Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1671

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5488
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning voorziening (vergoeding medicinale cannabis) i.v.m. PTSS. Verweerder heeft in redelijkheid een einddatum kunnen hanteren, waarna herbeoordeling dient plaats te vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/5488 ABP

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. W.R.C. Adang).

Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2014 heeft verweerder eisers verzoek om vergoeding van de kosten van medicinale cannabis afgewezen.

Bij besluit van 3 juli 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, in die zin dat alsnog wordt overgegaan tot het toekennen van een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van medicinale cannabis, zij het dat deze voorziening vooralsnog wordt toegekend met als einddatum 4 maart 2017. Voor zover het bezwaar een ruimere strekking heeft wordt het ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2015.

Eiser is in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser, voormalig militair bij de Koninklijke Landmacht, heeft PTSS. Hij heeft verweerder bij brief van 2 september 2014 verzocht om vergoeding van de kosten van medicinale cannabis. Hij gebruikt dit als thee om gedurende de nacht minder schrikachtig te zijn. Eiser stelt dat hij door zijn behandelend psychologe is doorverwezen naar [persoon A], die met deze behandeling goede resultaten heeft geboekt bij veteranen,

1.2

Bij besluit van 13 oktober 2014 heeft verweerder eisers verzoek afgewezen, omdat het gebruik van medicinale cannabis niet medisch noodzakelijk is voor de dienstverbandaandoening.

Eiser heeft bij brief van 17 oktober 2014 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Eiser is op 3 maart 2015 gehoord in het kader van zijn bezwaar.

1.3

Bij besluit van 3 juli 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, in die zin dat alsnog wordt overgegaan tot het toekennen van de gevraagde voorziening (een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van medicinale cannabis), zij het dat deze voorziening vooralsnog wordt toegekend met als einddatum 4 maart 2017. Voor zover het bezwaar een ruimere strekking heeft wordt het ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 26 juli 2015 beroep ingesteld tegen dit besluit.

2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat toekenning moet plaatsvinden voor een bepaalde periode en niet zonder einddatum. Het verzoek van eiser dateert van 4 september 2014. Gelet op de brief van de verzekeringsarts [verzekeringsarts] van 4 december 2014 wordt vergoeding toegekend voor een periode van 6 maanden, derhalve tot 4 maart 2015. Bij brief van 16 maart 2015 is eiser medegedeeld dat een bedrag van € 650,72 zal worden vergoed. Dit bedrag komt voort uit de door eiser gestuurde overzichten waaruit de door hem gemaakte kosten tot 3 maart 2015 blijken. Gelet op het advies van [verzekeringsarts] van 28 mei 2015 wordt de periode verlengd met 2 jaar, derhalve eindigt de vergoeding op 4 maart 2017. Na ommekomst van deze periode wordt opnieuw gekeken of de gevraagde voorziening nog steeds medisch noodzakelijk is voor de dienstverbandaandoening.

3 Eiser heeft, voor zover hier van belang, aangevoerd dat hij PTSS heeft met dienstverband. Een specifiek onderdeel van zijn klachten is hyper-alertheid en slapeloosheid. Vanaf eind augustus 2014 gebruikt eiser medicinale cannabis, doch enkel voor zover hij dit zelf kon bekostigen. Hij gebruikt het in de vorm van thee, de dosering is 1. gram cannabis per dag. Bij brief van 16 maart 2015 heeft verweerder aangeboden de tot dan toe gemaakte kosten te vergoeden. Gelet op de (bijzondere)zorgplicht valt niet in te zien waarom de vergoeding voorshands op twee jaar wordt gemaximeerd. PTSS is ‘for life’, zo zal het gebruik van cannabis waarschijnlijk ook zijn. Eiser is voor zijn aandoening inmiddels uitbehandeld (bij psycholoog en psychiater) vanwege het uitblijven van resultaat. Dit heeft tot gevolg dat hij niet meer aan allerlei aanvullende eisen kan voldoen om de noodzaak van gebruik in de ogen van het ABP aan te tonen. De aandoening is chronisch gebleken en zo zal ook de medicatie moeten zijn.

4 Ingevolge artikel 11 van de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers kan de betrokkene in bijzondere gevallen in aanmerking komen voor een voorziening, verband houdende met zijn invaliditeit, indien hierin niet door een andere regeling wordt voorzien. Van een bijzonder geval is sprake indien niet toekenning van de bijzondere voorziening voor de betrokkene tot kosten zou leiden die redelijkerwijs niet ten laste van hem dienen te komen en bovendien zou leiden tot ernstige bestaansverschraling of psychische decompensatie van de betrokkene.

5 In geschil is dat verweerder bij de toekenning van de gevraagde voorziening, te weten de vergoeding voor het gebruik van medicinale cannabis, een einddatum heeft vastgesteld.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift uiteengezet dat met name waar het gaat om voorzieningen, waar een medische indicatie aan de orde is, het gebruikelijk is om een termijn te stellen aan de toekenning. Zo ook bij het toekennen van medicinale cannabis. Het gebruik hiervan is nu medisch geïndiceerd. Ook als de PTSS niet overgaat, zoals eiser stelt, kunnen de beperkingen waarvoor eiser de medicinale cannabis nodig heeft, die niet statisch zijn, na verloop van tijd veranderen, aldus verweerder.

De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder. Niet valt in te zien dat deze gedragslijn van verweerder bij voorzieningen als de onderhavige in eisers geval niet zou mogen worden gevolgd. Uit de voorhanden zijnde informatie van de behandelend psycholoog van eiser, [pscycholoog], van 14 oktober 2014 alsmede de informatie van psycholoog [pscycholoog] en psychiater [psychiater], van 7 mei 2015 volgt niet dat eiser een levenslange medische indicatie heeft voor het gebruik van medicinale cannabis. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid de adviezen van verzekeringsarts [verzekeringsarts] van 4 december 2014 en 28 mei 2015 mogen volgen. Hieruit volgt dat verweerder in redelijkheid als einddatum van de voorziening 4 maart 2017 heeft kunnen hanteren en dat een herbeoordeling dient plaats te vinden. De rechtbank overweegt ter zake van eisers standpunt dat hij te zijner tijd niet aan de eisen zou kunnen voldoen, omdat hij is uitbehandeld, dat uit de brief van 7 mei 2015 van [pscycholoog] en [psychiater] volgt dat de behandeling met medische cannabis is overgedragen aan zijn huisarts. Eiser kan zich desgewenst wenden tot zijn huisarts voor de nadere onderbouwing van de medische indicatie indien een verlenging van de huidige voorziening aan de orde komt.

Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

6 Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G.J. Dop, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.