Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16806

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-10-2016
Datum publicatie
20-02-2017
Zaaknummer
C/09/520390 / KG RK 16-1842
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer heeft het verzoek tot wraking van de voorzitter van de wrakingskamer buiten behandeling gelaten, omdat dit verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Het inleidende verzoek tot wraking van de kantonrechter in een kortgedingprocedure is afgewezen. Het plannen van een zaak op een zitting bij een bepaalde rechter is een organisatorische handeling van de griffie die niet aan de rechter op wiens zitting de zaak gepland wordt, valt toe te rekenen. De vraag of er sprake is van spoedeisend belang bij de vordering in kort geding dient in de kortgedingprocedure te worden beoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2016/61

zaak-/rekestnummer: C/09/520390 / KG RK 16-1842

zaak/rolnummer hoofdzaak: 5404136 CV EXPL 16-4768

datum beschikking: 31 oktober 2016

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de zaak van:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker;

strekkende tot wraking van:

mr. M.W.C. de Jonge,

kantonrechter in de rechtbank Den Haag, locatie Gouda.

Belanghebbende is:

de stichting

Stichting Zorgpartners Midden-Holland,

gevestigd te Gouda,

advocaat mr. R.W.F. Heijmeriks te Spijkenisse, gemeente Nissewaard.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1.

Op 29 september 2016 is door Stichting Zorgpartners aan de administratie van de rechtbank Den Haag, locatie Gouda door middel van het daarvoor bestemde formulier om een datum voor een kort geding kanton tegen [verzoeker] aangevraagd. Gevorderd wordt, kort gezegd, ontruiming van de door [verzoeker] gehuurde woning. Bij brief van 11 oktober 2016 is door team Kanton, locatie Gouda van deze rechtbank aan mr. Heijmeriks bericht dat het kort geding zal worden behandeld op 10 november 2016 om 13.30 uur. De behandelend kantonrechter van die zitting is mr. De Jonge.

1.2.

Bij e-mailbericht van 18 oktober 2016 heeft [verzoeker] een wrakingsverzoek tegen mr. De Jonge (door hem ook wel als ‘De Jong’ aangeduid) ingediend. Bij e-mailberichten van eveneens 18 oktober 2016 en 20 oktober 2016 heeft [verzoeker] zijn wrakingsverzoek nader toegelicht en aangevuld. Mr. De Jonge heeft bij brief van 25 oktober 2016 gereageerd op het wrakingsverzoek. Op 26 oktober 2016 heeft [verzoeker] een e-mailbericht aan de wrakingskamer gezonden met als onderwerp ‘Onderzoek/klachten/wraking Wrakingskamer Den Haag en derhalve hangende dit onderzoek opschorten hoorzitting 16 oktober’. In dit bericht deelt hij mee de wrakingskamer te wraken omdat hij is opgeroepen voor een hoorzitting in de wrakingszaak tegen mr. De Jonge én in een andere wrakingszaak tegen een andere rechter (de rechter die de bodemzaak waarin ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de door [verzoeker] gehuurde woning wordt gevorderd, behandelt). Aan het wrakingsverzoek dat gericht is tegen de wrakingskamer legt [verzoeker] het volgende ten grondslag: (i) de wrakingsverzoeken tegen mr. De Jonge en mr. Van der Windt zijn zullen tegelijk in plaats van separaat behandeld worden; (ii) de wrakingskamer heeft ten onrechte zijn wrakingsverzoek niet tevens opgevat als wraking van mr. Nijenhuis, terwijl hij die wel gewraakt heeft; (iii) verzoeker heeft vernomen dat de verweerschriften van de door hem gewraakte rechter mr. De Jonge en de andere door hem gewraakte rechter naar hem onderweg zijn en er is al een datum voor de wrakingszitting gepland zonder dat hij op die verweerschriften heeft kunnen reageren; (iv) de secretaresse van de wrakingskamer heeft hem telefonisch gezegd dat de rechtbank Den Haag vrij is het wrakingsprotocol naast zich neer te leggen. Hij heeft verzocht de zitting van de wrakingskamer van 31 oktober 2016 op te schorten teneinde eerst de voorzitter en/of de leden van de wrakingskamer te onderzoeken op door hem genoemde gedragingen, schijn van partijdigheid en onvolledig, onzorgvuldig handelen. Bij e-mailbericht van 27 oktober 2016 heeft [verzoeker] zijn e-mailbericht van 26 oktober 2016 aangevuld en daarbij vermeld dat hij op 26 oktober 2016 een e-mail heeft gestuurd om de voorzitter van de wrakingskamer te wraken alsmede zijn gronden voor de wraking van mr. De Jonge aangevuld en verzocht hem per e-mail te bevestigen dat de zitting van 31 oktober 2016 geen doorgang kan vinden. Bij brief van 27 oktober 2016 heeft de griffier van de wrakingskamer aan [verzoeker] bericht dat voornoemde e-mailberichten van 26 en 27 oktober 2016 ter zitting van de wrakingskamer van 31 oktober 2016 zullen worden behandeld. Hierop heeft [verzoeker] bij e-mailberichten van 27 en 28 oktober 2016 gereageerd en verzocht dat de zitting van 31 oktober 2016 zal worden aangehouden omdat eerst de wraking van de voorzitter van de wrakingskamer door een onafhankelijke commissie zou moeten worden onderzocht. Bij e-mailbericht van eveneens 28 oktober 2016 heeft de griffier van de wrakingskamer aan [verzoeker] bericht dat in zijn e-mailberichten geen aanleiding wordt gevonden om af te wijken van de genomen beslissing om de e-mailberichten van 26 en 27 oktober 2016 ter zitting van de wrakingskamer van 31 oktober 2016 te behandelen.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

2.1.

Op 31 oktober 2016 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. [verzoeker] is verschenen. Voorts is mr. Heijmeriks namens Stichting Zorgpartners verschenen. Mr. De Jonge is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

2.2.

Tijdens de bespreking van het e-mailbericht van [verzoeker] van 26 oktober 2016 heeft [verzoeker] de voorzitter van de wrakingskamer gewraakt. Hij voert daartoe aan dat (i) de voorzitter ten onrechte aan mr. Heijmeriks de gelegenheid heeft gegeven om ter zitting het woord te voeren, (ii) dat de voorzitter ten onrechte heeft toegestaan dat de zaken zodanig zijn gepland dat er drie zaken (het onderhavige wrakingsverzoek, het verzoek tot wraking van de voorzitter en het verzoek tot wraking van de rechter in de hierna te noemen bodemprocedure) in een half uur moeten worden behandeld, (iii) de voorzitter ten onrechte de e-mailberichten van [verzoeker] niet heeft aangemerkt als ook een verzoek tot wraking van mr. M. Nijenhuis, kantonrechter te Gouda en (iv) de voorzitter ten onrechte heeft toegestaan dat de wrakingszitting is gepland voordat mr. De Jonge heeft kunnen besluiten te berusten in het wrakingsverzoek en voordat [verzoeker] heeft kunnen reageren op het standpunt van mr. De Jonge en (v) de voorzitter hem onjuist heeft bejegend door hem ter zitting mee te delen dat hij [verzoeker] zou kunnen gelasten de zaal te verlaten indien [verzoeker] zich niet hield aan de door de voorzitter bepaalde orde ter zitting en de voorzitter in de rede bleef vallen. Vervolgens heeft [verzoeker] de zittingszaal verlaten. Nadat mr. Heijmeriks het standpunt van de Stichting Zorgpartners heeft verwoord, heeft de wrakingskamer zich beraden omtrent het verzoek tot wraking van de voorzitter van de wrakingskamer. Na de schorsing van de zitting voor dit doel is [verzoeker] niet in de zittingszaal teruggekeerd. Naar de gerechtsbode meedeelde heeft hij – kennelijk – het gebouw verlaten.

2.3.

De wrakingskamer heeft verstaan dat [verzoeker] zijn aanvankelijk ingenomen standpunt de gehele wrakingskamer te wraken heeft verlaten en uiteindelijk enkel de voorzitter heeft gewraakt. De voorzitter heeft vervolgens meegedeeld dat de wrakingskamer het verzoek tot wraking van de voorzitter van de wrakingskamer buiten behandeling laat, omdat dit verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Uit de inhoud van de e-mails van [verzoeker] van 26, 27 en 28 oktober 2016 komt immers naar voren dat [verzoeker] kennelijk voorafgaand aan de behandeling al het standpunt had ingenomen dat aanvankelijk de wrakingskamer en vervolgens, op onduidelijke gronden, alleen de voorzitter van die kamer, gewraakt diende te worden, met als uitsluitend doel uitstel te bewerkstelligen van de behandeling van zijn wrakingsverzoeken van mrs. De Jonge en de andere door hem gewraakte rechter (en daarmee van de onderliggende procedure, waarin zijn huisuitzetting wordt gevorderd). De gronden ii tot en met iv zien immers op organisatorische handelingen die niet aan de voorzitter van de wrakingskamer kunnen worden toegerekend, terwijl het horen van de belanghebbende (i) in overeenstemming is met artikel 9.3 van het wrakingsprotocol van deze rechtbank. [verzoeker] is daartegen ten onrechte bezwaar blijven maken, hetgeen aanleiding was tot de mededeling van de voorzitter als hierboven vermeld onder (v).

2.4.

Vervolgens is de behandeling van het inleidende verzoek tot wraking van mr. De Jonge voortgezet. Nadat mr. Heijmeriks het standpunt van Stichting Zorgpartners had uiteengezet, heeft de wrakingskamer ter zitting mondeling uitspraak gedaan. Deze beslissing is een uitwerking daarvan.

2.5.

Op 1 november 2016 heeft [verzoeker] nog een e-mailbericht aan de wrakingskamer gezonden. Nu er al mondeling uitspraak was gedaan, is door de wrakingskamer geen acht geslagen op de inhoud van deze e-mail.

3 Het standpunt van verzoeker

Aan het wrakingsverzoek is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. De kortgedingprocedure betreft dezelfde vordering als een al eerder door Stichting Zorgpartners aanhangig gemaakte bodemprocedure tegen [verzoeker] . In laatstgenoemde procedure heeft [verzoeker] de rechter gewraakt en hangende dat wrakingsverzoek ligt de zaak stil en mag het dossier niet een andere procedure worden beoordeeld. Het is onrechtmatig dat Stichting Zorgpartners vervolgens een kortgedingprocedure aanhangig heeft gemaakt met dezelfde inhoud op basis van hetzelfde dossier. Ook is er geen sprake van een spoedeisend belang bij een voorziening in kort geding. Door desondanks in de kortgedingprocedure een zitting te plannen, handelt mr. De Jonge partijdig, althans is er sprake van een schijn van partijdigheid van mr. De Jonge.

4 Het standpunt van de gewraakte rechter

Mr. De Jonge berust niet in de wraking. Hij stelt dat het enkele feit dat door de griffie een zaak op zijn zitting is gepland onvoldoende reden is voor gegrondverklaring van het wrakingsverzoek.

5 Het standpunt van belanghebbende

Stichting Zorgpartners verzoekt de wrakingskamer het verzoek af te wijzen, nu mr. De Jonge [verzoeker] niet kent en het wrakingsverzoek kennelijk is gericht op vertraging van de kortgedingprocedure. Voorts verzoekt Stichting Zorgpartners de wrakingskamer om artikel 39 lid 4 Rv toe te passen.

6 De beoordeling

6.1.

Het plannen van een zaak op een zitting bij een bepaalde rechter is een organisatorische handeling van de griffie die niet aan de rechter op wiens zitting de zaak gepland wordt, valt toe te rekenen. Deze door [verzoeker] aangevoerde grond kan dan ook niet tot gegrondverklaring van het wrakingsverzoek leiden.

6.2.

Nu het plannen van de zaak op de zitting niet een beslissing van de kantonrechter is, slaagt ook de stelling van [verzoeker] dat mr. De Jonge de zaak ten onrechte op zitting heeft gepland omdat het spoedeisend belang ontbreekt niet. De vraag of er sprake is van spoedeisend belang dient in de kortgedingprocedure te worden beoordeeld, nadat hierover hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden.

6.3.

De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 3. weergegeven geven dan ook geen grond te vrezen dat het mr. De Jonge aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van hem de schijn van partijdigheid gewekt. Het verzoek tot wraking zal worden afgewezen.

6.4.

De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker misbruik maakt van het middel wraking, door eerst de kantonrechter in de bodemprocedure, vervolgens de kantonrechter in de kortgedingprocedure en ten slotte ook de voorzitter van de wrakingskamer op kennelijk onterechte gronden te wraken met als kennelijk doel de procedure op te houden. Om die reden is thans een wrakingsverbod als bedoeld in artikel 39 lid 4 Rv op zijn plaats. Een volgend verzoek van [verzoeker] om wraking van mr. De Jonge in de onderhavige zaak wordt niet behandeling genomen.

7 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat een volgend verzoek van [verzoeker] om wraking van mr. De Jonge in onderhavige zaak niet in behandeling zal worden genomen;

- bepaalt dat het proces in de kortgedingprocedure wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker [verzoeker] ;

• eiseres in de kortgedingprocedure Stichting Zorgpartners p/a mr. Heijmeriks;

• de kantonrechter mr. De Jonge.

Deze beslissing is gegeven door mrs. E. Rabbie, R. Cats en T.F. Hesselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.I. Geerling als griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2016.