Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16723

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
AWB 16/20736+AWB 16/20737
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aanvraag van langdurig ingezetene om verblijfsvergunning regulier onder beperking “arbeid als zelfstandige” afgewezen, omdat niet is aangetoond dat eiseres beschikt over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en haar gezin nu en in de toekomst te onderhouden. De rechtbank oordeelt dat verweerder gelet op de door eiseres overgelegde opdrachtovereenkomsten, facturen, bankafschriften en salarisspecificaties van haar personeel, tezamen en in onderling verband bezien, niet zonder meer de conclusie mocht trekken dat eiseres zonder een voldoende onderbouwd ondernemingsplan, althans een te summier ondernemingsplan, niet heeft aangetoond dat zij voldoet aan het middelenvereiste, in het bijzonder het duurzaamheidscriterium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/20736 (beroep)

AWB 16/20737 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 13 december 2016 in de zaak tussen

[de vrouw] ,

geboren op [geboortedatum] 1980, van Marokkaanse nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna te noemen: eiseres

(gemachtigde: mr. T.F.W. Kouwenhoven),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Gerritsen).

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2016, verzonden op 29 januari 2016, heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 8 januari 2016 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 (onder de beperking “arbeid als zelfstandige”) afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van
19 augustus 2016 ongegrond verklaard.

Op 13 september 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Bij brief van diezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig [de man] , de echtgenoot van eiseres. De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. Eiseres heeft in Spanje de status van langdurig ingezetene als bedoeld in
artikel 8 van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (de Richtlijn).

2. Eiseres beoogt de verkrijging van een verblijfsvergunning om als zelfstandige in Nederland arbeid te verrichten bij eenmanszaak ‘ [naam bedrijf] ’. De startdatum van de eenmanszaak is 26 mei 2015.

3.1

Eiseres heeft bij haar aanvraag, voor zover van belang, de volgende stukken overgelegd:

  • -

    kopie van een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) van de onderneming van eiseres, d.d. 08 januari 2016;

  • -

    werkopdracht [bedrijf] voor 8 uur per week, d.d. 1 januari 2016;

  • -

    opdrachtovereenkomst (schoonmaak) [bedrijf I] ., d.d. 1 januari 2016;

  • -

    een ongedateerd ondernemingsplan.

3.2

In bezwaar heeft eiseres, voor zover van belang, de volgende stukken overgelegd:

  • -

    diverse bankafschriften;

  • -

    diverse brieven van de Belastingdienst ;

  • -

    aangifte omzetbelasting eerste kwartaal 2016, d.d. 19 april 2016;

  • -

    aangifte loonheffingen over januari, februari en maart 2016;

  • -

    kopieën bankpasjes, zorgpasjes en verblijfsdocumenten werknemers;

  • -

    diverse salarisspecificaties;

  • -

    diverse printscreens van en uittreksels uit het handelsregister;

  • -

    diverse facturen aan [bedrijf I] ., [bedrijf II] , [bedrijf III] , [bedrijf] en [bedrijf IV] ;

  • -

    opdrachtovereenkomst (schoonmaak) [bedrijf II] voor de duur van één jaar, d.d. 10 februari 2016;

  • -

    opdrachtovereenkomst (schoonmaak) [bedrijf III] voor de duur van één jaar, d.d. 08 februari 2016;

  • -

    opdrachtovereenkomst (schoonmaak) [bedrijf IV] voor de duur van één jaar,
    d.d. 09 februari 2016.

3.3

In beroep heeft eiseres een winst en verliesrekening 2016, aangifte omzetbelasting derde kwartaal 2016 en het nieuwe ondernemingsplan overgelegd. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) is de rechtbank van oordeel dat deze stukken, gelet op de ex tunc toetsing door de rechtbank, met uitzondering van de aangifte omzetbelasting derde kwartaal 2016, buiten beschouwing zullen worden gelaten. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:410.

4. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat – kort gezegd – niet is aangetoond dat eiseres beschikt over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en haar gezin nu en in de toekomst te onderhouden. Het bij de aanvraag overgelegde ondernemingsplan is inhoudelijk erg summier en er ontbreekt een gedegen op de onderneming toegespitste marktanalyse. Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit gehandhaafd en heeft daaraan toegevoegd dat de overgelegde opdrachtovereenkomsten niet voldoende zijn bekrachtigd, zowel de functie van de ondertekenaar als de bedrijfsstempel ontbreekt. De uittreksels uit het handelsregister zijn hiertoe onvoldoende.

5. Eiseres voert aan dat uit de Richtlijn noch nationale wet- en regelgeving volgt dat voor de vaststelling van voldoende middelen van bestaan een ondernemingsplan moet worden overgelegd. Doordat verweerder dit wel als voorwaarde stelt, is het bestreden besluit onjuist genomen, aldus eiseres.

6.1

De rechtbank overweegt als volgt.

6.2

In artikel 15 van de Richtlijn zijn de voorwaarden voor verblijf in een tweede lidstaat neergelegd. In artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn is bepaald dat de lidstaten betrokkene kunnen vragen bewijzen te overleggen waaruit blijkt dat hij beschikt over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen deze inkomsten afgaande op de aard en de regelmaat ervan, waarbij zij rekening mogen houden met het niveau van het minimumloon en het minimumpensioen. In artikel 15, vierde lid, aanhef en onder a, sub ii, van de Richtlijn is onder meer bepaald dat de aanvraag vergezeld gaat van overeenkomstig de nationale wetgeving vereiste bewijsstukken waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de desbetreffende voorwaarden. In het bijzonder wanneer het gaat om de uitoefening van een economische activiteit als zelfstandige, mag worden verwacht dat hij bewijst dat hij beschikt over de volgens het nationale recht noodzakelijke middelen om een dergelijke economische activiteit uit te oefenen, waarbij hij de vereiste documenten en vergunningen overlegt.

6.3

De Richtlijn is geïmplementeerd in de Vw 2000, het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 en de Vreemdelingencirculaire 2000.

6.4

Op grond van artikel 3.30, eerste lid, van het Vb 2000, voor zover van belang, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan de vreemdeling die:

b. uit die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft.

6.5

In de Nota van toelichting bij het Besluit van 23 november 2006 tot wijziging van het Vb 2000 in verband met de implementatie van de Richtlijn (Stb. 2006, 585, p. 25 en 26) is het volgende vermeld:

“(..)

Onderdeel F (artikel 3.30)

(…)

De lidstaten mogen echter ingevolge artikel 15, tweede lid, onder a, tweede zin, van de Richtlijn beoordelen of de middelen vast, regelmatig en voldoende zijn, afgaande op de aard en de regelmatigheid van de inkomsten: in casu arbeid als zelfstandige. (…)

Artikel 15, vierde lid, onder ii, van de richtlijn bepaalt voorts dat de aanvraag vergezeld gaat van overeenkomstig de nationale wetgeving vereiste bewijsstukken waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de desbetreffende voorwaarden, in het bijzonder wanneer het gaat om de uitoefening van een economische activiteit als zelfstandige: het bewijs dat hij beschikt over de volgens het nationale recht noodzakelijke middelen om een dergelijke economische activiteit uit te oefenen. Als zodanig worden aangemerkt de volgens het artikel 3.30, eerste lid, onder b, van de Vb 2000 omschreven middelen.

6.6

Op grond van het bovenstaande overweegt de rechtbank dat verweerder van de vreemdeling die EU-langdurig ingezetene is, stukken mag verlangen waaruit blijkt dat hij arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten en waaruit blijkt dat hij uit die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft. Anders dan eiseres stelt, heeft verweerder blijkens het bestreden besluit niet alleen het door verweerder summier bevonden ondernemingsplan aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd, maar heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit de door eiseres overgelegde stukken niet blijkt dat is voldaan aan het middelenvereiste. De beroepsgrond kan daarom niet slagen.

7.1

Eiseres voert vervolgens aan dat zij met de in bezwaar overgelegde stukken ruimschoots heeft aangetoond dat de onderneming voldoende inkomsten voor haar en het gezin genereert om van rond te komen. Het vereiste van ‘vaste en regelmatige inkomsten om te voorkomen dat een beroep wordt gedaan op de openbare kas’ als genoemd in artikel 15 van de Richtlijn is een Unierechtelijk begrip dat bijvoorbeeld ook terugkomt in Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (de Gezinsherenigingsrichtlijn). Voor de beoordeling van ‘voldoende middelen van bestaan’ dient derhalve te worden aangesloten bij de Unierechtelijke maatstaven, waaronder het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 21 april 2016 inzake Khachab (C-558/14), het arrest van het Hof van 4 april 2010 inzake Chakroun (C-578/08) en het arrest van 6 december 2012 inzake O,S en L (C-356/11 en
C-357/11).

7.2.1

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat voor de beoordeling van ‘vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezin te onderhouden’ moet worden aangesloten bij de uitleg die het Hof in het kader van de Gezinsherenigingsrichtlijn heeft gegeven, overweegt de rechtbank als volgt. De door eiseres aangehaalde arresten zien op gezinshereniging op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de genoemde arresten analoog moeten worden toegepast op deze aanvraag, waarbij geen sprake is van gezinshereniging, maar van verblijf als langdurig ingezetene. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Gelderland van
8 september 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:4879, en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 16 maart 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2197. Het beroep op de bovengenoemde arresten kan daarom niet slagen.

7.2.2

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij met de in bezwaar overgelegde stukken heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat eiseres met name niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de toekomst voldoende bestaansmiddelen zal genereren met haar onderneming en dat daarmee dus niet is aangetoond dat de inkomsten duurzaam zijn. De rechtbank oordeelt anders en overweegt daartoe als volgt. Eiseres heeft een werkopdracht met [bedrijf] overgelegd en vier opdrachtovereenkomsten met DCL, [bedrijf III] , [bedrijf II] en [bedrijf IV] . Met verweerder overweegt de rechtbank dat de werkovereenkomst met [bedrijf] te summier is. De overeenkomst vermeldt niet wat de looptijd is, een bedrijfsstempel ontbreekt en onduidelijk is of de persoon die de overeenkomst getekend heeft daartoe ook daadwerkelijk was bevoegd. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank niet voor de overgelegde opdrachtovereenkomsten. Weliswaar zijn de opdrachtovereenkomsten – behalve die met [bedrijf I] – niet voorzien van een bedrijfsstempel en is om die reden niet direct duidelijk dat de personen die deze overeenkomsten hebben getekend ook daadwerkelijk daartoe bevoegd zijn, maar bij vergelijking van deze namen met de gegevens uit bijgevoegde uittreksels uit het handelsregister blijkt dat die overeenkomen. Daarnaast zijn de opdrachtovereenkomsten met [bedrijf III] , [bedrijf II] en [bedrijf IV] aangegaan tot verschillende data in februari 2017 en dat betekent dat deze overeenkomsten op het moment van het bestreden besluit in elk geval nog een half jaar van kracht waren. Eiseres heeft voorts diverse facturen in het geding gebracht die haar betoog onderbouwen dat zij regelmatig werkzaamheden voor deze opdrachtgevers verricht en daarvoor dienovereenkomstig betaald wordt. De rechtbank oordeelt dat verweerder gelet op de door eiseres overgelegde opdrachtovereenkomsten, de facturen met betrekking tot die ondernemingen, bankafschriften waaruit volgt dat eiseres geld ontvangt van deze ondernemingen en de salarisspecificaties van het personeel van eiseres, tezamen en in onderling verband bezien, niet zonder meer de conclusie mocht trekken dat eiseres zonder een voldoende onderbouwd ondernemingsplan, althans een te summier ondernemingsplan, niet heeft aangetoond dat zij voldoet aan het middelenvereiste, in het bijzonder het duurzaamheidscriterium. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van verweerder gelegen om het voornoemde te betrekken bij zijn oordeel. Door dit na te laten is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd genomen en derhalve in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat het verweerder eerst in de beroepsfase bekend is geworden dat de onderneming van eiseres een vennootschap onder firma is geworden, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De beroepsgrond slaagt.

8.1

In het kader van finale geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding om het beroep van eiseres op artikel 8 van het van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te bespreken. Eiseres heeft betoogd dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat niet alleen de procedures van twee van de minderjarige kinderen ( [naam kinderen] ) van de procedure van eiseres afhankelijk zijn, maar ook dat haar minderjarige zoon [naam kind] , die de Spaanse nationaliteit heeft, samen met de echtgenoot van eiseres rechtmatig verblijf in Nederland heeft.

8.2

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit, verder toegelicht in het verweerschrift en ter zitting, op het standpunt dat, zelfs indien moet worden aangenomen dat tussen eiseres en haar echtgenoot en een derde kind in Nederland gezinsleven bestaat, niet is gebleken dat sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM. Verweerder neemt hierbij in aanmerking dat niet is gebleken van objectieve of subjectieve belemmeringen om het gezinsleven in Spanje voort te zetten, alwaar eiseres verblijf als langdurig ingezetene heeft en haar echtgenoot heeft gewoond en gewerkt. [naam kind] is in Spanje geboren en heeft de Spaanse nationaliteit. [naam kinderen] zijn in Spanje geboren en gelet op hun jeugdige leeftijd (geboren op respectievelijk [geboortedatum] 2012 en [geboortedatum] 2015) moeten zij in staat worden geacht om zich aan een leven in Spanje aan te passen. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die maken dat aan het persoonlijk belang van eiseres een zwaarder gewicht zou moeten worden toegekend dan aan het algemeen belang.

8.3

De rechtbank overweegt als volgt. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiseres in het bezwaarschrift geen expliciet beroep op artikel 8 van het EVRM heeft gedaan, maar dat eiseres tijdens de hoorzitting op 7 juni 2016 heeft verklaard: “Ik had de wens om samen te zijn met mijn echtgenoot en onze drie kinderen, onder wie onze zoon, [naam kind] , die al bij mijn man in Nederland woonde”. De rechtbank oordeelt dat verweerder hier een beroep op artikel 8 van het EVRM in had mogen zien. De rechtbank stelt vervolgens vast dat sprake is van gezinsleven tussen eiseres, haar echtgenoot en hun drie minderjarige kinderen. De rechtbank stelt voorts vast dat het een eerste toelating betreft, en dat dit betekent dat slechts in zeer uitzonderlijke situaties sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM indien verblijf wordt geweigerd. Dit neemt niet weg dat wel een belangenafweging dient plaats te vinden. Uit het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer van 31 januari 2006 van het Europees Hof voor de rechten van de mens, nr. 50435/99, volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens kinderen enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. De gehanteerde maatstaf van de ‘fair balance’ impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

8.4

De rechtbank is van oordeel dat een zeer uitzonderlijke situatie zoals hiervoor bedoeld zich in dit geval niet voordoet en dat verweerder een kenbare belangenafweging ten aanzien van het familie- en gezinsleven en het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM heeft gemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat verweerder niet de vereiste ‘fair balance’ heeft bereikt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de onder 8.2 weergegeven afweging dat alle van betekenis zijnde feiten en omstandigheden zijn meegewogen en dat verweerder zich op grond daarvan niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de weigering eiseres een verblijfsvergunning te verlenen niet met zich brengt dat sprake is van een schending van het recht op het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

10. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.488,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,--, en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 16/20736,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 16/20737,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 336,-- (zegge: driehonderdzesendertig euro) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.488,-- (zegge: veertienhonderdachtentachtig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EM

D: C

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.