Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16852

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-08-2016
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
AWB 16/3194-T
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Rusland, homoseksuele geaardheid, hiv

Samenvatting:

Eiser, afkomstig uit Rusland, heeft asiel aangevraagd. Eiser is homoseksueel en met hiv geïnfecteerd en stelt dat hij bij terugkeer naar Rusland vanwege zijn homoseksuele geaardheid geen of beperkte toegang tot zorg zal hebben. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen.

Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder de homoseksuele geaardheid en de hiv-infectie niet in samenhang met elkaar en tegen de achtergrond van landeninformatie heeft beoordeeld. Het besluit is daarom niet zorgvuldig voorbereid en niet voldoende gemotiveerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/3194-T

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [1973] , van Russische nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. M.R. van der Linde),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.H.S. Pols).

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen I.I. Anpuma, tolk.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat eiser eerder, op 14 augustus 2002, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 17 augustus 2002 afgewezen. Hiertegen heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend. Eiser heeft vervolgens op 21 februari 2003 een opvolgende aanvraag ingediend, die bij besluit van 25 september 2009 is afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft dat beroep bij uitspraak van 30 september 2010 (AWB 09/38532) ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens onderhavige aanvraag ingediend.

2. Aan onderhavige aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en hij met hiv geïnfecteerd is. Eiser vreest in verband met zijn homoseksuele geaardheid bij terugkeer naar zijn land van herkomst voor zijn leven. Verweerder heeft in het bestreden besluit de aanvraag inhoudelijk beoordeeld en die vervolgens afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw.

3. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een opvolgende aanvraag die door verweerder niet is ingewilligd. De rechtbank toetst hierna het bestreden besluit niet aan het tot voor kort in de rechtspraak gehanteerde ne-bis-beoordelingskader, maar overeenkomstig artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de door eiser aangevoerde beroepsgronden. De buitengrens van het geding wordt daarbij bepaald door het bestreden besluit. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759).

4. Verweerder heeft de volgende relevante elementen uit het asielrelaas van eiser bij de beoordeling betrokken:

  • -

    nationaliteit en identiteit

  • -

    homoseksuele gerichtheid

  • -

    infectie met hiv (door verweerder genoteerd als “het hebben van HIV+”)

  • -

    geen of beperkte toegang tot medische zorg bij terugkeer in Rusland

5. Verweerder heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat, hoewel eiser toerekenbaar geen documenten ter onderbouwing van zijn nationaliteit en identiteit heeft overgelegd, van de door eiser opgegeven nationaliteit en identiteit wordt uitgegaan. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eiser homoseksueel is en met hiv geïnfecteerd is. Verweerder acht echter niet aannemelijk dat eiser vanwege zijn homoseksuele geaardheid bij terugkeer naar Rusland geen of beperkte toegang tot medische zorg zal krijgen. Eiser behoort vanwege zijn geaardheid weliswaar tot een bevolkingsgroep die in het landgebondenbeleid is aangewezen als risicogroep, maar eiser heeft niet met zogenoemde ‘geringe indicaties’ aannemelijk gemaakt dat zijn problemen leiden tot een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij een risico loopt op ernstige schade dan wel een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Ook vanuit medisch oogpunt is volgens verweerder niet aannemelijk dat uitzetting leidt tot een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie. Verweerder verwijst in dat verband naar het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 13 november 2015, waarin is geconcludeerd dat de ziekte waaraan eiser leidt zich onder de gegeven behandeling niet in een terminaal en direct levensbedreigend stadium bevindt en de voor eiser noodzakelijke behandeling in Rusland aanwezig is.

6. Eiser voert, onder verwijzing naar een artikel van The Moscow Times van 16 september 2015 getiteld “Russia’s HIV Patients Struggle to Get Treatment” aan dat er, als gevolg van recente structurele veranderingen in de medicatievoorziening in Rusland, minder hiv-medicijnen beschikbaar zijn en zich problemen voordoen in de bevoorrading. Het krantenartikel spreekt van leveringsproblemen en tekorten. Nu het bronnenmateriaal dat gehanteerd is door het BMA dateert van vóór deze ontwikkelingen, had het op de weg van verweerder gelegen hierover een nader BMA-advies te vragen, aldus eiser.

7. De rechtbank overweegt dat een BMA-advies, zoals volgt uit rechtspraak van de ABRvS, bijvoorbeeld de uitspraak van 6 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:66), een deskundigenadvies is aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. Indien verweerder een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, dient hij zich er ingevolge artikel 3:2 van de Awb van te vergewissen dat dit naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Als aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de besluitvorming van de juistheid van een deskundigenadvies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

8. Het BMA heeft zich bij het uitbrengen van het advies van 13 november 2015 gebaseerd op informatie van [A] , behandelend internist-infectioloog, en [B] , verpleegkundig specialist, van de Isala Kliniek van 4 november 2015. In het BMA-advies is vermeld dat eiser onder behandeling staat van een internist-infectioloog in verband met een hiv-infectie. Er is sprake van een lage weerstand, daarom is gestart met antiretrovirale medicijnen. De behandeling van een hiv-infectie is, onder de huidige stand van wetenschap, blijvend. Onder de gegeven behandeling is er geen sprake van een terminaal en direct levensbedreigend stadium van een ziekte. De ziekte is wel ongeneeslijk te achten. Bij uitblijven van de medicatie is de kans groot dat de weerstand gaat dalen. Dit kan leiden tot levensbedreigende infecties waaraan eiser kan komen te overlijden, zoals een longontsteking. Een onomkeerbaar proces naar de dood op (middel)lange termijn (drie maanden tot een jaar) is te verwachten en valt op de korte termijn (tot drie maanden) niet uit te sluiten. Eiser wordt in staat geacht om te reizen. Aanbevolen wordt dat eiser een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt. Het BMA vermeldt verder dat behandeling door een internist-infectioloog aanwezig is, onder andere in het Moscow HIV center in Moskou, en dat ook de door eiser gebruikte medicatie in Rusland aanwezig is. Of mantelzorg aanwezig is, is bij het BMA onbekend. Een onderzoek hiernaar valt buiten de competentie van de medisch adviseur, aldus het BMA.

9. De rechtbank is van oordeel dat het door eiser aangehaalde artikel uit The Moscow Times, ondanks dat dit artikel dateert van na het brondocument dat aan het BMA-advies ten grondslag is gelegd, geen aanknopingspunt vormt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het BMA-advies. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de in het artikel beschreven leveringsproblemen zien op “state-funded treatment”, terwijl uit het voornoemde brondocument blijkt dat de door eiser benodigde medicijnen beschikbaar zijn op de private markt. Nu het krantenbericht daar niet over spreekt, en de in het artikel geplaatste kanttekeningen bij de kwaliteit van de medicijnen, voor zover hier al waarde aan kan worden gehecht, zodoende ook geen betrekking hebben op medicijnen op de private markt, vormt het artikel geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het BMA-advies. Dat er zorgen zijn bij eiser over de beschikbaarheid en de kwaliteit van de medicijnen biedt eveneens onvoldoende aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het BMA-advies. Verweerder hoefde dan ook geen aanleiding te zien om het BMA om een nieuw advies te vragen.

10. Eiser voert verder aan dat uit de verklaring van zijn behandelend specialist van 4 november 2015, waarin is vermeld dat “een hoge mate van therapietrouw is vereist om resistentievorming te voorkomen”, kan worden afgeleid dat eiser, die een zeer onregelmatig leefpatroon heeft, daarbij een bepaalde mate van mantelzorg nodig heeft. Het BMA stelt zich op het standpunt geen uitspraken te kunnen doen over de beschikbaarheid van mantelzorg in Rusland. Verweerder is hier ten onrechte verder niet op ingegaan, meent eiser.

11. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Dat mantelzorg medisch noodzakelijk is blijkt niet uit de hiervoor genoemde verklaring van de behandelend specialist van 4 november 2015 en is ook anderszins niet door eiser aannemelijk gemaakt. Gelet hierop hoefde verweerder hier verder niet op in te gaan. De opmerking in het BMA-advies dat onbekend is of mantelzorg in het land van herkomst aanwezig is en een onderzoek hiernaar buiten de competentie van de medisch adviseur valt, maakt dit niet anders.

12. Eiser betoogt voorts dat aannemelijk is dat hij bij terugkeer naar Rusland vanwege zijn homoseksuele geaardheid geen of beperkte toegang tot zorg zal hebben. Eiser verwijst daarbij naar de “Country Reports on Human Rights Practices for 2013” van het U.S. State Department over Rusland, waarin is vermeld dat LHBT-personen de toegang tot zorg wordt beperkt of ontzegd “due to intolerance and prejudice”. De door verweerder in het bestreden besluit geplaatste kanttekeningen bij dit rapport, namelijk dat niet duidelijk is of het om structurele weigeringen of beperkingen gaat en of dit ook in grote steden zoals Moskou speelt, maken volgens eiser niet dat aan het rapport geen waarde moet worden gehecht. Uit het rapport blijkt volgens eiser juist dat de weigeringen of beperkingen discriminatoir plaatsvinden en in het rapport is niets vermeld dat wijst op een verschil met grote steden. Verweerder heeft de kanttekeningen ook niet met andere landeninformatie onderbouwd. In dit kader is volgens eiser voorts van belang dat, zoals hij ook tijdens de gehoren heeft verklaard en wat door verweerder verder niet is betwist, men bij terugkeer aan hem zal zien dat hij interesse heeft in mannen. Dit aspect is door verweerder niet betrokken bij de beoordeling of sprake is van ‘geringe indicaties’ in de zin van het beleid met betrekking tot risicogroepen. Ook is verweerder niet ingegaan op de omstandigheid dat eiser hier te lande zijn coming out heeft gehad en hier het overgrote deel van zijn volwassen leven heeft verbleven.

13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de door eiser aangedragen landeninformatie niet blijkt dat sprake is van een structurele weigering of beperking van zorg aan homoseksuelen. Van discriminatie in de zin van het Vluchtelingenverdrag is zodoende niet gebleken. Verweerder acht in dit kader voorts van belang dat men in Rusland niet bekend is met het feit dat eiser homoseksueel is en ook niet gebleken is dat hij in verband met zijn geaardheid eerder problemen heeft ondervonden in Rusland. Eiser heeft ook verklaard dat hij zijn homoseksuele geaardheid bij terugkeer niet zal propaganderen. Daarnaast komen hiv-besmettingen veel voor in Rusland, ook onder niet homoseksuelen, zodat ook niet automatisch een (stigmatiserende) link wordt gelegd met homoseksualiteit, aldus verweerder.

14. De rechtbank stelt vast dat in het hiervoor genoemde rapport van het U.S. State Department, op pagina 55, onder meer het volgende is vermeld:

“Medical practitioners reportedly continued to limit or deny LGBT persons health services due to intolerance and prejudice.”

Voorts is op pagina 57 het volgende vermeld:

“Persons with HIV/AIDS often encountered discrimination. A federal AIDS law includes antidiscrimination provisions, but they frequently were not enforced. Human Rights Watch reported that HIV-positive mothers and their children faced discrimination in accessing health care, employment, and education. Persons with HIV/AIDS were alienated from their families, employers, and medical service providers.”

15. De rechtbank maakt uit het bestreden besluit, het verweerschrift en hetgeen verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht op dat verweerder het element dat eiser homoseksueel is en het element dat eiser met hiv geïnfecteerd is, los van elkaar heeft beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet conform het beleid, zoals neergelegd in paragraaf C1/4.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), beoordeeld of deze elementen tezamen, bezien in het licht van de door eiser aangehaalde landeninformatie, een individueel risico op uitsluiting of beperking van medische zorg voor eiser opleveren. Verweerder heeft ook niet inzichtelijk gemaakt waarom kennelijk vereist is dat sprake moet zijn van structurele weigeringen of beperkingen, terwijl in het beleid, zoals neergelegd in paragraaf C2/3.2 van de Vc, onder ‘Risicogroepen’, is vermeld dat verweerder een bevolkingsgroep als risicogroep kan aanwijzen als blijkt dat vervolging van vreemdelingen behorend tot deze bevolkingsgroep in het land van herkomst veel voorkomt, dat het daarbij niet hoeft te gaan om systematische vormen van vervolging maar de vervolging ook een meer incidenteel karakter kan hebben en dat de vreemdeling die – zoals in dit geval – behoort tot een door verweerder aangemerkte risicogroep, met geringe indicaties aannemelijk kan maken dat zijn problemen die verband houden met één van de vervolgingsgronden leiden tot gegronde vrees voor vervolging [cursivering rechtbank]. Verweerder heeft ter zitting ook geen duidelijkheid verschaft over de vraag wanneer in zijn algemeenheid sprake van is van geringe indicaties en heeft ook geen handvatten of voorbeelden aangereikt op basis waarvan kan worden beoordeeld of een aspect door verweerder al dan niet terecht als geringe indicatie is aangemerkt. Verweerder heeft voorts zijn stelling, dat hiv-besmettingen in Rusland veel voorkomen, ook onder niet homoseksuelen, zodat niet automatisch een (stigmatiserende) link wordt gelegd met homoseksualiteit, verder niet (met bronnen) onderbouwd, zodat niet kan worden nagegaan waar dit op is gebaseerd. Gelet hierop vertoont het bestreden besluit in zoverre een gebrek.

16. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder de verklaring van eiser tijdens het aanvullend gehoor op 8 september 2014 dat hij bij terugkeer zijn homoseksuele geaardheid niet zal propaganderen, door deze als afzonderlijke opmerking bij de beoordeling te betrekken, ten onrechte buiten de context van het gehoor heeft geplaatst. Eiser heeft namelijk in hetzelfde gehoor verklaard, zo is te lezen op pagina 5 en verder, dat het heel moeilijk zal worden om zijn geaardheid te verbergen en dat men bij terugkeer in Rusland aan hem zal zien dat hij interesse heeft in mannen. Ook heeft eiser verklaard dat hij in een ideale wereld wel openlijk uiting zou geven aan zijn seksuele geaardheid, maar dat hij vreest in Rusland te zullen worden uitgescholden en mishandeld, vanwege zijn geaardheid. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de omstandigheid dat de verklaring van eiser dat hij zijn homoseksuele geaardheid bij terugkeer niet zal propaganderen is ingegeven door zelfbehoud. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende rekenschap gegeven van het feit dat eiser in Nederland zijn coming out heeft gehad, zodat niet valt in te zien waarom eiser wordt tegengeworpen dat hij in Rusland eerder nooit problemen heeft ondervonden in verband met zijn geaardheid. Ook in zoverre vertoont het bestreden besluit daarom een gebrek.

17. Gelet op hetgeen hiervoor onder 15 en 16 is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet voldoende heeft gemotiveerd. Het besluit is daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat dit gebrek zich in beginsel leent voor herstel en ziet daarom aanleiding om verweerder daartoe in de gelegenheid te stellen met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.

18. Het herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuw besluit, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder ofwel de asielaanvraag van eiser alsnog inwilligen, ofwel nader motiveren dat de omstandigheid dat eiser homoseksueel is, in samenhang bezien met de omstandigheid dat eiser met hiv geïnfecteerd is, alsook bezien in het licht van de hiervoor genoemde landeninformatie, er niet toe leidt dat eiser een individueel risico loopt om te worden uitgesloten dan wel beperkt in de toegang tot zorg. Daarbij dient verweerder tevens gemotiveerd in te gaan op de vraag of de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, al dan niet zijn aan te merken als geringe indicaties in de zin van het in paragraaf C2/3.2 van de Vc neergelegde beleid. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

19. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

20. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.