Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16834

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-01-2016
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
4303058
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wegens het vermelden van stellingen in de dagvaarding, waarvan eiser wist dat die in strijd met de waarheid waren, wordt eiser in de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten van gedaagde veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team kanton Leiden/Gouda

Zittingsplaats Leiden

DL

Rolnr.: 4303058 \ CV EXPL 15-4332

Datum: 20 januari 2016

Vonnis in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te Noordwijk ZH,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. V.J.M.H.Y. van Haaster,

tegen

  1. de vennootschap onder firma V.O.F. Architektenbureau Piet Onderwater & Partners,

  2. de besloten vennootschap Pocomp B.V., vennoot van de V.O.F.,

  3. de besloten vennootschap Kemar Bouwsupport B.V., vennoot van de V.O.F.,

  4. de besloten vennootschap Architectenburo Piet Onderwater B.V., vennoot van de V.O.F.,

alle gevestigd te Rijnsburg,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

gemachtigde: mr. C.C.J. Hiebendaal.

Partijen worden aangeduid als “ [eiser] ” en “Onderwater c.s.” (gedaagde partijen in conventie en eisende partijen in reconventie gezamenlijk, hierna mannelijk enkelvoud).

1 Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 13 juli 2015, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie,

- aantekeningen van de griffier van het verhandelde ter comparitie van partijen d.d. 26 november 2015.

2 Overwegingen

2.1.

Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken gaat de kantonrechter van het volgende uit:

De heer [betrokkene] heeft op 23 januari 2012 een brief gezonden aan de heer [betrokkene] , directeur van Euraco B.V., met – voor zover hier relevant – de volgende inhoud:

“Hierbij bevestig ik de openstaande kwestie over de facturering voor de werkzaamheden die ik in opdracht van de heer [eiser] . [eiser] voor zijn rekening heb uitgevoerd, zoals dit ook bij het project Volendam is gedaan. Een overzicht van de openstaande facturen, voor een bedrag ad € 19.478,71 zal hier bij worden gevoegd.

Op alle tekeningen is daarbij de aanvrager zijnde [eiser] /Rembrand Park Beheer ook daarom vermeld.

Van het begin (oktober 2010) zijn wij er vanuit gegaan dat de heer [eiser] als opdrachtgever fungeerde en zijn alle gegevens ook aan hem verstrekt, maar vorig jaar begin december kregen wij van de heer [eiser] te horen dat hij niet van plan is om de rekeningen hiervoor te voldoen nadat we hem een betalingsherinnering hadden gestuurd naar zijn privéadres in Noordwijk.”

2.2.

[eiser] vordert in conventie dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht wordt verklaard dat Onderwater c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade, nader op te maken bij staat, danwel dat een onafhankelijke deskundige wordt benoemd die de schade vaststelt in onderhavige procedure, danwel dat wordt bepaald zoals de kantonrechter in goede justitie meent te behoren te bepalen;

II. dat Onderwater c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot op de schade, zoals de kantonrechter in goede justitie meent te behoren vast te stellen;

III. dat Onderwater c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW, vanaf de dag dat hij onrechtmatig heeft gehandeld dan wel vanaf de datum van dagvaarding;

IV. dat Onderwater c.s. hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

2.3.

[eiser] legt, samengevat, het volgende aan zijn vorderingen in conventie ten grondslag. [eiser] heeft diverse financiële geschillen met de heer [betrokkene] . [betrokkene] , directeur van het projectbureau Euraco B.V., (hierna: [betrokkene] ) waarvan 30% van de aandelen middellijk via Merquance B.V. in het bezit van [eiser] zijn. Onderwater c.s. heeft van [betrokkene] , namens Euraco, een opdracht aanvaard tot het voorbereiden/tekenen van een nieuwbouwplan in Amsterdam ten behoeve van onder meer een Aldi of Lidl supermarkt plus nieuwe bovenwoningen. De huidige panden van Merquance B.V., waarvan [eiser] directeur is, zouden daarvoor alle moeten worden gesloopt. [betrokkene] is buiten [eiser] en Merquance B.V. om in overleg getreden met de eigenaren van het buurpand van Merquance B.V. teneinde een grotere supermarkt te kunnen realiseren. Op 27 oktober 2011 heeft Euraco B.V. de grond van het buurpand verworven en direct doorgeleverd aan Vastgoed Batenburg B.V. [betrokkene] heeft namens Euraco B.V. opdrachten verstrekt voor de voorbereiding van het supermarktcomplex. [eiser] is hier nooit bij betrokken geweest en zou in zijn hoedanigheid van directeur van Merquance B.V. uitsluitend het te slopen onroerend goed aan Euraco B.V. verkopen. Merquance B.V. zou nimmer als projectontwikkelaar optreden.

[betrokkene] heeft in 2010 in privé een lening van € 40.000,-- bij [eiser] afgesloten. Deze lening was bestemd om het op de tweede woning van [betrokkene] gelegde beslag te doen opheffen. Omdat [betrokkene] (in privé) weigerde de rente en aflossing aan [eiser] en Merquance B.V. te voldoen, hebben [eiser] en Merquance B.V. het faillissement van [betrokkene] aangevraagd. Het verzoek daartoe is door de voorzieningenrechter van de rechtbank afgewezen o.a. omdat ter zitting een verklaring van Onderwater werd overgelegd, waaruit zou blijken, dat niet Euraco B.V. de opdracht voor de tekeningen van de supermarkt zou hebben verstrekt maar [eiser] in privé.

[eiser] heeft nimmer opdracht verstrekt aan Onderwater. Wel heeft Onderwater c.s. getracht op 9 november 2011 [eiser] als directeur van Euraco B.V. aan te merken en in die hoedanigheid vervolgens een herinnering voor nooit verstuurde facturen naar het privéadres van [eiser] te sturen. Onderwater wist vermoedelijk van de hiervoor beschreven koop en verkoop door Euraco B.V. en van de hieruit voortvloeiende geschillen tussen [eiser] en [betrokkene] . Door moedwillig een bewust onjuiste verklaring op te stellen, dat [eiser] de opdrachtgever was, heeft Onderwater c.s. schade aan [eiser] toegebracht. Dit klemt te meer nu Onderwater c.s. wist of kon vermoeden dat zijn oordeel (mede) ten grondslag zou worden gelegd aan het standpunt van de voorzieningenrechter. Die rechter is dus bewust op het verkeerde been gezet.

Gezien het vorenstaande is [eiser] van mening dat Onderwater c.s. onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden, lijdt en zal lijden. [eiser] heeft Onderwater c.s. daarom een aansprakelijkstelling gezonden per aangetekend schrijven op 18 september 2014. Doordat Onderwater heeft verklaard dat hij een vordering heeft op [eiser] en deze vordering laat betalen door [betrokkene] /Euraco B.V., wordt [eiser] belemmerd in zijn incassering van zijn vordering van € 40.000,--. Er ontstaat hierdoor voor tenminste € 19.478,71 aan schade, bestaande uit niet verschuldigde architectenhonoraria. Het causaal verband tussen de gedraging/verklaring van Onderwater c.s. en de schade is hiermee een gegeven.

2.4.

Onderwater c.s. voeren in conventie, samengevat, het volgende verweer. Merquance B.V., waarvan [eiser] directeur en (indirect) aandeelhouder is, is eigenares van een complex bovenwoningen en bedrijfsruimten op de begane grond, gelegen te Amsterdam. Dit complex ligt tussen twee straten, te weten de Jan Hanzenstraat en de Wenslauerstraat. Die beide straten liggen evenwijdig aan elkaar en komen uit op de Ten Katestraat. Het complex is niet gelegen aan de Ten Katestraat, omdat tussen het complex en de Ten Katestraat een ander complex is gelegen, eveneens bestaande uit bedrijfsruimten op de begane grond en bovenwoningen. Dat andere complex was eigendom van de heer [betrokkene] . [betrokkene] had een bouwplan laten opstellen voor 16 nieuwbouwbovenwoningen, verdeeld over vier etages en voor vijf winkelunits op de begane grond. Dat bouwplan was al jaren geleden ingediend, maar de behandeling van de aanvraag had grote vertraging opgelopen in verband met de vele bezwaren, die daartegen waren ingediend. Door de recessie kreeg [betrokkene] bovendien zijn bouwplan financieel niet rond, naar aanleiding waarvan hij het complex met bouwplan te koop aanbood in de markt.

Voor zover Onderwater c.s. het goed heeft begrepen, is bij [betrokkene] het idee opgekomen om op de begane grond van het complex van [eiser] een supermarkt te vestigen en daarvoor een entree te creëren aan de Ten Katestraat. Het complex zou dan worden gesloopt en worden vervangen door nieuwbouw met op de begane grond één grote bedrijfsruimte ten behoeve van de supermarkt en met bovenwoningen. Voor de te creëren entree aan de Ten Katestraat was dan wel nodig, dat het complex van [betrokkene] zou kunnen worden aangekocht. Dat bouwplan was nog niet vergund. Het nieuwbouwplan van [eiser] kon dan worden afgestemd op het nieuwbouwplan van [betrokkene] . [eiser] zou dat idee van [betrokkene] hebben omarmd en aan [betrokkene] hebben gevraagd om een en ander met en namens hem uit te werken. In overleg met [eiser] heeft [betrokkene] in eerste instantie Onderwater c.s. in mei 2010 benaderd. Onderwater c.s. was op dat moment al bezig met een ander project van [eiser] inzake een complex woningen, gelegen aan de Tweede Boerhaavestraat te Amsterdam. Bij dat project was Euraco B.V. de hoofdaannemer. Ook voor dat project was Onderwater c.s. benaderd door Euraco/ [betrokkene] namens [eiser] , die dat project liet ontwikkelen en verbouwen. Onderwater c.s. was bij dit project betrokken, omdat er problemen waren ontstaan tijdens de bouwwerkzaamheden. Onderwater c.s. factureerde de ten behoeve van het Boerhaaveproject verrichte werkzaamheden op verzoek van [eiser] aan Euraco, waarna de facturen door [eiser] werden betaald. Er bestond bij Onderwater c.s. derhalve geen enkele twijfel toen [betrokkene] /Euraco aan hem de opdracht gaf “namens [eiser] ” inzake het te ontwerpen bouwplan voor de nieuwbouw van de bovenwoningen en de supermarkt aan de kop van de Jan Hanzestraat/Weslauerstraat/Ten Katestraat.

Op verzoek van [eiser] heeft Onderwater c.s. een prijsopgave/offerte opgesteld, die op 18 juni 2010 aan [eiser] is toegezonden. Onderwater c.s. ging uit van dezelfde opdrachtgever als voorheen en richtte de offerte aan Rembrandtpark Beheer B.V. [eiser] heeft daarop niet gereageerd met de mededeling, dat niet hij of Rembrandtpark Beheer B.V. de opdrachtgever was, maar [betrokkene] /Euraco. Toen de offerte werd uitgebracht had Onderwater c.s. al de nodige werkzaamheden verricht. De offerte werd akkoord bevonden. Vervolgens heeft Onderwater c.s. het bouwplan verder ontworpen, in verband waarmee onder meer tekeningen zijn vervaardigd en presentatie-impressies. Het ontwerp-bouwplan is op of omstreeks juli 2010 bij de gemeente ingediend en is door de gemeente doorgezonden naar Welstand. Nadien heeft Welstand het bouwplan goedgekeurd op 25 augustus 2010. Onderwater c.s. heeft op 2 november 2010, 1 februari 2011 en 2 maart 2011 in totaal vijf facturen ingediend bij Euraco B.V. Op de facturen wordt verwezen naar de prijsopgave van 18 juni 2010. [eiser] heeft Onderwater c.s. verzocht om de facturen op naam te zetten van Euraco B.V. [eiser] was wel degelijk direct betrokken bij de voorbereiding en het ontwerp van het nieuwbouwplan. Onderwater c.s. heeft ook steeds met hem daarover gecommuniceerd. In de periode dat de opdracht aan Onderwater c.s. werd verstrekt en de werkzaamheden ten behoeve van de indiening van het bouwplan bij de gemeente werden uitgevoerd, hebben noch [eiser] noch [betrokkene] ooit aan Onderwater c.s. verteld, dat [eiser] geen belang daarbij had en dat het complex zou worden verkocht aan Euraco B.V. Uit mailcorrespondentie tussen [eiser] en [betrokkene] blijkt dat [eiser] niet de waarheid spreekt. Uit de bij [betrokkene] ingewonnen informatie blijkt immers dat [eiser] in januari 2010 contact had met [betrokkene] over de door hem gewenste aankoop van diens complex aan de Ten Katestraat. [betrokkene] had [eiser] voorgesteld om een bespreking te plannen op 11 februari 2010. [eiser] zond die mail door aan [betrokkene] , waarin hij [betrokkene] verzoekt om hem te vergezellen bij die bespreking. Hij geeft in die mail aan dat hij het complex Ten Katestraat wil kopen. Hij stelt al circa 9 jaar bezig te zijn om dat complex te kopen, maar dat ze de hoofdprijs vragen. Dat gesprek vond op 11 februari 2010 plaats. [eiser] , [betrokkene] , [betrokkene] en diens architect [betrokkene] waren daarbij aanwezig. De volgende dag (12 februari 2010) zond [betrokkene] aan [betrokkene] nadere informatie over het nieuwbouwplan inzake de Ten Katestraat. Op verzoek van [eiser] heeft [betrokkene] een berekening gemaakt van de te verwachten stichtingskosten en van de te verwachten opbrengst na nieuwbouw, waarin hij aangeeft, dat een koopsom van € 800.000,- een net voorstel aan [betrokkene] zou zijn. Voorts legt Onderwater c.s. een mailbericht over van Han ( [eiser] ) aan Do ( [betrokkene] ) van 25 mei 2010, verzonden via het mailadres van Rembrandtpark Beheer, waaruit overduidelijk de betrokkenheid van [eiser] bij het beoogde nieuwbouwproject blijkt. Hij had een berekening gemaakt van de geschatte kosten van de sloop en herbouw van zijn complex en van de te verwachten opbrengst van de te stichten nieuwbouwappartementen bij verkoop. “Met een beetje geluk mag ik er 32 herbouwen in plaats van de 24 die er nu staan, omdat ik ook de vierde verdieping voor appartementen ga gebruiken.” En: “Ik stel voor op korte termijn een afspraak met het stadsdeel te maken. Voor Aldi is het grote voordeel dat er een totaal nieuwe winkel komt.” [eiser] was derhalve wel degelijk betrokken bij het nieuwbouwproject. Het was “zijn” project en hij was ook direct betrokken bij het plan om op de begane grond een supermarkt (Aldi) te vestigen. Hij stelt voor om op korte termijn een afspraak met het stadsdeel te maken. Op 30 mei 2010 zond [eiser] een mail aan [betrokkene] , waarin hij aandringt op spoed, omdat hij door de gedeeltelijke leegstand schade lijdt. Onderwater moet worden benaderd met het dringende verzoek om spoed te betrachten. Ook uit deze mail blijkt de directe betrokkenheid van [eiser] bij dit project. Hij is in afwachting van de deal met Lidl, de gemeente en [betrokkene] en Onderwater is de architect, die spoed moet betrachten, omdat [eiser] anders teveel schade lijdt. Op 28 juli 2010 zond [eiser] twee mails naar [betrokkene] . De eerste in de vroege ochtend, waarin [eiser] zich zorgen maakt over de Ten Katestraat. Het duurt allemaal te lang en hij noemt het risico, dat de bouwvergunning van [betrokkene] voor de Ten Katestraat wordt verleend en [betrokkene] zijn project verkoopt aan een aannemer, waardoor de vestiging van de supermarkt niet meer mogelijk zal zijn. [eiser] stelt voor om aan het Stadsdeel een principetoezegging te vragen inzake het door Onderwater ontworpen bouwplan. Euraco B.V. zou dat moeten vragen, dat zou leges besparen. Ook wordt voorgesteld om [betrokkene] te vragen wat de stand van zaken is. Hij doelt daarbij op het gesprek dat voordien had plaatsgevonden met [betrokkene] en [betrokkene] over de verkoop van het complex Ten Katestraat. Dat gesprek was op niets uitgelopen, omdat [betrokkene] naar de mening van [eiser] een veel te hoge koopsom vroeg. Bovendien boterde het niet tussen [eiser] en [betrokkene] , onder meer, omdat [eiser] één van de bezwaarmakers was geweest tegen het bouwplan van [betrokkene] , waardoor dat zeer was vertraagd. Om die reden stelt [eiser] in zijn mail aan [betrokkene] voor, dat [betrokkene] tegen [betrokkene] moet zeggen, dat hij overweegt om het project van [eiser] te kopen en dat samen te voegen met het project van [betrokkene] . [betrokkene] zou mogelijk wel erin slagen om zaken te doen met [betrokkene] . Het idee om [betrokkene] /Euraco er tussen te schuiven kwam derhalve van [eiser] . Onderwater c.s. stond daar volledig buiten. In zijn tweede mail van 28 juli 2010 geeft [eiser] aan met Teteroo te willen praten over de vraag welke rolverdeling “we gaan doen”. Hij denkt aan een onderhandse verkoop van het hele project aan Euraco B.V., maar zonder levering. Hij heeft vooral het probleem van de zittende huurders van de bovenwoningen op het oog in verband met de aan hen toekomende huurbescherming. Euraco B.V. zou moeten proberen om zoveel mogelijk woningen vanaf de tekening te verkopen en zou gemakkelijker de zittende huurders kunnen bewegen om “mee te doen”. Merquance B.V. en [betrokkene] zouden pas betaald moeten worden bij doorverkoop van de nieuwbouwwoningen aan appartementseigenaren. Uit deze mail blijkt evenzeer de directe betrokkenheid van [eiser] . Deze gedachten van [eiser] zijn nooit gedeeld met Onderwater c.s. Die betrokkenheid blijkt ook uit de mails van 2 augustus 2010 van [eiser] . Hij dringt aan op overleg en merkt op dat de kosten van Piet Onderwater uit de hand lopen. Dit dient te worden gekwalificeerd als een erkenning, dat [eiser] de eigenlijke opdrachtgever is van Onderwater c.s. [eiser] beschrijft twee varianten en komt tot de voorlopige conclusie dat sloop te duur is. Dat [eiser] wel degelijk de feitelijke opdrachtgever was, blijkt uit zijn mail van september 2010 aan Onderwater c.s., waarin [eiser] (namens Rembrandtpark Beheer B.V.) het verzoek doet om de nota’s inzake de splitsing van de Tweede Boerhaavestraat en inzake complex Wenslauerstraat op naam te zetten van Euraco B.V. [eiser] stelt dat Rembrandtpark Beheer B.V. de projectontwikkeling “van dat complex” niet doet. Uit de antwoordmail van Onderwater blijkt, dat hij het verzoek om de facturen op naam te zetten van Euraco B.V. niet goed begrijpt. Hij vraagt of de Wenslauerstraat in relatie met de “ten Caten straat” staat, waarop [eiser] antwoordt dat dat het geval is en dat Wenslauerstraat/Jan Hanzenstraat zijn (“mijn”) woningen met bedrijfsruimten betreft. [eiser] verzoekt Onderwater even geen uren meer te besteden aan het nieuwbouwplan totdat de gemeente dat heeft goedgekeurd. Hij garandeert de betaling van beide nota’s door Euraco B.V. Onderwater c.s. heeft daaruit afgeleid en mogen afleiden, dat [eiser] de feitelijke opdrachtgever was en dat Euraco B.V. er tussen werd geschoven, omdat de betalingen uit het bouwproject moesten verlopen via Euraco B.V. In de andere projecten, waarbij Onderwater c.s. was betrokken, was dat immers ook aldus geregeld. [eiser] vermeldt niet dat het project inzake Wenslauerstraat/Jan Hanzenstraat/Ten Katestraat niet zijn project was, maar eigenlijk het project van Merquance Beheer. Hij meldt dat het “zijn” woningen plus bedrijfsruimten betreft. En niet een project van Rembrandtpark Beheer B.V. Onderwater c.s. meende derhalve op goede gronden dat [eiser] de feitelijke opdrachtgever was, maar dat de facturen om administratieve redenen op naam van Euraco B.V. moesten worden gesteld.

Dat Onderwater c.s. aanvankelijk dacht dat het onderhavige project een project was van Rembrandtpark Beheer B.V., was niet onbegrijpelijk, omdat [eiser] in de mailcorrespondentie steeds namens die vennootschap correspondeerde. De opgave/offerte van 18 juni 2010 was dan ook op naam gesteld van die vennootschap en ook op de vervaardigde (bouw)tekeningen is die vennootschap als opdrachtgever vermeld. [eiser] heeft daartegen nooit bezwaar aangetekend. Pas in de mail van 14 september 2010, toen Onderwater c.s. al diverse werkzaamheden had verricht, en het ontwerp-bouwplan al was ingediend en goedgekeurd door Welstand, merkte [eiser] voor het eerst op, dat het geen project was van Rembrandtpark Beheer B.V., waaraan hij in zijn tweede mail van die dag heeft toegevoegd, dat het “zijn” project was.

Guldemond, één van de architecten van Onderwater c.s., zond op 25 juni 2010 een (indicatieve) plattegrond van de begane grond van het project aan de Ten Katestraat en een 3D-impressie van de hoek Ten Katestraat/Wenslauerstraat aan [eiser] en [betrokkene] , waarna [eiser] en [betrokkene] hem onverwacht hebben bezocht om over de impressie en de plattegrond overleg te plegen. Het aangepaste bouwplan is doorgeleid naar Welstand. Die twijfelde over één van de voorgestelde gevels. Op 1 december 2010 zond [eiser] een mail aan [betrokkene] , waarin hij aangeeft dat het veel te lang duurt. Hij voegt daaraan toe: “Ik wil stappen richting [betrokkene] zetten.” Hij doelde daarmee op de onderhandelingen over de aankoop door hem of Merquance B.V. van het complex met bouwplan van [betrokkene] . Duidelijk volgt uit de inhoud van die mail, dat [eiser] nog altijd van plan was om dit project zelf te (laten) ontwikkelen. [betrokkene] beantwoordt die mail diezelfde dag. De inhoud toont aan dat [betrokkene] voor [eiser] bezig was om het aangepaste plan door Welstand te krijgen. [eiser] reageert op die mail met de vraag: “Laat je mij de plannen vooraf even zien?” Die vraag duidt erop, dat het zijn project was.

De conclusie uit het bovenstaande kan niet anders zijn, dan dat Onderwater c.s. op goede gronden heeft aangenomen en mogen aannemen, dat [eiser] de eigenlijke opdrachtgever was en dat het verzoek van [eiser] in zijn mail van 14 september 2010 om de nota’s te stellen op naam van Euraco B.V. werd gedaan om administratieve redenen zoals eerder was gebeurd. [eiser] heeft zelf verzuimd om aan Onderwater c.s. duidelijkheid te verschaffen over de identiteit van de opdrachtgever. Hij heeft nimmer aangegeven dat niet hij maar Merquance B.V. als opdrachtgeefster moest worden beschouwd. En aan Onderwater c.s. is nooit medegedeeld dat niet [eiser] de eigenlijke opdrachtgever zou zijn, maar Euraco B.V. Uit de mails van 14 september 2010 heeft Onderwater c.s. niet afgeleid en ook niet hoeven afleiden, dat Euraco B.V. de eigenlijke opdrachtgeefster zou zijn. Want als Onderwater c.s. Euraco B.V. als de eigenlijke opdrachtgeefster had moeten beschouwen, dan viel daarmee niet te rijmen dat [eiser] de betaling van de nota’s garandeerde. De verklaring van Onderwater van 23 januari 2012 was derhalve wel degelijk juist. Hij heeft juist verklaard dat [eiser] de opdrachtgever was geweest. Mede met het oog op het bovenstaande betwist Onderwater c.s. onrechtmatig te hebben gehandeld. Van het “moedwillig bewust opstellen van een onjuiste verklaring” is geen sprake geweest.

Onderwater c.s. betwist dat [eiser] schade heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het feit, dat Onderwater de verklaring heeft opgesteld en heeft afgegeven aan [betrokkene] /Euraco. [eiser] moet aannemelijk maken dat hij schade heeft geleden of nog zal lijden, en dat is niet het geval. Anders dan [eiser] stelt, is het verzoek tot faillietverklaring van [betrokkene] niet afgewezen op grond van de verklaring van Onderwater. Uit de inhoud van het vonnis van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 31 januari 2012 blijkt dat de rechtbank het verzoek heeft afgewezen, omdat niet duidelijk is dat sprake is van pluraliteit en evenmin of verweerder ( [betrokkene] ) verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. [betrokkene] heeft als verweer gevoerd dat door [eiser] twee geldleningen aan hem waren verstrekt, die door [eiser] in privé aan hem in een mail waren toegezegd en die ook vanaf diens privé rekening naar de bankrekening van [betrokkene] waren overgemaakt. Van die geldleningen waren twee overeenkomsten opgesteld en getekend, waarbij in één van die overeenkomsten Merquance B.V. door [eiser] als schuldeiser was opgevoerd. Kennelijk met de bedoeling om aldus een tweede schuldeiser te creëren, zodat in voorkomend geval het faillissement zou kunnen worden aangevraagd. Het verweer, dat in de gegeven omstandigheden geen sprake was van pluraliteit, is door de rechtbank gehonoreerd.

Het tweede verweer had betrekking op het feit, dat [betrokkene] wel degelijk diverse betalingen had verricht ter aflossing van de leningen, die overigens nog niet opeisbaar waren. Ook dat verweer is gehonoreerd. De verklaring van Onderwater heeft bij de afwijzing van het verzoek tot faillietverklaring geen enkele rol van betekenis gespeeld. Er is door [eiser] geen schade geleden en er zal door hem evenmin schade worden geleden als gevolg van de verklaring van Onderwater. Bovendien ontbreekt elk causaal verband. Stel dat Onderwater geen verklaring had afgegeven en dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring wel had toegewezen, dan had [eiser] als concurrent crediteur in dat faillissement niet op een uitkering uit de boedel kunnen rekenen.

Ook de redenering van [eiser] dat Onderwater’s verklaring hem zou belemmeren in zijn incassering van zijn vordering van € 40.000,-- op [betrokkene] , waardoor hij een schade zou lijden van “tenminste € 19.478,71”, is onbegrijpelijk. Die incassering betreft immers een geschil tussen [eiser] en [betrokkene] , waar Onderwater c.s. buiten staat. Indien [betrokkene] het verweer voert, dat hij de nota’s van Onderwater c.s. heeft betaald, en dat hij om die reden een tegenvordering heeft op [eiser] , dan zal [betrokkene] dat moeten stellen en bewijzen. [betrokkene] noch Euraco B.V. hebben de openstaande nota’s aan Onderwater c.s. betaald. [betrokkene] heeft dat wel toegezegd, omdat hij vindt dat Onderwater c.s. niet de dupe mag worden van het nare spel, zoals dat door [eiser] wordt gespeeld. Euraco B.V. zou dan op haar beurt het bedrag verhalen op [eiser] . Maar Euraco B.V. was vanuit financieel oogpunt nog niet in staat om die toezegging na te komen.

Dat betekent, dat Onderwater c.s. nog altijd niet is betaald voor de verrichte werkzaamheden. Het heeft op 9 november 2011 een overzicht van de openstaande nota’s gezonden naar het privéadres van [eiser] . Naar aanleiding daarvan heeft [eiser] contact gehad met Onderwater c.s. en daarbij aangegeven niet van plan te zijn om de openstaande nota’s te betalen, omdat hij niet de opdrachtgever was geweest, maar Euraco B.V. Vanaf december 2011 verkeert [eiser] derhalve in verzuim. De vorderingen in conventie liggen voor afwijzing gereed.

in reconventie

2.5.

Onderwater c.s. vordert in reconventie dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling aan Onderwater c.s. van:

I. een bedrag van € 11.680,74 incl. btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de instelling van de vordering in reconventie tot aan de dag der algehele betaling;

II. een bedrag van € 19.478,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

III. de proceskosten met inbegrip van de nakosten, te betalen aan Onderwater c.s. binnen veertien dagen na vonnisdatum en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag, volgend op die waarop voornoemde termijn zal zijn vestreken, tot aan de dag der algehele voldoening.

2.6.

Onderwater c.s. stelt ter onderbouwing van zijn vordering in reconventie, samengevat, het volgende. [eiser] handelt onrechtmatig jegens hem, althans maakt misbruik van procesrecht door jegens hem vergoeding van schade te vorderen, aan welke vordering [eiser] bewust diverse onwaarheden ten grondslag heeft gelegd. Onderwater c.s. ziet zich genoodzaakt om zich hiertegen te verweren en voor de daaraan verbonden daadwerkelijke advocaatkosten houdt het [eiser] aansprakelijk. De advocaatkosten worden immers maar in zeer beperkte mate vergoed door een proceskostenveroordeling in conventie. In het geval van onrechtmatig procederen of misbruik van procesrecht komen de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten voor vergoeding in aanmerking. Van onrechtmatig procederen of misbruik van procesrecht is sprake wanneer de vordering wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden waarvan de betreffende partij de onjuistheid kende of had behoren te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Dit blijkt uit de volgende rechtspraak: HR 6 april 2012 (Grand Café/Achmea), NJ 2012/233.

In de onderhavige zaak heeft [eiser] zijn vorderingen gebaseerd op feiten waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen en op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Zo stelt hij in de dagvaarding onder 4, dat [betrokkene] buiten hem en Merquance B.V. om in overleg is getreden met de eigenaren van het buurpand van Merquance B.V. ( [betrokkene] ) teneinde een grotere supermarkt te kunnen realiseren. De onwaarheid van die stelling heeft Onderwater c.s. aangetoond met de in conventie overgelegde producties.

In de dagvaarding onder 5 stelt [eiser] in strijd met de waarheid, dat Euraco B.V. op 27 oktober 2011 de grond van het buurpand heeft verworven en doorgeleverd aan Vastgoed Batenburg B.V. [betrokkene] leverde de grond aan Vastgoed Batenburg B.V. In de dagvaarding onder 7 wordt in strijd met de waarheid beweerd:

- dat [betrokkene] namens Euraco B.V. opdrachten heeft verstrekt voor de voorbereiding van het supermarktcomplex. Uit de mailwisseling van 14 september 2010 blijkt dat Onderwater c.s. de nota’s op verzoek van [eiser] op naam heeft gesteld van Euraco B.V. en dat [eiser] de betaling daarvan garandeerde.

- dat [eiser] nooit betrokken is geweest bij de voorbereiding van het supermarktcomplex en dat hij als directeur van Merquance B.V. uitsluitend het te slopen onroerend goed aan Euraco B.V. zou verkopen en dat Merquance B.V. nimmer als projectontwikkelaar zou optreden.

De onwaarheid van al die stellingen is aangetoond door middel van de producties in conventie. Onderwater c.s. brengt hierbij nog een mail van [betrokkene] aan [eiser] in het geding van 25 augustus 2010, waaruit blijkt dat op die dag een bespreking heeft plaatsgevonden met Lidl. [eiser] was daarbij aanwezig, evenals Fris Makelaars uit Amsterdam.

In de dagvaarding onder 9 stelt [eiser] in strijd met de waarheid dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring heeft afgewezen o.a. op grond van de verklaring van Onderwater. [eiser] was zelf de aanvrager van het faillissement, zodat hij bekend is met de uitspraak van de rechtbank.

In de dagvaarding onder 10 stelt [eiser] dat Onderwater vermoedelijk wist van de onder 5 omschreven koop en verkoop door Euraco B.V. en van de daaruit voortvloeiende geschillen tussen [eiser] en [betrokkene] . Onderwater c.s. was daarmee niet bekend. De relevantie van die stelling ontgaat Onderwater c.s.

Veel van die onwaarheden zijn ook vermeld in de mailwisseling tussen [eiser] en Onderwater, waarin [eiser] Onderwater diverse keren voor leugenaar uitmaakt en eist dat hij zijn verklaring intrekt.

Onderwater c.s. concludeert op grond van de bovenstaande feiten dat [eiser] hem op onheuse gronden in rechte heeft betrokken, door bewust aan zijn vordering onwaarheden ten grondslag te leggen met het uitsluitend oogmerk om op die wijze zijn vorderingen toegewezen te krijgen. Het instellen van de vorderingen had in verband met de betrokken belangen van Onderwater c.s. achterwege behoren te blijven. [eiser] heeft hierdoor verwijtbaar onzorgvuldig jegens Onderwater c.s. gehandeld, althans heeft misbruik van procesrecht gemaakt en is om die reden aansprakelijk voor de schade die Onderwater c.s. daardoor lijdt. Die schade bestaat uit de advocaatkosten ten bedrage van € 11.680,74 incl. btw, die zijn gemaakt in het kader van de redactie van de conclusie van antwoord in conventie. Op die schadevordering kan in mindering worden gebracht het bedrag van de proceskosten waartoe [eiser] in conventie behoort te worden veroordeeld.

Daarnaast vordert Onderwater c.s. de veroordeling van [eiser] tot betaling van het totaalbedrag van € 19.478,71 aan openstaande nota’s, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening. Met betrekking tot de aanvangsdatum van de wettelijke rente houdt Onderwater c.s. rekening met de stelling van [eiser] dat hij de nota’s tot aan de aanmaning van 9 november 2011 nooit zou hebben ontvangen. Of Euraco B.V. waaraan de nota’s op verzoek van hem moesten worden verzonden, ze heeft doorgestuurd naar [eiser] , is Onderwater c.s. onbekend. Onderwater c.s. laat die discussie maar varen. In december 2011 heeft [eiser] Onderwater c.s. medegedeeld niet voor betaling te zullen zorgdragen, waardoor [eiser] vanaf toen in verzuim verkeerde.

2.7.

[eiser] voert in reconventie, samengevat, het volgende verweer.

Uit géén van de in de eis in reconventie aangevoerde omstandigheden en bijgevoegde producties blijkt dat hetgeen in de dagvaarding is gesteld, onjuist is. Het is pertinent onjuist dat [betrokkene] /Euraco B.V. de opdracht heeft verstrekt namens [eiser] . [eiser] heeft hier nimmer toestemming voor gegeven. Ook is de vermeende offerte nimmer akkoord bevonden. Uit productie 9E (zesde alinea) blijkt bijvoorbeeld met name dat [eiser] vereenzelvigd wordt met Merquance B.V. (danwel Rembrandtpark Beheer B.V.) terwijl overigens nergens uit blijkt dat [eiser] in deze voor zich in privé heeft opgetreden. [eiser] is in privé geen ondernemer en Euraco B.V. c.q. Onderwater wisten dat. [eiser] heeft zich ook totaal niet beziggehouden met het project. Hetgeen ook niet uit de stukken blijkt.

In de e-mail van 14 september 2010 17.28 wordt alleen gegarandeerd dat Euraco B.V. de facturen zal betalen. Niet wordt gesproken over een door [eiser] gestelde privégarantie. Een dergelijke garantie zal in de praktijk uiterst zelden voorkomen omdat bij onroerend goed ontwikkelingen vrijwel uitsluitend wordt gewerkt met vennootschappen. Dit gegeven mag van algemene bekendheid worden verondersteld. Indien dan op 14 september 2010 17.11 wordt gerept over het feit dat de nota’s aan Euraco B.V. gezonden dienen te worden en niet aan Rembrandt Beheer B.V. wekt het op zijn minst bevreemding dat uit de opmerking “Rembrandt Beheer B.V. doet de projectontwikkeling niet” zou moeten volgen dat dit dan maar door [eiser] in privé zou worden gedaan. Dit terwijl naar Euraco B.V. wordt verwezen. Zeer zeker is Onderwater daarvan op de hoogte. Het is omgekeerd: een onroerend goed ontwikkeling voor rekening en risico nemen door een privépersoon is met een dergelijk risicovol project sowieso bepaald zeldzaam.

Het lijdt geen twijfel dat Merquance B.V en derhalve middellijk [eiser] bij het project een economisch belang had. Dit gegeven kan niet worden ontkend. Merquance B.V. volgde het project op de voet. Enerzijds omdat Merquance B.V. eigenaar was van het desbetreffende onroerend goed, anderzijds omdat Merquance B.V. aandeelhouder was (c.q. is) van een deel van de aandelen Euraco B.V. Maar om daaruit de gevolgtrekking te destilleren dat [eiser] in privé heeft gehandeld is onverklaarbaar. Onderwater levert nog niet een begin van bewijs daarvoor.

Van misbruik van procesrecht is ook geen sprake. Niet alleen op grond van het feit dat dit middel alleen onder zelden voorkomende omstandigheden wordt toegepast, maar omdat juist in deze [eiser] Onderwater in de gelegenheid heeft gesteld de gewraakte verklaring in te trekken. Het is omineus onder gemelde omstandigheden de verklaring te handhaven, terwijl Onderwater c.s. eigenlijk niet weet (?) met welke (rechts-)persoon hij te maken had. Volgens [eiser] blijkt uit alles dat Euraco B.V. de opdrachtgever van Onderwater c.s. is geweest. De facturen zijn daarom terecht op naam van Euraco B.V. gesteld. De vordering betreffende de vermeende openstaande nota’s op naam van [eiser] dient te worden afgewezen.

Verder vindt [eiser] dat de vordering van de advocaatkosten onvoldoende is onderbouwd en dat de hoogte daarvan in geen enkele verhouding tot de procedure staat. Deze vordering dient dus te worden afgewezen.

[eiser] verzoekt de vorderingen van Onderwater c.s. in reconventie af te wijzen, met veroordeling van Onderwater c.s. in de proceskosten van zowel de procedure in conventie als in reconventie met inbegrip van de nakosten, te betalen binnen 14 dagen na vonnisdatum en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag volgend op die waarop voornoemde termijn zal zijn verstreken, tot aan de dag der algehele voldoening.

2.8.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

in conventie:

2.9.

De vorderingen van [eiser] zijn kort gezegd gebaseerd op de stelling dat Onderwater c.s. in de brief van 23 januari 2012 een valse verklaring heeft afgelegd omdat Onderwater c.s. geen vordering op [eiser] zou hebben en daarmee zou Onderwater c.s. volgens [eiser] onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld.

2.10.

Onderwater c.s. heeft uitgebreid verweer gevoerd en daarbij emailcorrespondentie overgelegd tussen enerzijds [eiser] en [betrokkene] en anderzijds tussen [eiser] en Onderwater c.s. Anders dan [eiser] in zijn dagvaarding stelt, blijkt uit die correspondentie dat [eiser] direct betrokken was bij het project. Dat ligt ook voor de hand, nu het om panden ging die eigendom waren van Merquance B.V., waarvan [eiser] dga is. Zonder de medewerking van [eiser] zou het hele plan dus niet (hebben) kunnen doorgaan.

2.11.

[eiser] stelt dat Onderwater c.s. wist dat hij niet in privé handelde, maar namens een vennootschap. Wil een persoon namens een rechtspersoon een overeenkomst aangaan, dan zal hij niet alleen bevoegd moeten zijn om namens die rechtspersoon op te treden maar ook aan de wederpartij duidelijk moeten maken dat hij namens de rechtspersoon handelt. [eiser] is daarin volstrekt niet duidelijk geweest. Omdat een eerdere opdracht aan Onderwater c.s. werd gegeven door Rembrandtpark Beheer B.V., een vennootschap van [eiser] , heeft Onderwater c.s. de offerte voor onderhavige opdracht ook aan Rembrandtpark Beheer B.V. gezonden. Vast staat dat die offerte akkoord is bevonden, zonder dat daarop de reactie is gevolgd dat de adressering onjuist was. [eiser] stelt zich echter niet op het standpunt dat een overeenkomst met Rembrandtpark Beheer B.V. tot stand is gekomen. [eiser] beroept zich op een e-mail van 14 september 2010 waarin hij verzocht om de nota’s voor het project aan Euraco B.V. te zenden. Daaraan heeft hij de volgende opmerking toegevoegd: “Ik garandeer betaling van beide nota’s door Euraco b.v. binnen twee weken.” Dat een derde de nota’s zal betalen betekent nog niet dat die derde partij bij de overeenkomst is geworden. De garantie door [eiser] wijst daar ook niet op. [eiser] kon niet namens Euraco B.V. een dergelijke garantie afgeven, daar [eiser] geen bestuurder van Euraco B.V. is en alleen indirect minderheidsaandeelhouder is. Bij niet tijdige nakoming door Euraco B.V. is [eiser] dus zelf gebonden aan zijn garantie. Gezien deze handelwijze van [eiser] , kon Onderwater c.s. toen Euraco B.V. in gebreke bleef met de betaling, [eiser] aanspreken op diens garantie. Daarmee staat niet vast dat Onderwater c.s. een onjuiste schriftelijke verklaring heeft afgelegd en aldus onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] .

2.12.

Bovendien is om een onrechtmatige daad aan te nemen nodig dat er schade wordt geleden. [eiser] stelt dat hij schade heeft geleden door het niet uitspreken van het faillissement van [betrokkene] . Uit de motivering in de beschikking blijkt niet dat de verklaring van Onderwater c.s. een rol heeft gespeeld bij de afwijzing van het faillissementsverzoek. Zo er bovendien al schade geleden zou kunnen zijn door het niet uitspreken van het faillissement, is die schade geleden door de verzoekster van dat faillissement Merquance B.V. en dus niet door [eiser] . Verder is volstrekt niet onderbouwd dat bij een faillissement volledige uitkering zou hebben plaatsgevonden aan schuldeisers van [betrokkene] .

2.13.

Gelet op het vorenstaande kan geen door Onderwater c.s. jegens [eiser] gepleegde onrechtmatige daad worden aangenomen. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.

in reconventie:

2.14.

Gelet op hetgeen in conventie is overwogen kan [eiser] door Onderwater c.s. worden aangesproken op de nota’s. Aangezien de hoogte van de nota’s verder niet is bestreden, zal deze vordering worden toegewezen.

2.15.

Met betrekking tot de vordering van Onderwater c.s. om de volledige advocaatkosten te betalen oordeelt de kantonrechter als volgt.

2.16.

Deze vordering is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516, NJ 2007/353). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.

2.17.

Met Onderwater c.s. is de kantonrechter van oordeel dat in dit geval aan bovengenoemd criterium wordt voldaan. In de summiere dagvaarding, waarin (in strijd met artikel 111, lid 3, Rv) het verweer van Onderwater c.s. niet is vermeld en waarop in de dagvaarding dus ook niet uitdrukkelijk wordt ingegaan, staan een aantal stellingen, waarvan [eiser] wist dat die in strijd met de waarheid waren:

  • -

    In de dagvaarding onder 4 stelt [eiser] dat [betrokkene] buiten [eiser] en Merquance B.V. om in overleg is getreden met de eigenaren van het buurpand van Merquance B.V. Uit de door Onderwater c.s. overgelegde en door [eiser] niet bestreden e-mailcorrespondentie blijkt echter onomstotelijk dat [eiser] zeer direct betrokken was bij het overleg met de eigenaar van het buurpand. Hij was de initiatiefnemer en was ook bij het overleg aanwezig.

  • -

    In de dagvaarding onder 7 stelt [eiser] dat [betrokkene] namens Euraco B.V. opdrachten heeft verstrekt en dat [eiser] hier nooit bij betrokken is geweest. Uit de door Onderwater c.s. overgelegde en door [eiser] niet bestreden e-mailcorrespondentie blijkt echter onomstotelijk dat [eiser] zeer direct betrokken was bij de opdrachten. [eiser] stuurde [betrokkene] aan, bepaalde aan wie de nota’s gezonden moesten worden en stelde zich garant voor de betaling.

2.18.

Ingevolge artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn partijen verplicht om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

2.19.

[eiser] heeft de verplichting van artikel 21 Rv geschonden. Eén van de gevolgen daarvan is dat Onderwater c.s. op kosten is gejaagd omdat hij de onware stellingen in de dagvaarding diende te weerleggen. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om [eiser] ook te veroordelen in de daadwerkelijke kosten die Onderwater c.s. heeft gemaakt. De hoogte van die vordering is door [eiser] niet gemotiveerd bestreden.

in conventie en in reconventie:

2.20.

Gezien de toewijzing in reconventie van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten, behoeft geen proceskostenveroordeling in conventie te volgen. Wel zal [eiser] worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie, vermeerderd met de wettelijke rente indien die kosten niet tijdig worden betaald. Aan nakosten zal een bedrag van € 100,-- worden toegewezen.

3 Beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

- wijst de vorderingen af;

in reconventie:

- veroordeelt [eiser] tot betaling aan Onderwater c.s. van een bedrag van € 11.680,74, incl. btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2015 tot aan de dag der algehele betaling;

- veroordeelt [eiser] tot betaling aan Onderwater c.s. van een bedrag van € 19.478,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, aan de zijde van Onderwater c.s. tot op deze uitspraak vastgesteld op € 600,-- aan salaris voor de gemachtigde van Onderwater c.s., alsmede in de nakosten, te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, die door de kantonrechter worden begroot op € 100,00, een en ander onverminderd de eventueel over de proces- en nakosten verschuldigde btw, en bepaalt dat de wettelijke rente over de proces- en nakosten verschuldigd is vanaf 15 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

in conventie en in reconventie:

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. D. de Loor en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2016.