Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1682

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
AWB 16-442 en AWB 16-443
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GEAS asiel ongegrond, Pakistan, gestelde homoseksualiteit niet geloofwaardig, WI 2015/9 voldoet niet, maar hier voldoende effectieve toets vanwege evidente ongeloofwaardigheid

De rechtbank heeft al verschillende malen geoordeeld dat werkinstructie 2015/9 in algemene zin niet voldoet aan de eisen die in de uitspraak van 8 juli 2015 van de Afdeling aan verweerders geloofwaardigheidsbeoordeling worden gesteld. In dit concrete geval is echter wel voldoende helder en inzichtelijk waarom verweerder het relaas ongeloofwaardig acht. Uit de uitspraak van de Afdeling blijkt dat van doorslaggevend belang is dat de bestuursrechter effectief moet kunnen toetsen of verweerder een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd besluit heeft genomen ter zake van de homoseksualiteit. Verweerder heeft gewezen op evidente tegenstrijdigheden in het relaas van verzoeker en op verklaringen waarvan geen enkele overtuigingskracht uitgaat. Daarmee heeft verweerder zijn besluitvorming voldoende inzichtelijk gemaakt en heeft de rechtbank het bestreden besluit effectief op de rechtmatigheid kunnen toetsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/442 (beroep)

AWB 16/443 (voorlopige voorziening)

V-nr: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 5 februari 2016 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1978, van Pakistaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde mr. K. Ross),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. W.N. Kristel).

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 19 maart 2014 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen.

Op 8 januari 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig R.B. Raj, tolk Urdu.

Overwegingen

1. Eiser legt, samengevat, het volgende relaas aan zijn asielaanvraag ten grondslag. Hij vreest dat hij bij terugkeer naar Pakistan gevaar loopt vanwege een familievete. Familieleden van hem zijn in 2011 gedood als gevolg van deze vete. Verder vreest hij dat hij in Pakistan zal worden vervolgd vanwege zijn homoseksuele geaardheid.

2. Eiser heeft eerder een asielaanvraag ingediend, die is afgewezen. Bij de beoordeling van een besluit op een herhaalde aanvraag dient de rechter volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 16 oktober 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BC0249, direct te treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn opgekomen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en daarom behoorden te worden aangevoerd, evenals bewijsstukken van eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is, nog steeds volgens de vaste rechtspraak, toch geen sprake van nova die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, als op voorhand is uitgesloten dat wat is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen, waarop dat rust.

3. Verweerder heeft de eerste asielaanvraag van eiser van 4 mei 2010 afgewezen bij besluit van 16 mei 2010 omdat eisers relaas, dat hij in Pakistan te vrezen heeft vanwege de familievete, niet geloofwaardig is geacht. Beroep tegen dat besluit is door de rechtbank bij uitspraak van 9 februari 2011 (AWB 10/17811) ongegrond verklaard. Daarmee staat dat besluit in rechte vast.

4. Eiser heeft aan zijn huidige aanvraag opnieuw vrees vanwege dezelfde familievete ten grondslag gelegd. Als novum stelt hij dat in maart 2011 familieleden zijn vermoord als gevolg van die vete. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een novum. Eisers summiere verklaring dat hij telefonisch van een dorpsgenoot gehoord zou hebben dat zijn familieleden gedood zijn, is niet met enig (objectief) stuk onderbouwd. De gestelde gebeurtenis dateert van drie jaar voor deze aanvraag en is inmiddels bijna vijf jaar geleden. Nog altijd is er niet meer onderbouwing dan de enkele verklaring van eiser. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij ook niet probeert of heeft geprobeerd om nadere informatie te verkrijgen. Voor zover het bestreden besluit ziet op de beoordeling van dit gedeelte van eisers aanvraag, komt de rechtbank daarom niet toe aan hernieuwde rechterlijke uitspraak.

5. Eisers gestelde seksuele geaardheid is een nieuw asielmotief dat hij tijdens zijn eerste procedure niet naar voren heeft gebracht. Verweerder werpt, zoals neergelegd in paragraaf C1/4.6 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, indien een vreemdeling tijdens een tweede asielaanvraag aangeeft dat hij homoseksueel is en verweerder dat geloofwaardig acht, niet tegen dat hij niet tijdens een voorgaande procedure gewag heeft gemaakt van zijn homoseksuele geaardheid. In de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2170) is eveneens overwogen dat een vreemdeling niet mag worden tegengeworpen dat hij niet eerder over zijn seksuele gerichtheid heeft verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit, de motivering daarvan en de wijze waarop het tot stand is gekomen in zoverre daarom toetsen als ware het een eerste aanvraag.

6. Verweerder heeft de aanvraag van eiser in eerste instantie afgewezen bij besluit van 21 april 2014. Daartegen heeft eiser beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd. Die voorziening is toegewezen bij uitspraak van 3 juli 2014 van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam (AWB 14/96410). Aanleiding daarvoor waren de prejudiciële vragen die de Afdeling bij uitspraken van 20 maart 2013 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof) heeft gesteld over, kortgezegd, welke grenzen er worden gesteld aan de wijze van beoordelen van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele geaardheid. Bij arrest van 2 december 2014 heeft het Hof die vragen in de gevoegde zaken C-148/13 tot en met C-150/13, A, B en C tegen verweerder (ECLI:EU:C:2014:2406) beantwoord. De Afdeling heeft het onderzoek in die zaken vervolgens heropend en heeft met inachtneming van het arrest van het Hof eerder genoemde uitspraak van 8 juli 2015 gedaan. Daarin heeft de Afdeling, kort samengevat, overwogen dat verweerder onvoldoende inzichtelijk maakt op welke wijze hij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een seksuele geaardheid in concrete zaken daadwerkelijk verricht. Daardoor is het voor de bestuursrechter niet mogelijk effectief te toetsen of verweerder een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd besluit heeft genomen.

7. Verweerder voert aan dat die uitspraak van de Afdeling heeft geleid tot de publicatie van de openbare Werkinstructie 2015/9 (hierna: de werkinstructie). Deze werkinstructie komt overeen met de interne richtlijn die verweerder vanaf 14 april 2014 heeft gehanteerd bij het onderzoeken en beoordelen van de gestelde seksuele geaardheid van vreemdelingen. Omdat het besluit op eisers aanvraag van 21 april 2014 niet conform die werkinstructie en gedragslijn tot stand is gekomen heeft verweerder dat besluit op 11 augustus 2015 ingetrokken. Op 16 september 2015 is eiser conform de werkinstructie aanvullend gehoord. Daarna is het bestreden besluit genomen.

8. Eiser voert, samengevat, aan dat beide gehoren van eiser zijn afgenomen voordat de werkinstructie openbaar werd gemaakt en daarmee daarom niet in overeenstemming zijn. Verder wijst eiser op een grote hoeveelheid uitspraken van rechtbanken waarin wordt geconcludeerd dat verweerder nog steeds onvoldoende inzicht verschaft in de wijze waarop een gestelde seksuele geaardheid wordt beoordeeld. Eiser stelt zich op het standpunt dat de beoordeling die verweerder heeft gemaakt niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen in de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat het bestreden besluit tot stand is gekomen in overeenstemming met de werkinstructie. Het eerdere besluit is ingetrokken en vervolgens is eiser opnieuw gehoord waarbij nader is ingegaan op de in de werkinstructie genoemde thema’s. Uit de uitspraken die de huidige gemachtigde van eiser heeft overgelegd volgt dat verweerder ook met toepassing van de werkinstructie nog steeds onvoldoende duidelijkheid verschaft over de wijze waarop verklaringen over specifieke thema’s worden gewogen (bijvoorbeeld de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 december 2015, AWB 15/19926 en AWB 15/19928 en van 2 december 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:8649). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het voorliggende geval van eiser echter wel inzichtelijk, gedegen en gedetailleerd gemotiveerd waarom de gestelde seksuele geaardheid niet geloofwaardig wordt geacht. Daarbij is van belang dat verweerder heeft gewezen op evidente tegenstrijdigheden en verklaringen waarvan geen enkele overtuigingskracht uitgaat. De rechtbank wijst daarbij op het volgende.

10. Bij het gehoor van 24 maart 2014 in het kader van zijn huidige aanvraag heeft eiser onder meer het volgende verklaard:

U gaf tijdens mijn inleiding aan dat u met uw advocaat (de rechtbank stelt vast: eisers vorige advocaat) besproken heeft dat u een relatie heeft met een man.

Ja .

Wat wilt u hiermee zeggen, in relatie tot de huidige asielaanvraag die u heeft ingediend?

Dat had ik van mijn advocaat gehoord. Hij had gezegd: als je geen nieuwe bewijzen hebt om aan te leveren, dan is je zaak kansloos.

Herhaling van de gestelde vraag.

Een andere reden kan zijn, volgens mijn advocaat, dat als je een relatie hebt met een man of een vrouw, dan kan dat een reden zijn om een verblijfsvergunning aan te vragen.

U heeft aangegeven dat u een relatie heeft met een man. Wat wilt u hiermee dan zeggen of aanvoeren in relatie tot uw huidige asielaanvraag?

Als ik dan geen positiever beslissing krijg op mijn asielaanvraag, dan is dit een andere weg voor mij om een aanvraag in te dienen. Dat is het recht van iemand die een homorelatie heeft, dat die hier mag blijven.

Om welke reden heeft u in dit verband bescherming gevraagd van de Nederlandse overheid?

Ik heb een relatie hier?

Waarom heeft u bescherming aangevraagd van de Nederlandse overheid, met het oog hierop?

Ik wil een verblijfsstatus in Nederland en ik wil aan mijn toekomst denken. Ik kan hier toch niet in Nederland blijven zonder verblijfsstatus? Het is heel duidelijk. Ik heb geen vriendin, maar wel een vriend. En daarmee heb ik een relatie, met een man. Volgens mijn advocaat hoef ik niet in details te gaan over mijn relatie met een man. De enkele verklaring dat ik homoseksueel ben, moet voldoende zijn.

[…]

In welke periode heeft u deze contacten gehad? Of van hoe oud toe hoe oud?

De leeftijd weet ik niet meer exact te vertellen en ook de periode weet ik niet meer. Ik kan alleen zeggen dat het gebeurde in de periode in Pakistan. En als ik nu in Pakistan zou zijn, zou het dus ook gebeuren.

U heeft in Pakistan kennelijk jarenlang gewoon als homoseksueel kunnen leven. Om welke reden heeft u dit thans aangevoerd bij uw asielaanvraag

Dat was na het beraad met mijn advocaat. Hij had gezegd dat mijn zaak kansloos was omdat ik geen bewijzen had. En toen heb ik gevraagd: is er geen andere weg om een verblijfsstatus te krijgen en mijn advocaat had toen gezegd dat het aangeven dat je een relatie hebt met een man of vrouw wel een reden kan zijn om een vergunning te krijgen.

[…]

Dank voor de beantwoording van al mijn vragen.

Ik wil iets zeggen, mag dat?

Natuurlijk, geen probleem.

Ik wil heel duidelijk zijn over mijn asielaanvraag: als ik geen positieve beslissing krijg… het stukje over mijn homoseksuele geaardheid heb ik toegevoegd om een verblijfsstatus te krijgen.

Wat bedoelt u precies, kunt u dat verduidelijken?

Het is geen toevoeging aan mijn asielaanvraag.

Mijn advocaat heeft me dit als tweede optie gegeven. Mocht de IND dit (de rechtbank begrijpt: het relaas over de familievete) niet accepteren en mocht het geen vergunning opleveren, dan is dit een tweede optie waar ik gebruik van wil maken. en dat is op advies dus van mijn advocaat. Hij had gezegd: als je aanvraag niet wordt geaccepteerd dan kan je altijd nog de reden opgeven dat je een relatie hebt met een man, dat kan je aanvoeren om een verblijfsvergunning te krijgen.

Duidelijk, dank u wel.

En volgens mijn advocaat was het dus ook niet nodig dat ik bewijs hoef te leveren over mijn relatie in Nederland. Mijn eigen verklaring is voldoende om die verblijfsstatus aan te vragen. om de homofilie redenen.”

11. De rechtbank overweegt met verweerder dat de hiervoor weergegeven verklaring in sterke mate afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde seksuele geaardheid.

Ook heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat die geloofwaardigheid verder is aangetast door het feit dat eiser, die naar eigen zeggen sinds 2000 in Nederland verblijft, beide asielaanvragen eerst heeft ingediend vanuit vreemdelingenbewaring, nadat hij strafrechtelijk was staande gehouden. Hij heeft nooit uit eigen beweging vanuit vrijheid om bescherming gevraagd, maar alleen als uitzetting dreigde.

13. Verder stelt eiser al meer dan vier jaar een vaste relatie te hebben met een Surinaamse man. Hij heeft het adres van zijn vriend op een papiertje staan en kan niet verklaren of deze man wel of niet werkt, hoe lang hij in Nederland is, waar zijn ouders wonen en of hij broers of zussen heeft. Eiser geeft desgevraagd aan dat hij dat soort persoonlijke vragen niet aan zijn partner stelt. Hij heeft het een keer geprobeerd, maar toen gaf hij geen antwoord. Eiser dacht toen: nee, dit soort vragen moet ik niet stellen. Niet iedereen vindt het fijn om dit soort informatie te delen.

Verweerder heeft dat terecht bevreemding wekkend geacht, met name gelet op de verklaring die deze partner heeft overgelegd bij de zienswijze. Daarin stelt de partner dat hij en eiser vanaf dat zij elkaar ontmoet hebben uren hebben zitten praten, dat het meteen klikte, dat zij gedurende hun relatie samen hebben gekookt, gewoond, geleefd en altijd samen naar bed gaan, dat hun relatie voor geen enkel moment stil was of is geweest. Volgens de partner missen ze elkaar veel, hebben ze nu veel telefonische gesprekken gevoerd en hebben ze vaak over vroeger gepraat.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de verklaringen van eiser over deze relatie niet geloofwaardig zijn.

13. Ook heeft eiser evident tegenstrijdig verklaard over de periode dat hij in Pakistan woonde. Tijdens het gehoor op 24 maart 2014 stelt eiser dat hij de namen en leeftijden van de 35 tot 40 mannen waarmee hij seks heeft gehad in Pakistan niet kent. Hij geeft aan dat hij daar niet naar heeft gevraagd, het puur om de seks ging en hij het niet nodig vond om naar hun namen te vragen. In het gehoor van 16 september 2015 verklaart hij dat hij de namen wel degelijk kent maar het niet nodig vind om die te noemen. Daarnaast heeft hij in het gehoor van 24 maart 2014 verklaard dat hij in Pakistan geen problemen heeft gehad met zijn geaardheid omdat hij er nooit over gesproken heeft. In het gehoor van 16 september 2015 verklaart hij dat hij ruzie heeft gehad met een gelovige over zijn geaardheid zodat daarmee het risico dat iedereen het zou weten zeer groot was, en dat hij daarom het land wilde verlaten.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd en afdoende gemotiveerd dat de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser niet geloofwaardig is. Dat de rechtbank reeds verschillende malen heeft geoordeeld dat de werkinstructie, zoals vermeld in overweging 9, in algemene zin niet voldoet aan de eisen die aan verweerders geloofwaardigheidsbeoordeling worden gesteld door de Afdeling in de uitspraak van 8 juli 2015, maakt dat in dit concrete geval niet anders. Uit die uitspraak van de Afdeling blijkt immers dat van doorslaggevend belang is dat de bestuursrechter effectief moet kunnen toetsen of verweerder een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd besluit heeft genomen terzake van de homoseksualiteit. Gelet op de hiervoor aangehaalde evidente tegenstrijdigheden en ongeloofwaardigheden in het asielrelaas van eiser is de rechtbank van oordeel dat voldoende helder en inzichtelijk is waarom verweerder het relaas in dit geval ongeloofwaardig acht. De rechtbank heeft het bestreden besluit in dat verband voldoende op de rechtmatigheid kunnen toetsen.

15. De rechtbank zal het beroep dan ook ongegrond verklaren. De door eiser gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, nu de rechtbank heden op het beroep beslist.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank/voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Pier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

5 februari 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: MP

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.