Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16841

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-05-2016
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
C/09/509269 / KG RK 16-695
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Het verzoek tot wraking is toegewezen. De wrakingskamer is van oordeel dat het (eerdere) glimlachen door de oudste rechter, gecombineerd met de vervolgens door hem als verklaring voor dat glimlachen uitgesproken indruk dat verzoeker de rechtbank voor het lapje houdt door niet de hele waarheid te vertellen, objectief de schijn wekt dat de oudste rechter op dat moment daadwerkelijk die mening had. De wrakingskamer is van oordeel dat het glimlachen in combinatie met de toelichting van de oudste rechter zo dicht aanligt tegen de – eerst na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting te beantwoorden – vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, dat (ook) sprake is van een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2016/21

zaak-/rekestnummer: C/09/509269/ KG RK 16/695

parketnummer: 09/767332-14 (nummer hoofdzaak)

datum beschikking: 13 mei 2016 (bij vervroeging)

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] [geboortejaar] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting “ [locatie] ” te [plaatsnaam] ,

verzoeker,

raadsman: mr. V.L.T. van Roy, advocaat te Leiden,

strekkende tot wraking van:

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen,

rechter in de rechtbank Den Haag,

hierna te noemen: mr. Hensen of de oudste rechter.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

Ter terechtzitting van 13 april 2016 is de, op 15 februari 2016 geschorste, behandeling van de strafzaak tegen verzoeker voortgezet door een andere samenstelling van de meervoudige kamer van deze rechtbank.

De voorzitter heeft tijdens de zitting verzoeker vragen gesteld. Gedurende deze ondervraging heeft verzoeker opgemerkt dat hij het idee had dat de oudste rechter hem uitlachte. De oudste rechter heeft daarop medegedeeld dat hij moest glimlachen omdat hij de indruk kreeg dat verzoeker de rechtbank voor het lapje hield door niet de hele waarheid te vertellen. Vervolgens heeft de oudste rechter zijn toelichting vervolgd. Na een korte schorsing op verzoek van de raadsman heeft deze namens verzoeker om wraking van de oudste rechter verzocht.

Het onderzoek ter terechtzitting is daarop voor onbepaalde tijd geschorst.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 2 mei 2016 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, alsmede de officier van justitie, mr. D.M. van Gosen zijn daarbij verschenen. Het wrakingsverzoek is ter terechtzitting door de raadsman aan de hand van de door hem overgelegde pleitaantekeningen toegelicht.

Mr. Hensen is niet ter terechtzitting verschenen. Hij heeft bij verweerschrift van 20 april 2016 schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek.

3 Het standpunt van verzoeker

3.1

Van de wraking is een proces-verbaal opgemaakt. Daarin is opgenomen dat de raadsman van verzoeker desgevraagd opgave doet van de volgende feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het wrakingsverzoek, verkort en zakelijk weergegeven:

Het wrakingsverzoek is gebaseerd op het feit dat de oudste rechter – tijdens het verhoor van verdachte – glimlachte en de toelichting die de rechter hierbij heeft gegeven. Hieruit blijkt dat de oudste rechter van mening is dat verdachte niet de waarheid vertelt. Het feit dat de oudste rechter denkt dat verdachte de rechtbank voor het lapje houdt is volgens de raadsman voldoende aanleiding voor het wrakingsverzoek, nu door deze uitleg een zekere schijn van vooringenomenheid is geschapen.

3.2

Bij de behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van 2 mei 2016 heeft verzoeker, grotendeels bij monde van zijn raadsman, gepersisteerd bij het wrakingsverzoek. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het lachen naar verzoeker terwijl hij een verklaring aflegt, in combinatie met het kennelijke oordeel van de oudste rechter dat verzoeker de rechtbank voor het lapje zou houden, in het licht van de gegeven verklaring door de oudste rechter voldoende grond vormt om het wrakingsverzoek te dragen, waarbij de nadruk ligt op en doorslaggevende betekenis toekomt aan de opmerking dat verzoeker de rechtbank voor het lapje zou houden.

Verzoeker heeft zelf toegelicht dat hij als gevolg van het gedrag en de uitlatingen van de oudste rechter het idee had dat hij reeds bij aanvang van het afleggen van zijn verklaring niet werd geloofd en dat het geen zin had om verder te verklaren.

4 Het standpunt van mr. Chr.A.J.F.M. Hensen

Mr. Hensen heeft in zijn verweerschrift voorop gesteld dat hij gedurende de gehele zitting tot het wrakingsincident niet aan het woord is geweest, maar niets anders heeft gedaan dan luisteren naar de door verzoeker gegeven uitleg over zijn aanwezigheid in de verblijfsruimte waarin een tabletteermachine zou zijn opgesteld.

Mr. Hensen heeft bevestigd dat hij verzoeker terwijl hij hem aanhoorde heeft aangekeken en merkt op dat hij ongetwijfeld een blik van vertwijfeling heeft uitgezonden. Dat er van uitlachen geen sprake was, heeft mr. Hensen naar eigen zeggen toegelicht. Hij gaat er vanuit dat de aanleiding voor het wrakingsverzoek de uitleg vormde die hij heeft gegeven na aangesproken te zijn op het vermeende uitlachen. De door mr. Hensen ter terechtzitting gegeven uitleg luidde – letterlijk weergegeven volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal – als volgt:

“Uw antwoorden op de gestelde vragen zijn onvolledig. U geeft ontwijkende antwoorden en draait eromheen. De rechtbank wil graag uw verhaal horen. Op een later moment zal de rechtbank zich de vraag stellen of uw verhaal ook geverifieerd kan worden. Dat kan bijvoorbeeld aan de hand van de door u gevraagde getuigen. Op deze manier kan uw verhaal getoetst worden. Om dit goed te kunnen doen moet uw verhaal wel voldoende aanknopingspunten bevatten die kunnen worden gecontroleerd. U wordt iets minder serieus genomen als u uw verhaal half doet, zonder details waarover de getuigen bevraagd kunnen worden”.

Volgens mr. Hensen is niet in te zien hoe uit de gegeven uitleg een schijn van vooringenomenheid kan worden afgeleid. Hij heeft zich in woord noch gebaar uitgelaten omtrent de uitkomst van de zaak, aldus mr. Hensen.

5 Het standpunt van de officier van justitie

5.1

De officier van justitie heeft bij brief van 29 april 2016 gereageerd op het wrakingsverzoek. Nu zij de gezichtsuitdrukking van de oudste rechter niet heeft kunnen waarnemen, kan de officier van justitie op dit punt niet reageren.

Voor wat betreft de door de oudste rechter gegeven toelichting, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een en ander niet tot een gerechtvaardigde objectieve vrees voor vooringenomenheid kan hebben geleid, reden waarom het verzoek tot wraking moet worden afgewezen. Volgens de officier van justitie is het de taak van de rechter om gedurende het onderzoek ter terechtzitting aan de hand van de stukken in het dossier en in het kader van de waarheidsvinding kritische vragen te stellen aan de verdachte. Hoewel dit als onprettig kan worden ervaren, geeft dit de verdachte de kans om zijn visie te geven op de stukken in het dossier en de waardering daarvan, aldus de officier van justitie.

5.2

De officier van justitie heeft bij de behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van 2 mei 2016 medegedeeld dat zij bij haar standpunt blijft.

6 De beoordeling

6.1

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.2

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

6.3

De wrakingskamer stelt voorop dat het een strafrechter vrijstaat om een verdachte te confronteren met de onvolledigheid van zijn verklaring en dat de strafrechter zich daarbij mag bedienen van een scherpe en kritische vraagstelling.

In het onderhavige geval heeft de oudste rechter, zoals blijkt uit het proces-verbaal – nadat hij er door verzoeker op werd aangesproken dat hij, gedurende de ondervraging door de voorzitter, naar verzoeker glimlachte – toegelicht “dat hij moest glimlachen omdat hij de indruk krijgt dat verdachte de rechtbank voor het lapje houdt door niet de hele waarheid te vertellen”. Vervolgens heeft de oudste rechter zijn toelichting vervolgd, zoals hiervoor onder 4. (letterlijk) weergegeven.

Als onbestreden staat vast dat de oudste rechter gedurende de ondervraging door de voorzitter heeft geglimlacht. Verzoeker heeft dat ervaren als (uit)lachen. De wrakingskamer kan zich voorstellen dat verzoeker zich hierdoor onheus bejegend heeft gevoeld en dat hij dat als krenkend heeft ervaren. Niet de enkele visie van verzoeker is echter beslissend. De vrees dat het, in het onderhavige geval, de oudste rechter aan onpartijdigheid ontbreekt en dat er sprake is van een zekere schijn van vooringenomenheid, moet objectief gerechtvaardigd zijn. De wrakingskamer is van oordeel dat het (eerdere) glimlachen door de oudste rechter, gecombineerd met de vervolgens door hem als verklaring voor dat glimlachen uitgesproken indruk dat verzoeker de rechtbank voor het lapje houdt door niet de hele waarheid te vertellen, objectief de schijn wekt dat de oudste rechter op dat moment daadwerkelijk die mening had. De wrakingskamer is van oordeel dat het glimlachen in combinatie met de toelichting van de oudste rechter zo dicht aanligt tegen de – eerst na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting te beantwoorden – vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering, dat (ook) sprake is van een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid. De omstandigheid dat de oudste rechter in het vervolg van zijn toelichting uiteen heeft gezet dat hij verzoeker wil bewegen om een meer volledige – en daarmee voor de rechtbank verifieerbare – verklaring af te leggen, maakt het oordeel van de wrakingskamer niet anders.

6.4

Het voorgaande brengt met zich dat, nu iedere schijn van partijdigheid of vooringenomenheid dient te worden vermeden, het verzoek tot wraking van de oudste rechter van de meervoudige strafkamer dient te worden toegewezen.

7 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst toe het verzoek tot wraking van mr. Chr.A.J.F.M. Hensen;

- bepaalt dat het geschorste onderzoek ter zitting in de hoofdzaak met ingang van heden opnieuw een aanvang neemt en schorst dit onderzoek totdat het onderzoek door een andere rechter in deze rechtbank, belast met de behandeling van strafzaken, zal zijn hervat;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn raadsman mr. V.L.T. van Roy;

• de officier van justitie mr. D.M. van Gosen;

• de rechter mr. Chr.A.J.F.M. Hensen.

Aldus ter terechtzitting van deze rechtbank uitgesproken op 13 mei 2016 door mrs.

E. Rabbie, F.J. Verbeek en E.F. Brinkman, in tegenwoordigheid van mr. E. Noorlander als griffier.