven op een verzoek van verzoeker tot het benoemen van een deskundige.

6.7.

De kantonrechter heeft eveneens het volgende te kennen gegeven: “Stel dat partijen het er over eens zijn om een deskundige te benoemen dan zou ik partijen ter wille willen zijn en een deskundige benoemen, maar in eerste instantie kom ik aan die vraag niet toe”. Met de toevoeging “maar in eerste instantie kom ik aan die vraag niet toe” wordt het voorlopig oordeel door de kantonrechter herhaald, waarbij (wederom) tot uitdrukking wordt gebracht dat het naar zijn voorlopig oordeel juridisch niet mogelijk is om op verzoek van verzoeker of ambtshalve een deskundige te benoemen.

6.8.

De wrakingskamer gaat ervan uit dat de kantonrechter daarmee te kennen heeft gegeven dat hij bij de huidige stand van zaken niet toekomt aan het honoreren van het - niet door de Hogeschool gesteunde - verzoek van verzoeker tot het benoemen van een deskundige ter beantwoording van de vraag “of in grote mate van waarschijnlijkheid de door [minderjarige] in het laatste trimester van 2013 ontwikkelde PTSS terug te voeren is tot het handelen van de Hogeschool”.

6.9.

Tevens heeft de kantonrechter te kennen gegeven dat hij wel zal kunnen toekomen aan het benoemen van een deskundige indien het daartoe strekkende verzoek van verzoeker wel door de Hogeschool zou worden gesteund. In dat geval zouden eventueel (ook) met betrekking tot het gestelde handelen van de Hogeschool nieuwe feiten en omstandigheden naar voren kunnen komen die een ander licht kunnen werpen op de vraag of er sprake is van onrechtmatig handelen van de Hogeschool. In dat licht ziet de wrakingskamer tevens de reactie van de kantonrechter op de (volgens de kantonrechter) door mr. Koenen gestelde vraag of hij de vordering zou toewijzen indien de deskundige zou vaststellen “dat het betreffende meisje mishandeld was” en diens (door verzoeker gestelde) mededeling: “dat indien een gerechtelijk deskundige zou herhalen wat Baks en Van der Meulen (lees: drs. B. Van der Meer) geoordeeld hebben, dan wel de vordering toewijsbaar is”. De kantonrechter heeft daarmee kennelijk de bereidheid uitgesproken terug te komen op zijn voorlopige oordeel omtrent het gestelde onrechtmatig handelen indien het rechtens mogelijk zou zijn om een deskundige te benoemen en deze deskundige tot een bepaalde conclusie zou komen. Door de ontbrekende medewerking van de Hogeschool is dit volgens het voorlopige oordeel van de kantonrechter niet mogelijk.

6.10.

Het vorenstaande maakt dat de wrakingskamer van oordeel is dat de onder 1 en 1a genoemde grondslagen van het wrakingsverzoek zich keren tegen voorlopige oordelen van de kantonrechter.

6.11.

De overige door verzoeker onder 2 t/m 8 aangevoerde gronden richten zich tegen processuele beslissingen dan wel tegen voorlopige oordelen van de kantonrechter. Processuele beslissingen vormen in principe geen grond voor wraking. Alleen indien de beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de kantonrechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Hetgeen verzoeker in dit verband heeft gesteld levert geen grond op voor dat oordeel.

6.12.

Voorts levert de omstandigheid dat de kantonrechter tijdens de comparitie zijn voorlopig oordeel over de zaak aan partijen kenbaar maakt, geen objectieve vrees voor partijdigheid of vooringenomenheid op. Het feit dat dit oordeel in dit geval onwelgevallig is voor verzoeker maakt dit niet anders. De mogelijkheid van een onwelgevallige beslissing voor één van beide partijen is immers inherent aan het geven van een voorlopig oordeel.

6.13.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek tot wraking van de kantonrechter dient te worden afgewezen.

7 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a mr. Koenen,

• de Hogeschool p/a mr. Huisman,

• de kantonrechter;

Deze beslissing is gegeven door mrs. G.P. Verbeek, D.G.J. Dop en R. Cats, rechters, in tegenwoordigheid van J. Kriense Lokker als griffier en in het openbaar uitgesproken op

15 juni 2016.