Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16840

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-06-2016
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
C/09/510442 / KG RK 16-821
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Toegewezen wrakingsverzoek. De rechter heeft er ter zitting onvoldoende blijk van gegeven dat zij openstond voor het standpunt van verzoekster en, indien daartoe aanleiding bestond, bereid was haar vooraf gevormde voorlopig oordeel over de zaak te herzien. Hoewel de wrakingskamer zeker niet uitsluit dat de rechter daartoe in feite wel bereid was, maakt het vorenstaande dat de wrakingskamer van oordeel is dat het op grond van de omstandigheden zoals deze uit het proces-verbaal blijken, aannemelijk is dat bij verzoekster de objectief gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat de rechter zich in feite al een oordeel had gevormd en onvoldoende openstond voor haar argumenten en aldus vooringenomen jegens haar was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingsnummer 2016/23

zaak-/rekestnummer: C/09/510442 / KG RK 16-821

zaaknummers hoofdzaak: SGR 15/8989 en SGR 15/8990

datum beschikking: 6 juni 2016

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

strekkende tot wraking van:

mr. E. Kouwenhoven,

rechter in de rechtbank Den Haag (hierna: de bestuursrechter).

Belanghebbende is:

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor Den Haag.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1.

Verzoekster heeft op 9 december 2015 beroep ingesteld tegen de beslissingen op bezwaar van belanghebbende van 28 oktober 2015 met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2011 en met betrekking tot de premie inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet voor het jaar 2011.

1.2.

Bij beslissing van 19 februari 2016 heeft de enkelvoudige kamer van deze rechtbank de beroepen zonder mondelinge behandeling niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekster het griffierecht niet (tijdig) had voldaan. Tegen deze beslissing heeft verzoekster bij brief van 29 februari 2016 bij de rechtbank verzet gedaan in de zin van artikel 8:84 Awb.

1.3.

Op 29 april 2016 heeft de mondelinge behandeling van het verzet ten overstaan van de bestuursrechter plaatsgevonden.

1.4.

Bij brief van 29 april 2016, ingekomen ter griffie op 3 mei 2016, heeft verzoekster een verzoek tot wraking van de bestuursrechter ingediend. Bij brief van 10 mei 2016 heeft de bestuursrechter gereageerd op het wrakingsverzoek. Bij brief van 18 mei 2016 heeft verzoekster haar wrakingsverzoek nader toegelicht.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 23 mei 2016 is het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer behandeld. Namens verzoekster is verschenen haar zoon [zoon verzoekster] (hierna: [zoon verzoekster] ). Ter zitting heeft [zoon verzoekster] een brief van deze rechtbank van 29 april 2016 overgelegd. De bestuursrechter is met voorafgaande schriftelijke kennisgeving niet verschenen. Belanghebbende is niet opgeroepen voor de wrakingszitting en is derhalve evenmin verschenen.

3 Het standpunt van verzoekster

Aan het wrakingsverzoek is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. De bestuursrechter heeft ter zitting, onder verwijzing naar contact met de Centrale Balie van deze rechtbank, onjuiste informatie verstrekt over de mogelijkheid om het griffierecht te betalen bij de Centrale Balie van een andere rechtbank dan waar de procedure aanhangig is. Deze informatie stemt niet overeen met informatie die verzoekster heeft gekregen van verschillende Centrale Balies in den lande, waaronder die van deze rechtbank, en van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR). Bovendien is uit mondelinge informatie van medewerkers van de Centrale Balie van deze rechtbank gebleken dat de door de bestuursrechter ter zitting verstrekte informatie niet overeenstemt met hetgeen een medewerker van de Centrale Balie voorafgaand aan de zitting tegen de bestuursrechter zou hebben gezegd over deze wijze van het betalen van het griffierecht. Hierover zou de leidinggevende van de medewerkers van de Centrale Balie een intern
e-mailbericht hebben verzonden, waarover verzoekster niet beschikt. Door dit alles en omdat de bestuursrechter niet direct na ontvangst van de betalingsbewijzen positief heeft beslist op het verzet, heeft verzoekster de indruk dat de bestuursrechter bewust probeert te voorkomen dat de zaak ontvankelijk wordt verklaard. Daarbij merkt [zoon verzoekster] op dat hij in een andere procedure ook de indruk heeft dat hij door de rechtbank Den Haag wordt tegengewerkt.

4 Het standpunt van de bestuursrechter

De bestuursrechter berust niet in de wraking. Zij merkt op dat zij nog niet eerder de situatie was tegengekomen dat het griffierecht was betaald bij de Centrale Balie van een andere rechtbank dan die waar het beroepschrift is ingediend. Ter zitting heeft zij aan verzoekster, althans aan [zoon verzoekster] , voorgehouden dat ingevolge artikel 8:4, vijfde lid, Awb het griffierecht binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier dat het griffierecht verschuldigd is, dient te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij heeft de bestuursrechter meegedeeld dat hieruit zou kunnen volgen dat betaling per kas van het griffierecht moet plaatsvinden bij de Centrale Balie van het gerecht waar de zaak dient. De bestuursrechter stelt naar aanleiding van het ter zitting door [zoon verzoekster] overgelegde betalingsbewijs te hebben opgemerkt dat als de rechtbank Rotterdam de betaling van het griffierecht voor een Haagse zaak heeft geaccepteerd, dit zou betekenen dat verzoekster, ook indien een dergelijke wijze van betaling wettelijk niet juist zou zijn, door die acceptatie zodanig op het verkeerde been zou zijn gezet, dat van niet (tijdige) betaling geen sprake zou zijn. Er is geen sprake van een poging te voorkomen dat de zaak ontvankelijk wordt verklaard.

5 De beoordeling

5.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.3.

De wrakingskamer stelt voorop dat de inhoud van het proces-verbaal niet volledig overeenstemt met de weergave van de gang van zaken ter zitting door de bestuursrechter in reactie op het wrakingsverzoek. De in die reactie vermelde stelling van de bestuursrechter dat zij ter zitting zou hebben opgemerkt dat als de rechtbank Rotterdam de betaling van het griffierecht voor een Haagse zaak heeft geaccepteerd, dit zou betekenen dat verzoekster, ook indien een dergelijke wijze van betaling wettelijk niet juist zou zijn, door die acceptatie zodanig op het verkeerde been zou zijn gezet, dat van niet (tijdige) betaling geen sprake zou zijn, wordt niet bevestigd door de inhoud van het proces-verbaal. In het proces-verbaal is deze stellingname namelijk aan verzoekster ( [zoon verzoekster] ) toegeschreven. Nu het proces-verbaal als uitgangspunt moet worden genomen voor de gang van zaken ter zitting en voornoemde discrepantie ook niet is toegelicht door de bestuursrechter, gaat de wrakingskamer ervan uit dat de bestuursrechter zich niet op voornoemde wijze heeft uitgelaten. Dit komt ook overeen met de door verzoekster gestelde gang van zaken ter zitting in haar brief van 29 april 2016.

5.4.

Vast staat dat de bestuursrechter voorafgaand aan de behandeling ter zitting informatie heeft ingewonnen bij de Centrale Balie en dit ter zitting aan verzoekster ( [zoon verzoekster] ) heeft voorgehouden. Dat zij daarbij bewust de verkregen informatie zou hebben verdraaid ten nadele van verzoekster, acht de wrakingskamer niet aannemelijk geworden.

5.5.

Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, komt veeleer het beeld naar voren dat de bestuursrechter ofwel onjuiste informatie van de Centrale Balie heeft gekregen over de mogelijkheid van het betalen van griffierecht bij de kas van een andere rechtbank dan de rechtbank waar de procedure dient, ofwel de gegeven informatie niet correct heeft geïnterpreteerd. In beide gevallen leidt dit op zichzelf nog niet tot het oordeel dat er sprake is van een gebrek aan onpartijdigheid van de bestuursrechter.

5.6.

Uit het proces-verbaal komt echter wel het beeld naar voren dat de bestuursrechter met een zekere stelligheid heeft meegedeeld dat haar was gebleken dat de namens verzoekster geschetste werkwijze inzake het betalen van griffierecht niet overeenkomt met de werkwijze bij de rechtbank Den Haag, zonder dat daarbij door de bestuursrechter een voorbehoud is gemaakt of te kennen is gegeven naar aanleiding van de uitlatingen zijdens verzoekster nader onderzoek te zullen doen. Dat de bestuursrechter ter zitting een reflectie op haar voorlopig oordeel heeft gegeven aan de hand van hetgeen namens verzoekster naar voren is gebracht, blijkt immers niet uit het proces-verbaal. Dit maakt dat de wrakingskamer van oordeel is dat de bestuursrechter er ter zitting onvoldoende blijk van heeft gegeven dat zij openstond voor het standpunt van verzoekster en, indien daartoe aanleiding bestond, bereid was haar vooraf gevormde voorlopig oordeel over de zaak te herzien.

5.7.

Hoewel de wrakingskamer zeker niet uitsluit dat de rechter daartoe in feite wel bereid was, maakt het vorenstaande dat de wrakingskamer van oordeel is dat het op grond van de omstandigheden zoals deze uit het proces-verbaal blijken, aannemelijk is dat bij verzoekster de objectief gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat de bestuursrechter zich in feite al een oordeel had gevormd en onvoldoende openstond voor haar argumenten en aldus vooringenomen jegens haar was. Dit maakt dat het wrakingsverzoek zal worden toegewezen.

7 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst toe het verzoek tot wraking van mr. E. Kouwenhoven;

- bepaalt dat het geschorste onderzoek ter zitting in de hoofdzaak met ingang van heden opnieuw een aanvang neemt en schorst dit onderzoek totdat het onderzoek door een andere rechter in deze rechtbank, belast met de behandeling van verzetzaken, zal zijn hervat;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:

• de verzoekster, [verzoekster] ;

• de belanghebbende in de hoofdzaak, de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor Den Haag;

• de rechter, mr. E. Kouwenhoven.

Deze beslissing is gegeven door mrs. E.A.G.M. van Rens, H.M.D. de Jong en R. Cats, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.I. Geerling als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2016.