Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16738

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6575
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure

Wetsverwijzingen
Rijksoctrooiwet 1995 23, geldigheid: 2010-10-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/6575

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2016 in de zaak tussen

de rechtspersoon naar buitenlands recht Flawa AG, gevestigd te Flawil (Zwitserland), eiseres

(gemachtigde: mr. W.E. Pors)

en

Octrooicentrum Nederland, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Witteman).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder een door eiseres ingediend verzoek tot herstel in de vorige toestand van het op haar naam gestelde Europese octrooi nr. [nummer] , dat per 1 november 2013 is vervallen, afgewezen.

Bij besluit van 28 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2016.

Voor eiseres zijn verschenen [persoon 1] en [persoon 2] , vertegenwoordigd door de gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat de jaarlijkse instandhoudingstakse niet is betaald, waardoor het octrooi nr. [nummer] van eiseres ingevolge artikel 62 van de Rijksoctrooiwet 1995 (Row 1995) van rechtswege is komen te vervallen.

2 Partijen verschillen van mening over de vraag of herstel van de vorige toestand op grond van het bepaalde in artikel 23 van de Row 1995 mogelijk en geboden is.

3 Vaststaat dat [persoon 3] , ten tijde van belang als CEO werkzaam bij eiseres, de door het Zwitserse betaalkantoor Isler & Pedrazzini verzonden schriftelijke herinnering voor het betalen van de jaartakse aan Isler heeft geretourneerd met de aantekening dat het octrooi kon vervallen.

4 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat [persoon 3] zich ten onrechte bevoegd heeft geacht een beslissing over het vervallen van het octrooi te nemen. Volgens de interne bevoegdheidsregels was alleen de Verwaltungsrat, en niet de Geschäftsleiding of [persoon 3] , daartoe bevoegd. [persoon 3] had de aan hem door de voorzitter van de Board of Directors, [persoon 4] , toegezonden betalingsherinnering moeten accepteren als een instructie om te betalen. Nu [persoon 3] zich ten onrechte bevoegd heeft geacht te beslissen, kan eiseres daarvoor niet verantwoordelijk worden gehouden. Verweerder heeft het handelen van [persoon 3] ten onrechte aan eiseres toegerekend.

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5 Ingevolge artikel 62 van de Rijksoctrooiwet 1995 (hierna: Row 1995) vervalt een octrooi van rechtswege, wanneer de in artikel 61 genoemde bedragen niet binnen zes kalendermaanden na de daar genoemde vervaldag zijn betaald.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Row 1995 wordt, indien de aanvrager of de houder van een Europees octrooi, ondanks het betrachten van alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid, niet in staat is geweest een termijn ten opzichte van het Octrooicentrum Nederland in acht te nemen, op zijn verzoek door het Octrooicentrum Nederland de vorige toestand hersteld, indien het niet in acht nemen van de termijn ingevolge de Row 1995 rechtstreeks heeft geleid tot het verlies van enig recht of rechtsmiddel.

Ingevolge artikel 122, eerste lid, van het Europees Octrooiverdrag (EOV) wordt een aanvrager of houder van een Europees octrooi die, ondanks het betrachten van alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid, niet in staat is geweest ten aanzien van het Europees Octrooibureau een termijn in acht te nemen, op verzoek in zijn rechten hersteld indien het niet-naleven van deze termijn rechtstreeks tot gevolg heeft dat de Europese octrooiaanvrage of een verzoek wordt afgewezen, dat de aanvrage wordt geacht te zijn ingetrokken, dat het Europees octrooi herroepen wordt of dat een ander recht of rechtsmiddel verloren gaat.

In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer 1974-1975, 13209, nr. 3, blz. 37), op artikel 17A van de Rijksoctrooiwet 1910 (het huidige artikel 23 Row 1995) staat het volgende vermeld:

“Voor het op gang brengen van de octrooiverleningsprocedure en de afwikkeling daarvan- daarbij moet onder meer ook gedacht worden aan het instellen van beroep tegen beslissingen van de aanvraagafdelingen van de Octrooiraad- is vrijwel steeds het initiatief van de aanvrager vereist. Deze moet daartoe telkens binnen een bepaalde termijn een handeling verrichten. Het kan nu voorkomen dat de aanvrager zulk een handeling niet voor afloop van de daarvoor gestelde termijn heeft kunnen verrichten. Indien zulk een verzuim rechtstreeks tot verlies van een recht of van een rechtsmiddel heeft geleid, ondanks het betrachten van alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid, opent het voorgestelde artikel in het eerste lid de mogelijkheid tot herstel in de toestand waarin de aanvrager vóór afloop van de termijn verkeerde. Aan een dergelijke regeling blijkt in de praktijk een duidelijke behoefte te bestaan; het wordt als onbillijk ervaren, de overschrijding van een termijn, die het gevolg is van buiten de wil van de aanvrager liggende omstandigheden, die hij redelijkerwijs niet kon voorzien, tot verlies van voor hem zo belangrijke rechten leidt. De regeling bestaat ook in het Europees octrooiverdrag. Artikel 122 van dat verdrag heeft de onderhavige bepaling tot voorbeeld gestrekt, zij het dat niet alle elementen uit dat artikel in artikel 17A ongewijzigd zijn overgenomen”. “……..” “Het criterium, dat de aanvrager alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid moet hebben betracht, is aan het Europees Octrooiverdrag ontleend. Men heeft in dat verdrag een materiële omschrijving van wat men excusabele omstandigheden achtte willen geven.”

6 De rechtbank volgt verweerder in diens standpunt dat artikel 23 van de Row 1995 in het onderhavige geval niet van toepassing is omdat geen sprake is van een verzuim of het abusievelijk missen van een (betalings)termijn waardoor het octrooi onbedoeld is komen te vervallen, maar van een welbewust verstrekte opdracht om de takse niet te betalen. Dat dit, achteraf beschouwd, het verkeerde besluit was, doet aan het vorenstaande niet af. Dat artikel 23 Row 1995 niet is geschreven voor de situatie die zich in het onderhavige geval heeft voorgedaan, blijkt ook uit de uitspraken van het Board of Appeal over het opzettelijk missen van een termijn (T 413/91 en J 2/02). Verweerder heeft terecht betoogd dat uit deze jurisprudentie over het met artikel 23 Row 1995 vergelijkbare artikel 122 EOV blijkt dat de bepaling, gelet op de bijzondere strekking ervan, beperkt moet worden uitgelegd. Pas wanneer blijkt van een objectieve reden waarom de termijn niet in acht is genomen, wordt beoordeeld of alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid is betracht. De bepaling bevat niet het recht een bewuste actie ongedaan te maken.

De rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat de handelingen van [persoon 3] niet aan eiseres zouden mogen worden toegerekend omdat [persoon 3] in grote mate de schijn heeft gewekt dat hij bevoegd was Flawa te vertegenwoordigen.

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar het gestelde in het verweerschrift onder 6, dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien buitenlandse beslissingen omtrent herstel van het onderhavige octrooi in de besluitvorming te betrekken.

7 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.