Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16881

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-02-2016
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
C/09/503858 / KG RK 16-114
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Het feit dat de rechter in het verleden een andere zaak van verzoekster heeft behandeld en daarin een voor verzoekster nadelige beslissing heeft genomen, is geen grond voor wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2016/4

zaak-/rekestnummer: C/09/503858 / KG RK 16-114

zaaknummer hoofdzaak: SGR 15/396

datum beschikking: 22 februari 2016

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

strekkende tot wraking van:

mr. E. Kouwenhoven,

rechter in de rechtbank Den Haag,

hierna te noemen: de bestuursrechter.

Belanghebbenden zijn:

1. college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland,

hierna te noemen: het college,

2. [belanghebbende 2] ,

hierna te noemen: [belanghebbende 2] .

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1.

Bij besluit van 18 juli 2014 heeft het college aan [belanghebbende 2] een omgevingsvergunning verleend.

1.2.

Bij besluit van 4 december 2014 heeft het college het door verzoekster daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoekster bij brief van

30 december 2014 bij het college bezwaar aangetekend. Het college heeft dit bezwaarschrift op 28 januari 2015 als beroepsschrift doorgezonden naar deze rechtbank (hierna ook: de rechtbank).

1.3.

Bij beslissing van 30 oktober 2015 heeft de enkelvoudige kamer van de rechtbank het beroepschrift zonder mondelinge behandeling niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekster het griffierecht niet (tijdig) had voldaan. Tegen deze beslissing heeft verzoekster bij brief van 10 december 2015 bij de rechtbank verzet gedaan ex artikel 8:84 Awb. Bij brief van 21 december 2015 heeft de griffier van de rechtbank aan verzoekster bericht dat het verzet ter zitting van 21 januari 2016 zal worden behandeld door de bestuursrechter. Hierop heeft verzoekster bij faxbericht van 19 januari 2016 aan de griffier van de rechtbank – samengevat weergegeven – te kennen gegeven dat zij er bezwaar tegen heeft dat het verzet door de bestuursrechter zal worden behandeld.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 8 februari 2016 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoekster is verschenen en heeft het wrakingsverzoek toegelicht. De bestuursrechter heeft bij brief van 22 januari 2016 gereageerd op het wrakingsverzoek en aan de wrakingskamer te kennen gegeven geen gebruik te maken van de gelegenheid tot het bijwonen van de zitting. Het college en [belanghebbende 2] zijn ter zitting van de wrakingskamer niet verschenen.

3 Het standpunt van verzoekster

Aan het wrakingsverzoek heeft verzoekster naar de wrakingskamer begrijpt ten grondslag gelegd dat de bestuursrechter in het verleden eerder een zaak van verzoekster heeft behandeld en dat de bestuursrechter in die zaak partijen niet gelijk heeft behandeld en er blijk van heeft gegeven dat zij niet beschikt over voldoende kennis en empathisch vermogen. Volgens verzoekster beslist de bestuursrechter op basis van willekeur.

4 Het standpunt van de bestuursrechter

De bestuursrechter berust niet in de wraking. Zij stelt daartoe dat de eerdere zaak waar verzoekster kennelijk naar verwijst eveneens een verzetzaak in de zin van artikel 8:54 Awb betrof. Het toetsingskader in dergelijke zaken is beperkt en de bestuursrechter pleegt dat op zitting duidelijk te maken, maar tracht daarbij de betrokkene wel in zijn waarde te laten. De bestuursrechter herkent zich ten slotte niet in het beeld dat verzoekster van haar schetst.

5 De beoordeling

Het enkele feit dat de bestuursrechter in het verleden een andere zaak van verzoekster heeft behandeld geeft de wrakingskamer geen aanwijzing dat het de bestuursrechter thans ontbreekt aan onpartijdigheid, noch dat zij ten aanzien van verzoekster de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Dat de bestuursrechter in die zaak kennelijk een voor verzoekster onwelgevallige beslissing heeft genomen, is daartoe eveneens onvoldoende. De verwijten die verzoekster de bestuursrechter overigens maakt, heeft zij niet geconcretiseerd en worden reeds daarom gepasseerd. Slotsom is dat het verzoek tot wraking zal worden afgewezen.

6 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:

• de verzoekster, [verzoekster] ,

• de belanghebbenden, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland en [belanghebbende 2] ,

• de rechter mr. E. Kouwenhoven.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.W. du Pon, mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en

mr. K.M. Braun, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.P.C. van Essen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2016.