Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16877

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
AWB 15/13331
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

Eiser beschikt over een door de Duitse autoriteiten afgegeven verblijfsdocument en had ook ten tijde van belang rechtmatig verblijf in Duitsland. Ten tijde van de ongewenstverklaring was eiser strafrechtelijk gedetineerd in Nederland. Eiser is een derdelander die illegaal in Nederland verblijft en voldoet aan artikel 2, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 20 december 2016 in de zaak met nummer AWB 16/5214 (ECLI:NL:RBDHA:2016:15817) geoordeeld dat verweerder geen ongewenstverklaring kan uitvaardigen tegen een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander. De rechtbank oordeelt daarom dat verweerder eiser niet ongewenst heeft kunnen verklaren. Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met de artikelen 62a, eerste lid, aanhef en onder b, en het derde lid, en artikel 67, van de Vw 2000 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/13331

v-nummer: [volgnummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 21 december 2016 in de zaak tussen

[de man] , geboren op [geboortedatum] 1991, staatloos, eiser

(gemachtigde: mr. L.M. Weber),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. van der Weijden)

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser ongewenst verklaard. Bij besluit van 11 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld op 9 juli 2015. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2015. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. A. Hanje. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 9 maart 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder om een nadere reactie gevraagd naar aanleiding van het arrest Z. Zh. en I. O. (arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2015 met zaaknummer C-554/13, te raadplegen via www.curia.europa.eu). Verweerder heeft bij brief van 7 april 2016 de gevraagde reactie gegeven. Eiser heeft op 14 april 2016 zijn reactie daarop gegeven.

Bij brief van 28 april 2016 heeft de rechtbank de zaak ter verdere behandeling doorverwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2016. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. E. van der Weijden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende relevante feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser stelt in 2008 of 2009 Nederland te zijn ingereisd. Hij is Roma en geboren in Duitsland. Hij beschikt over een door de Duitse autoriteiten afgegeven verblijfsdocument (Aufenthaltstitel), dat geldig was van 13 november 2012 tot 12 november 2015. Ook thans heeft eiser rechtmatig verblijf in Duitsland.

1.2

Eiser is meermaals gedagvaard en veroordeeld ter zake van het plegen van strafbare feiten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 22 januari 2015 (het uittreksel) blijkt dat eiser:

 bij beslissing van 5 november 2014 is gedagvaard ter zake van het driemaal plegen van (gekwalificeerde) diefstal op respectievelijk 5 november 2010, 19 augustus 2012 en 6 maart 2014;

 bij beslissing van 20 juli 2013 is gedagvaard ter zake van het plegen van (opzettelijk behulpzaam zijn bij) (gekwalificeerde) diefstal op 7 december 2012;

 op 21 november 2013 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, ter zake van het plegen van (gekwalificeerde) diefstal op 29 februari 2012 en ter zake van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie gepleegd op diezelfde datum;

 op 2 december 2013 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een maatregel van schadevergoeding van een bedrag van € 234,50 ter zake van het tweemaal plegen van (gekwalificeerde) diefstal op 7 december 2012;

 op 1 september 2014 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken ter zake van het plegen van opzetheling op 29 mei 2014 en ter zake van vernieling op diezelfde datum; en

 op 14 maart 2014 is veroordeeld tot een geldboete van € 210,-- ter zake van het plegen van (gekwalificeerde) diefstal op 13 maart 2014.

1.3

Verweerder heeft de ongewenstverklaring – onder verwijzing naar alle voornoemde justitiële gegevens – gebaseerd op artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000.

1.4

Verweerder neemt familieleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aan tussen eiser en [de vrouw] (met wie eiser stelt op traditionele wijze te zijn gehuwd), van Joegoslavische nationaliteit, en tussen eiser en [minderjarige] (naar gesteld eisers zoon).

2.1

Aan de orde is of verweerder eisers ongewenstverklaring heeft kunnen baseren op het nationaalrechtelijke openbare orde criterium of dat hij aansluiting had moeten zoeken bij het Unierechtelijke openbare orde criterium. Eiser stelt zich op het standpunt dat de rechtswaarborgen van de Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) op hem van toepassing zijn, omdat oplegging van een ongewenstverklaring een lager beschermingsniveau heeft dan uitvaardiging van een inreisverbod. Eiser heeft in dit verband gewezen op de ontwikkeling van het Unierechtelijke openbare orde criterium, zoals blijkt uit voornoemd arrest Z. Zh. en I. O.

2.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Terugkeerrichtlijn niet op eiser is toegepast en dat de rechtswaarborgen ervan daarom niet op eiser van toepassing zijn. Verweerder meent een nationaalrechtelijk instrument, de ongewenstverklaring, op eiser te hebben toegepast en terecht te hebben gehandeld conform het beleid zoals neergelegd in paragraaf A4/3.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

3.1

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn is deze richtlijn van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen.

3.2

De rechtbank stelt voorop dat eiser onder de personele werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn valt. Ten tijde van het nemen van het primaire besluit was eiser strafrechtelijk gedetineerd in Nederland en hij werd op 13 februari 2015 overgedragen aan de Duitse autoriteiten. In het primaire besluit wordt voorts aangegeven dat eiser geen verblijfsrecht in Nederland heeft en Nederland onmiddellijk moet verlaten. Eiser moet daarom, als staatloze met een Duitse verblijfstitel, worden aangemerkt als een derdelander die illegaal in Nederland verblijft en voldoet daarom aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. Dat partijen ervan uitgaan dat verweerder de terugkeerrichtlijn niet heeft toegepast, doet daar niet aan af.

3.3

De rechtbank heeft bij uitspraak van 20 december 2016 in de zaak met nummer AWB 16/5214 (ECLI:NL:RBDHA:2016:15817) geoordeeld dat verweerder geen ongewenstverklaring kan uitvaardigen tegen een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander. De rechtbank verwijst voor de motivering van dit oordeel naar die uitspraak.

3.4

De rechtbank oordeelt daarom in het licht van de aangevoerde gronden en onder aanvulling van de rechtsgronden dat eiser zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verweerder hem geen ongewenstverklaring heeft kunnen opleggen. Het beroep slaagt.

4. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 62a, eerste lid, aanhef en onder b, en het derde lid, en artikel 67, van de Vw 2000 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Aan een beoordeling van hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd komt de rechtbank niet meer toe. Gezien hetgeen de rechtbank hiervoor in deze uitspraak heeft overwogen zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef onder b, van de Awb, zelf in de zaak voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, wordt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten veroordeeld. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.488,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 496,--, en een wegingsfactor 1).

6. Voorts bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond;

- herroept het primaire besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 1.488,-- (duizendvierhonderdachtentachtig euro);

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,-- (honderdachtenzestig euro) aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzitter, en mrs. M. Singeling en E.J. Otten, leden, in aanwezigheid van mr. G. Leenstra, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2016.

de griffier

de voorzitter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.