Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16835

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
C/09/523157 / KG RK 16-2150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking. Verzoek te laat gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2016/69

zaak-/rekestnummer: C/09/523157/KG RK 16-2150

zaak-/rolnummer hoofdzaak: 4530729 RL EXPL 15-31219

datum beschikking: 23 december 2016

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mr. Y.E. KASTEIN,

kantonrechter in de rechtbank Den Haag.

Belanghebbende:

de naamloze vennootschap ANDERZORG N.V.,

door splitsing rechtsopvolgster onder algemene titel van de onderlinge waarborgmaatschappij AnderZorg U.A.,

gevestigd te Wageningen en kantoorhoudende te Groningen,

gemachtigde: de besloten vennootschap Landelijke Associatie Van Gerechtsdeurwaarders B.V. te Groningen.

Partijen worden hierna aangeduid met ‘ [verzoeker] ’, ‘de kantonrechter’ en ‘AnderZorg’.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1.

Bij exploot van 24 september 2015 is [verzoeker] door AnderZorg gedagvaard om op 29 oktober 2015 in persoon of bij gemachtigde te verschijnen ter civiele openbare terechtzitting van de rechtbank Den Haag, kamer voor kantonzaken, locatie Den Haag. AnderZorg vordert betaling door [verzoeker] van een bedrag van € 174,13 te vermeerderen met rente en kosten wegens achterstallige betaling van premie en/of eigen risico met betrekking tot een ziektekostenverzekering.

1.2.

Na de conclusie van antwoord van 20 december 2015, de conclusie van repliek van 3 februari 2016, de conclusie van dupliek van 4 april 2016, de akte uitlating van AnderZorg van 23 mei 2016 en de antwoordakte van [verzoeker] van 18 juli 2016, heeft de kanton-rechter bij tussenvonnis van 12 september 2016 de zaak verwezen naar de rol van 10 oktober 2016, om AnderZorg alsnog in de gelegenheid te stellen te reageren op een door [verzoeker] bij akte van 18 juli 2016 in het geding gebrachte productie. Op de rol van 10 oktober 2016 heeft AnderZorg een akte, zonder producties, genomen. Vervolgens is vonnis bepaald op 7 november 2016 hetgeen aan [verzoeker] en AnderZorg is meegedeeld bij brief van 10 oktober 2016. Bij brief van 7 november 2016 is aan beide partijen meegedeeld dat de kantonrechter de uitspraak heeft aangehouden tot de terechtzitting van 5 december 2016.

1.3.

Op 2 december 2016 is ter griffie ingekomen een schriftelijk verzoek tot wraking van de behandelend kantonrechter, mr. Kastein voornoemd, ingediend door [verzoeker] .

2 De behandeling van het wrakingsverzoek

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is vastgesteld op 19 december 2016. Bij brief van 14 december 2016 heeft gemachtigde [gemachtigde] , namens AnderZorg, bericht niet bij de behandeling van het wrakingsverzoek aanwezig te zullen zijn. De kantonrechter heeft haar standpunt met betrekking tot het wrakingsverzoek op 16 december 2016 schriftelijk kenbaar gemaakt en daarbij tevens aangegeven geen gebruik te maken van de gelegenheid tot het bijwonen van de zitting. [verzoeker] heeft bij e-mailbericht van 16 december 2016 eveneens meegedeeld niet op de terechtzitting aanwezig te zullen zijn. Het wrakingsverzoek is zo doende buiten aanwezigheid van betrokkenen behandeld.

3 Het standpunt van verzoeker

3.1.

Aan het wrakingsverzoek is door [verzoeker] - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.

De kantonrechter heeft hem niet in de gelegenheid gesteld om te reageren op de door AnderZorg op 10 oktober 2016 genomen akte, terwijl de kantonrechter AnderZorg eerder wel in de gelegenheid heeft gesteld om op de door [verzoeker] op 12 september 2016 genomen akte te reageren.

3.3.

Voorts heeft AnderZorg op de rolzitting van 23 mei 2016 een gecorrigeerde conclusie van repliek genomen, met het verzoek aan de kantonrechter om die gecorrigeerde conclusie van repliek alsnog in behandeling te nemen. De kantonrechter heeft niet gereageerd en hierdoor stilzwijgend de gecorrigeerde conclusie van repliek toegelaten. [verzoeker] heeft in zijn antwoordakte van 18 juli 2016 aangegeven het er niet mee eens te zijn dat AnderZorg in de gelegenheid is gesteld om haar foutieve conclusie van repliek te herstellen. Op de antwoordakte van [verzoeker] heeft de kantonrechter niet gereageerd.

4 Het standpunt van de kantonrechter

De kantonrechter meent dat [verzoeker] niet zo tijdig als van hem mocht worden verwacht zijn verzoek tot wraking heeft gedaan. De gronden van zijn verzoek tot wraking waren [verzoeker] bekend op of kort na de datum dat hem het rolbericht van 10 oktober 2016 bereikte dat de zaak werd verwezen voor vonnis. Voorts - subsidiair - meent de kantonrechter dat in het algemeen (onvrede over) een processuele beslissing geen grond voor wraking oplevert. Nu niet is gebleken van zwaarwegende aanwijzingen die grond geven te vrezen dat het haar aan onpartijdigheid ontbreekt of waardoor de schijn van vooringenomenheid jegens [verzoeker] is gewekt, dient het verzoek te worden afgewezen, aldus de kantonrechter.

5 De beoordeling

5.1.

Op grond van artikel 37 lid 1 Rv dient een verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

5.2.

De wrakingskamer stelt vast dat [verzoeker] bij brief van 10 oktober 2016 een kopie is toegezonden van de door AnderZorg op dezelfde datum genomen akte. Hem is daarbij meegedeeld dat de kantonrechter heeft bepaald dat de uitspraak van het vonnis zal geschieden op de rolzitting van maandag 7 november 2016. Bij brief van 7 november 2016 is [verzoeker] meegedeeld dat de kantonrechter de uitspraak heeft aangehouden tot de terechtzitting van maandag 5 december 2016.

5.3.

Aan het wrakingsverzoek is ten grondslag gelegd dat [verzoeker] niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op de akte van de zijde van AnderZorg van 10 oktober 2016. Deze omstandigheid is hem bij of kort na ontvangst van de brief van 10 oktober 2016 bekend geworden. Daarnaast is aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat AnderZorg op de rolzitting van 23 mei 2016 een gecorrigeerde conclusie van repliek heeft genomen, met het verzoek aan de kantonrechter om die gecorrigeerde conclusie van repliek alsnog in behandeling te nemen, waarop de kantonrechter niet heeft gereageerd en dat [verzoeker] in zijn antwoordakte van 18 juli 2016 heeft aangegeven het er niet mee eens te zijn dat AnderZorg in de gelegenheid is gesteld om haar foutieve conclusie van repliek te herstellen, waarop de kantonrechter eveneens niet heeft gereageerd. Dit zijn omstandigheden die [verzoeker] in elk geval bij ontvangst van het tussenvonnis van 12 september 2016 kenbaar zijn geworden.

5.4.

Nu het verzoek tot wraking pas op 2 december 2016 bij de rechtbank is binnengekomen en [verzoeker] geen verklaring heeft gegeven waarom hij om en nabij twee maanden heeft gewacht met het indienen ervan, is de wrakingskamer van oordeel dat het verzoek tot wraking niet tijdig is gedaan.

5.5.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [verzoeker] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn verzoek tot wraking van de kantonrechter.

6 De beslissing

De wrakingskamer:

- verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking,

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• [verzoeker] ,

• AnderZorg, p/a haar gemachtigde,

• de kantonrechter.

Deze beslissing is gegeven door mr. E.A.G.M. van Rens, mr. T.F. Hesselink en mr. H.W. Vogels, rechters, in tegenwoordigheid van J. Kriense Lokker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.