Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1684

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
09/837031-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bewezenverklaring meineed

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/837031-15

Datum uitspraak: 17 februari 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

verblijfadres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 2 november 2015 en 3 februari 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte

mr. W.H.R. Hogewind, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 juli 2014 te Den Haag bij de Rechter-Commiissaris op 11 juli 2014, als getuige gehoord zijnde tegen [verdachte in andere strafzaak] (parketnummer 09/827130-13), nadat hij op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, in elk geval een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling persoonlijk opzettelijk vals en ten dele in strijd met de waarheid - zakelijk weergeven- heeft verklaard dat hij op of rondom 30 augustus 2013 te Amsterdam op straat is bedreigd door een of meerdere mannen en dat die bedreiging ging over zijn dochter en/of dat hij vervolgens meerdere malen getracht heeft [verdachte in andere strafzaak] te bellen en/of vervolgens de voicemail van die [verdachte in andere strafzaak] heeft ingesproken.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Verdachte heeft op 11 juli 2014 bij de rechter-commissaris een getuigenverklaring, deels onder ede, afgelegd in de zaak van toenmalige verdachte [verdachte in andere strafzaak] (hierna: [verdachte in andere strafzaak] ). Nadien heeft mr. J.P. Plasman, namens [verdachte in andere strafzaak] , op 4 augustus 2014 aangifte gedaan van onder andere het plegen van meineed door verdachte bij voornoemd verhoor. Verdachte ontkent dat hij een (deels) valse verklaring heeft afgelegd bij de rechter-commissaris.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachtes opzet nimmer gericht was op het afleggen van een valsheid. Verdachte heeft immers altijd naar eer en geweten de waarheid gesproken voor zover hem bekend was. Dat verdachte niet meer precies wist wanneer de bedreiging had plaatsgevonden en wanneer hij daarna naar [verdachte in andere strafzaak] had gebeld kwam door de schok en stress waarin hij zich bevond na die bedreiging. Voorts kan de taalbarrière reden zijn geweest dat zijn verklaring onjuist is geverbaliseerd. Verdachte kon daardoor het proces-verbaal niet op inhoud controleren. Dit was ook de reden dat verdachte bij de inhoudelijke behandeling van onderhavige zaak door een tolk in de Engelse taal wenste te worden bijgestaan, zodat hij de vertaling aan de rechtbank deze keer wel kon controleren.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Verdachte heeft op 10 januari 2014 een verklaring afgelegd bij de politie als aangever. Hij heeft toen onder meer verklaard dat zijn [bedrijf] gevestigd is aan de [adres] te Amsterdam. Medio augustus (de rechtbank begrijpt: medio augustus 2013) zou hij door een man zijn gebeld vanaf een Montenegrijns telefoonnummer en hij zou met diegene een gesprek hebben gevoerd. Ongeveer 10 dagen na dat gesprek was verdachte volgens deze verklaring van zijn kantoor weggegaan aan de [adres] en naar zijn auto gelopen die ongeveer 200 meter verderop stond. Op dat moment kwamen er twee mannen op hem af, waarvan er eentje zijn hand pakte. Door één van hen zou zijn gezegd: “Waarom laat je die man niets van je horen, als we je zoeken? Waarom betaal je het geld niet terug?”. Toen hij vroeg wie zij waren en wie zij zochten zou diezelfde man hebben gezegd dat verdachte wist dat hij “ [verdachte in andere strafzaak] ” (de rechtbank begrijpt: [verdachte in andere strafzaak] ) geld schuldig was. Ook werd hem gezegd dat ze niet nog eens voor niets moesten komen. Vervolgens zou die man verdachte een foedraal van een pistool hebben laten zien. Op enig moment zou verdachte zich hebben weggerukt, een café binnen zijn gelopen en daar 45 minuten hebben gewacht. Dit alles zou “midden op de dag” hebben plaatsgevonden. Vervolgens heeft verdachte verklaard: “Eenmaal buiten gekomen heb ik gebeld met [verdachte in andere strafzaak] . Ik zei hem of hij wel normaal was en dat hij mensen met wapens op mij had afgestuurd. Ik vertelde hem dat hij een ziek mens was.”. Over het bellen verklaarde aangever dat hij de eerste keer de voicemail kreeg van [verdachte in andere strafzaak] , ook de tweede keer en dat hij bij de derde keer op de voicemail een bericht had achtergelaten “dat hij gewapende mensen op mij had afgestuurd en dat hij een ziek mens was”. Hij had het telefoonnummer 06-53886040 gebeld om [verdachte in andere strafzaak] te bereiken. Vijf minuten nadat hij het voicemailbericht had ingesproken zou verdachte een sms-bericht hebben gekregen van [verdachte in andere strafzaak] in de Engelse taal dat luidde “I hear your voicemail. I have no idea what you are talking about.”. Daarna heeft verdachte geen contact meer gehad met het nummer van [verdachte in andere strafzaak] , aldus verdachte.2

Uit de historische telefoongegevens van het telefoonnummer van verdachte (06-51206832) volgt niet dat verdachte, vanuit Amsterdam, in de periode van 7 augustus 2013 tot en met 17 september 2013 telefonisch contact heeft gehad met het veronderstelde telefoonnummer van [verdachte in andere strafzaak] (06-53886040). Het enige contact tussen die telefoonnummers in die periode vond plaats op 30 augustus 2013, maar toen bevond de telefoon van verdachte zich in Den Haag.3

Op die 30 augustus 2013 waren er vier contacten tussen voornoemde telefoonnummers:

- uitgaand vanaf de telefoon van verdachte – 10:56:56 uur – duur van 4 seconden – locatie zendmast telefoon verdachte Binckhorstlaan [nummer] te Den Haag;

- uitgaand vanaf de telefoon van verdachte – 10:58:24 uur – duur van 47 seconden – locatie zendmast telefoon verdachte Binckhorstlaan [nummer] te Den Haag;

- uitgaand vanaf de telefoon van verdachte – 11:01:22 uur – duur van 48 seconden – locatie zendmast telefoon verdachte Binckhorstlaan [nummer] te Den Haag;

- SMS-bericht inkomend op de telefoon van verdachte – 11:33:52 uur – locatie zendmast telefoon verdachte Van Limburg Stirumstraat [nummer] Den Haag.4

De drie uitgaande gesprekken werden doorgeschakeld naar de voicemail van het ontvangende – veronderstelde – telefoonnummer van [verdachte in andere strafzaak] .5Het SMS-bericht luidde als volgt: “[verdachte] , Just heard your voicemail and I have no idea what you are talking about. We are in court proceedings so all communication via my lawyer, [verdachte in andere strafzaak]”.6

Op perceel [adres] te Amsterdam – waar verdachtes bedrijf volgens zijn verklaring gevestigd was – is een filiaal van [B.V.] . gevestigd waar kantoorruimte wordt verhuurd. Uit de door [B.V.] verstrekte informatie over het door verdachte huren van een (virtueel) dagkantoor volgt dat hij op de data 1 september 2012, 10-11-21-31 januari 2013, 8 februari 2013, 5 april 2013, 24 juli 2013 en 1 september 2013 aldaar kantoorruimte had gehuurd, maar niet in augustus 2013.7

Tussenconclusies

Naar het oordeel van de rechtbank wordt de verklaring van verdachte – dat hij (10 dagen na) medio augustus 2013 in Amsterdam zou zijn bedreigd en dat hij daarover direct met [verdachte in andere strafzaak] telefonisch contact heeft gehad – niet ondersteund door de bevindingen van de politie. Voor zover er telefonisch contact is geweest tussen de telefoons van verdachte en [verdachte in andere strafzaak] in de periode van 7 augustus 2013 tot en met 17 september 2013 is gebleken dat enkele contact plaatsvond op 30 augustus 2013, terwijl de telefoon van verdachte toen zendmasten in Den Haag aanstraalde en dus niet in Amsterdam (waar de bedreiging plaats zou hebben gevonden). Dat verdachte meermalen telefonisch contact heeft gezocht, dat hij enkel de voicemail had bereikt en dat hij zeer kort na die contacten een sms-bericht terug had ontvangen vindt wel steun in de historische telefoongegevens, doch die contacten hebben alleen op 30 augustus 2013 plaatsgevonden, toen de telefoon van verdachte in Den Haag zendmasten aanstraalde. De inhoud van het aan verdachte verstuurde SMS-bericht komt voorts overeen met de verklaring van verdachte over de strekking van de reactie die [verdachte in andere strafzaak] per SMS-bericht aan hem zou hebben gestuurd. Tot slot volgt uit de informatie verstrekt door [B.V.] dat verdachte noch op 30 augustus 2013 noch op een andere datum in augustus 2013 kantoorruimte heeft gehuurd op de Herenstraat te Amsterdam. Ter zitting heeft verdachte – kort gesteld - verklaard dat hij niet in die periode bij [B.V.] geregistreerd staat nu hij de ruimte aan de [adres] onder omstandigheden gratis kon gebruiken voor afspraken. De rechtbank acht deze verklaring, gelet op het commerciële karakter van de verhuurorganisatie, niet aannemelijk. Overigens heeft verdachte ter terechtzitting van 3 februari 2016 nog aangegeven dat voormelde bedreiging heeft plaatsgevonden na de vakantie in Italië en dat deze vakantie in 2013 heeft plaatsgevonden na de schoolvakanties.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit voormelde omstandigheden – in onderling samenhang bezien – dat verdachte op 10 januari 2014 bij de politie een valse verklaring heeft afgelegd door in strijd met de waarheid te verklaren dat hij in Amsterdam op straat is bedreigd en vervolgens [verdachte in andere strafzaak] heeft gebeld. Die bedreiging is immers op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Niet is voorts gebleken dat verdachte met zijn telefoon vanuit Amsterdam contact heeft gezocht met [verdachte in andere strafzaak] . Daarentegen is wel gebleken van voormelde contacten tussen de telefoon van verdachte en de telefoon van [verdachte in andere strafzaak] op 30 augustus 2013, waarbij de telefoon van verdachte telefoonmasten in Den Haag aanstraalde en die telefoon zich derhalve niet in Amsterdam bevond.

Verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris op 11 juli 2014

Verdachtes verklaring bij de rechter-commissaris in de zaak van [verdachte in andere strafzaak] (met parketnummer 09/827130-13)8 bestaat uit 35 punten. Hij heeft tussen de punten 14 en 15 de belofte afgelegd “dat hij de waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen”.9 Voorts heeft hij onder punt 15 geantwoord dat hij bleef bij wat hij tot dan toe had verklaard (de rechtbank begrijpt: wat verdachte had verklaard bij de punten 1 t/m 14).10 Verdachtes antwoord onder punt 15 maakt naar het oordeel van de rechtbank dat hij zijn voorgaande antwoorden onder ede heeft herhaald.

Verdachtes verklaring bij de rechter-commissaris hield onder meer het volgende in:

Punt 5: U houdt mij voor dat u uit het dossier afleidt dat ik op enig moment [verdachte in andere strafzaak] heb gebeld omdat ik was bedreigd door twee mannen en dat ik toen zijn voicemail heb ingesproken. Ik heb [verdachte in andere strafzaak] twee keer gebeld, ik kan mij niet herinneren of ik een boodschap heb achtergelaten.[…] 11

Punt 7: De telefoontjes die ik heb gepleegd heb ik in Den Haag gepleegd, terwijl [betrokkene] naast mij in de auto zat […] 12

Punt 8. U vraagt mij hoelang na die bedreiging op straat ik [verdachte in andere strafzaak] belde vanuit de auto. Ik denk een maand of anderhalve maand daarna. Ik kan mij dat niet precies herinneren[…] 13

Punt 10: […] Ik heb [verdachte in andere strafzaak] gebeld toen ik met [betrokkene] in de auto zat in Den Haag […] Ik heb hem ook nog een keer gebeld, een maand of langer daarvoor, nadat ik bedreigd was op straat in Amsterdam. Ik heb hem dus ook direct na die bedreiging gebeld.[…] 14

Punt 12: […] Ik blijf erbij dat ik in Amsterdam was toen ik naar [verdachte in andere strafzaak] belde.[…] 15

Voorts heeft verdachte blijkens punt 21 als volgt verklaard:

U vraagt mij om die reden nogmaals of de bedreiging op straat in Amsterdam echt heeft plaatsgevonden. Ja, daar blijf ik bij.16

Eindconclusies

De rechtbank is op grond van al het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend is dat verdachte mondeling persoonlijk op 11 juli 2014 bij de rechter-commissaris onder ede valselijk, als getuige in de zaak van [verdachte in andere strafzaak] , heeft verklaard:

- dat hij te Amsterdam op straat was bedreigd door mannen en

- dat hij vervolgens meerdere malen getracht heeft [verdachte in andere strafzaak] te bellen.

Verdachte heeft gezien het voorgaande in de wetenschap dat hij niet naar waarheid zou verklaren die verklaring toch onder ede bij de rechter-commissaris afgelegd.

Partiële vrijspraak

Op onderdelen wordt verdachte vrijgesproken. Daartoe is van het volgende van belang. Voor zover verdachte verweten wordt dat hij heeft verklaard over de datum 30 augustus 2013 (dan wel deze datum heeft bevestigd), overweegt de rechtbank dat hij nimmer bij de rechter-commissaris over die specifieke datum heeft verklaard. Sterker nog, onder punt 13 heeft verdachte zijn twijfels geuit over die datum, die hem toen werd voorgehouden. Verdachte werd die datum wel meerdere malen elders voorgehouden, maar de vragen die daarop volgden waren nimmer specifiek gericht op de bevestiging van die datum door verdachte. Voor zover verdachte verweten wordt dat hij heeft verklaard dat de bedreiging ging over zijn dochter, overweegt de rechtbank dat verdachte onder punt 24 heeft verklaard dat de mannen niets over zijn dochter hadden gezegd en dat hij zelf de situatie aan zijn dochter had gekoppeld. Van deze onderdelen zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

hij op 11 juli 2014 te Den Haag bij de Rechter-Commissaris, als getuige gehoord zijnde tegen [verdachte in andere strafzaak] (parketnummer 09/827130-13), nadat hij op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, mondeling persoonlijk opzettelijk vals en in strijd met de waarheid - zakelijk weergeven - heeft verklaard dat hij te Amsterdam op straat is bedreigd door mannen en dat hij vervolgens meerdere malen getracht heeft

[verdachte in andere strafzaak] te bellen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

in de gevallen, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot:

- een taakstraf van 150 uren en

- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meineed.

Een meineed ten overstaan van een rechter ondermijnt de waarheidsvinding in een strafzaak, hetgeen niet alleen de zaak in kwestie, maar ook het algemeen belang raakt. Indien iemand, zoals verdachte, belooft dan wel zweert, om de waarheid te vertellen en niets anders dan de waarheid, ligt daarin de waarborg besloten dat ook daadwerkelijk conform de waarheid zal worden verklaard.

Door in een strafzaak te verklaren dat er een bedreiging had plaatsgevonden, in opdracht de persoon tegen wie die strafzaak liep, kon die verklaring van verdachte als bewijsmiddel worden gebruikt in de zaak tegen die persoon. Dit had tot gevolg kunnen hebben dat diegene op grond van onwaarheden veroordeeld zou worden. Dit geldt temeer nu hetgeen verdachte valselijk heeft verklaard ziet op de kern van de beschuldiging van bedreiging. De valsheden betroffen dan ook niet iets triviaals. De rechtbank rekent verdachte het voorgaande zwaar aan.

De verdachte is – blijkens een hem betreffend uittreksel uit het documentatieregister

d.d. 5 januari 2016 – niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank voorts rekening met het tijdsverloop, omdat het onderzoek al een jaar geleden was afgerond, na verdachtes verklaring in januari 2015.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat gelet op de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder deze is begaan, enkel kan worden volstaan met een grotendeels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van nader te noemen duur.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c en 207 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

in de gevallen, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 1 (één) maand, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.W. de Wit, voorzitter,

mr. A.P. Pereira Horta, rechter,

mr. M. van Seventer, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Zelst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 februari 2016.

Mr. M. van Seventer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal –ongenummerd-, van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche (doorgenummerd blz. 1 t/m 92 en deels ongenummerd).

2 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 67 en 68.

3 Proces-verbaal van bevindingen – Meineed/Valse aangifte [verdachte] , proces-verbaalnummer 2015.0513.0845, -geen pagina nummer-, p. 1 van dat proces-verbaal.

4 Proces-verbaal van bevindingen – Meineed/Valse aangifte [verdachte] , proces-verbaalnummer 2015.0513.0845, -ongenummerd-, bijlage 1, p. 2 van die bijlage.

5 Proces-verbaal van bevindingen – Meineed/Valse aangifte [verdachte] , proces-verbaalnummer 2015.0513.0845, -ongenummerd-, bijlage 2 (proces-verbaal van bevindingen 201401130955), p. 2 van die bijlage.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 74 en 75.

7 Proces-verbaal van bevindingen, met e-mailbijlage, p. 77 en 79.

8 Proces-verbaal van de rechter-commissaris, d.d. 11 juli 2014.

9 Verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris op 11 juli 2014, tussen punten 14 en 15, p. 12

10 Verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris op 11 juli 2014, punt 15, p. 12.

11 Verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris op 11 juli 2014, punt 5, p. 10.

12 Verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris op 11 juli 2014, punt 7, p. 10.

13 Verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris op 11 juli 2014, punt 8, p. 10.

14 Verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris op 11 juli 2014, punt 10, p. 11.

15 Verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris op 11 juli 2014, punt 12, p. 12.

16 Verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris op 11 juli 2014, punt 21, p. 13.