Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16698

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
C/09/12/33 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toerekenbare tekortkomingen tijdens looptijd schuldsaneringsregeling. Verplichtingen moeten tijdens de regeling worden nagekomen. Giften van derden kunnen tekortkomingen niet helen. Benadering dat geld van derden hogere opbrengst voor schuldeisers betekent, verdraagt zich niet met aard en strekking WSNP. Financiële hulp van derden mogelijk vóór de regeling, met een dwangakkoord of een akkoord tijdens de regeling. Verlenging duur regeling is bedoeld om schuldenaar zelf de tekortkomingen te laten herstellen - eventueel - met geld dat niet (door verlenging alsnog) in de boedel valt. (bl.k).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – meervoudige kamer

insolventienummer: C/09/12/33 R

uitspraakdatum : 9 augustus 2016

vonnis in de schuldsaneringsregeling van:

[schuldenaar],

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats],

wonende te [adres, postcode en woonplaats],

voorheen handelend onder de naam ”X”,

gevestigd [vestigingsadres en vestigingsplaats],

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Den Haag onder nummer [00000000],

advocaat: mr. L.E.D. Tjeertes.

Verloop van de procedure

1.1 Bij vonnis van 13 januari 2012 is ten aanzien van schuldenaar de toepassing van de

schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van, laatstelijk,

mr. M.M.F. Holtrop tot rechter-commissaris en van mr. F.J. Hordijk, kantoorhoudende te Naaldwijk, tot bewindvoerder.

1.2. De bewindvoerder heeft op de voet van artikel 351a van de Faillissementswet (Fw)

schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de toepassing van de

schuldsaneringsregeling. Vanwege het niet correct nakomen van de verplichtingen

adviseert de bewindvoerder negatief ten aanzien van het verlenen van een schone lei.

1.3. Bij brief van 4 mei 2015 heeft de bewindvoerder de rechtbank geïnformeerd over de laatste stand van zake

1.4. Op 13 mei 2015 heeft de terechtzitting als bedoeld in artikel 352 Fw plaatsgevonden.

Namens de bewindvoerder is mr. N.R. Riedijk verschenen. Tevens is schuldenaar, vergezeld door mr. Tjeertes voornoemd, ter zitting verschenen en gehoord. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank de behandeling aangehouden tot 10 september 2015.

1.5 Op 19 augustus 2015, 9 september 2015 en 30 september 2015 heeft mr. Tjeertes de rechtbank nadere informatie gezonden.

1.6. Op 31 juli 2015, 10 september 2015, 12 april 2016 en 22 april 2016 heeft de bewindvoerder de rechtbank geïnformeerd over de laatste stand van zaken.

1.7 Op 24 juni 2016 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de behandeling voortgezet. Schuldenaar is, vergezeld van mr. Tjeertes, ter zitting verschenen. Namens de bewindvoerder is D.H.H. Graven-Quasters verschenen.

1.8 De uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

De rechtbank overweegt als volgt.

2.2

Bij de beoordeling of een schuldenaar al dan niet de zogenoemde schone lei kan worden verleend, staat centraal de vraag of de schuldenaar gedurende de duur van de schuldsaneringsregeling al dan niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Onder de duur van de schuldsaneringsregeling dient hierbij te worden verstaan de termijn die ingevolge artikel 349a Fw voor de betrokken schuldsanering geldt (HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0890, m.nt. F.M.J. Verstijlen). De termijn als bedoeld in artikel 349a Fw is reeds op 13 januari 2015 verstreken.

2.3

Vast is komen staan dat schuldenaar – tijdens de duur van de schuldsaneringsregeling – niet heeft voldaan aan meerdere verplichtingen die voor hem uit die regeling voortvloeiden. Het gaat daarbij om de volgende verplichtingen:

a. Schuldenaar is de informatieplicht niet (correct) nagekomen.

Uit de verslagen van de bewindvoerder blijkt dat schuldenaar nagenoeg de gehele regeling niet heeft voldaan aan de informatieplicht. Zo ontbreken vanaf het eerste openbare verslag tot einde regeling structureel stukken ten behoeve van het berekenen van het vrij te laten bedrag. Schuldenaar is tot twee keer toe zonder aankondiging of toestemming verhuisd naar een duurdere woning. Bij aanvang van de regeling woonde schuldenaar in een huurwoning van € 550,- per maand, daarna heeft schuldenaar woningen geaccepteerd met een maandhuur van € 750,- en € 780,-. Schuldenaar is meermaals in de openbare verslagen door de bewindvoerder gewezen op zijn informatieverplichting. Desalniettemin heeft schuldenaar nagelaten om gedurende de regeling verbetering aan te brengen.

Schuldenaar is de inspanningsplicht niet (correct) nagekomen.

Bij aanvang van de regeling had schuldenaar een fulltime baan voor de duur van

6 maanden, tot 1 mei 2012. Desgevraagd heeft schuldenaar verklaard dat hij per juli 2014 werkloos is en sindsdien een WW-uitkering ontvangt. Schuldenaar heeft op of omstreeks maart 2014 zijn baan opgezegd zonder medeweten van de rechter-commissaris en/of bewindvoerder om opnieuw in dienst te treden bij zijn voormalige werkgever. Vervolgens is het contract in de proeftijd van schuldenaar beëindigd, waardoor schuldenaar een beroep heeft moeten doen op een WW-uitkering. Schuldenaar heeft gedurende de periode juli 2014 tot 13 januari 2015 onvoldoende (deugdelijke) sollicitatiebewijzen overgelegd

Schuldenaar heeft nieuwe schulden doen ontstaan.

De bewindvoerder heeft ten tijde van het tweede openbaar verslag van 13 juli 2012 geconstateerd dat schuldenaar een nieuwe schuld van € 522,69 heeft laten ontstaan wegens onbetaalde gelaten inzake premies zorgverzekering. Nadien heeft schuldenaar in 2014 wederom nieuwe schulden laten ontstaan bij de Belastingdienst, de zorgverzekeraar en Fysiopunt.

Schuldenaar heeft onvoldoende aan de boedel afgedragen.

Tijdens de schuldsaneringsregeling dient schuldenaar ervoor te zorgen dat maandelijks aan de boedelrekening afdrachten worden verricht. Gebleken is dat schuldenaar een boedelachterstand van € 4.506,20 heeft laten ontstaan. De bewindvoerder heeft schuldenaar vanaf het tweede verslag (13 juli 2012) bij herhaling gewezen op het bestaan van een boedelachterstand. Weliswaar kon bij het tweede verslag de precieze hoogte nog niet worden vastgesteld omdat meerdere stukken niet waren overgelegd, maar schuldenaar is er op gewezen dat te weinig is afgedragen. Het verweer van schuldenaar dat hij een periode weinig inkomsten heeft gehad omdat hij zijn baan is verloren, maar wel hoge woonkosten had en daardoor niet in staat was om enige tijd aan de boedel af te dragen, wordt verworpen. Immers schuldenaar heeft vanaf het begin van de regeling structureel te weinig afgedragen en daarnaast is schuldenaar op eigen initiatief huurovereenkomsten met een hogere huurprijs aangegaan. Niet is gebleken dat schuldenaar zich gedurende de regeling heeft ingespannen om de boedelachterstand in te lopen.

2.4

Ter beoordeling staat vervolgens of dit tekortschieten door schuldenaar in de nakoming van de hiervoor genoemde verplichtingen aan hem kan worden toegerekend. Op dit punt is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken van feiten of omstandigheden op basis waarvan tot het oordeel kan worden gekomen dat dit niet het geval is. Het verweer dat schuldenaar de verplichtingen niet is nagekomen omdat hij voornemens was een akkoord aan zijn schuldeisers aan te bieden en dit (tot het najaar van 2014) door toedoen van de bewindvoerder is vertraagd, maakt dit niet anders. Een poging om een akkoord te bewerkstelligen, maakt niet dat de verplichtingen niet behoeven te worden nagekomen. Schuldenaar wist dit, althans behoorde dit te weten, ook indien hij al zijn hoop had gevestigd op het tot stand brengen van een akkoord. De tekortkomingen blijken uit de door de bewindvoerder uitgebrachte verslagen en uit de berichtgeving van de bewindvoerder blijkt dat schuldenaar daar bij herhaling ook anderszins op is geattendeerd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat voornoemd tekortschieten aan schuldenaar dient te worden toegerekend.

2.5

Resteert de beantwoording van de vraag en of de toerekenbare tekortkoming buiten beschouwing kunnen blijven vanwege de bijzondere aard of geringe betekenis daarvan. Bij de beantwoording van deze vraag kunnen ook feiten of omstandigheden die zich ná de looptijd van de schuldsanering hebben voorgedaan een rol spelen.

2.6

De tijdens de duur van de schuldsaneringsregeling ontstane toerekenbare tekortkomingen zijn – zowel afzonderlijk als tezamen bezien – naar het oordeel van de rechtbank geenszins van geringe betekenis.

2.7

Na de looptijd van de schuldsanering is alsnog grotendeels aan de informatieplicht voldaan en zijn voldoende sollicitatiebewijzen aan de bewindvoerder overlegd. Tevens zijn de tijdens de schuldsanering ontstane nieuwe schulden door derden betaald. Ook hebben derden een bedrag ter beschikking gesteld dat gelijk is aan de ontstane boedelachterstand (€ 4.506,20), onder voorwaarde van het verkrijgen van een schone lei. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet dat de gedurende de schuldsanering ontstane toerekenbare tekortkomingen buiten beschouwing kunnen blijven, waartoe het volgende wordt overwogen.

2.8

De wettelijke schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar die in een financieel problematische situatie terecht is gekomen het vooruitzicht om na de duur van deze regeling in financieel opzicht met een schone lei verder te kunnen gaan. Hier staat tegenover dat van de schuldenaar een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning mag en moet worden gevergd om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers. Het is evident dat die bijdrage en inspanningen door de schuldenaar tijdig en zelf moeten worden geleverd. Met andere woorden, van een schuldenaar dient te worden verwacht dat tijdens de schuldsaneringsregeling de uit die regeling voortvloeiende verplichtingen volledig worden nagekomen. Hierbij heeft mede te gelden dat een schuldenaar die de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen correct is nagekomen, geacht moet worden zijn financiële situatie (weer) op orde te hebben. In dat geval kan immers gedurende een periode van tien jaar geen beroep meer worden gedaan op toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (art. 288 lid 2 aanhef en onder d Fw), terwijl van schuldeisers niet kan worden verwacht dat ze hun vorderingen gedwongen laten varen (art. 358, eerste lid, Fw.), terwijl schuldenaar ook daarna nog steeds in een financieel problematische situatie zit. Binnen dit kader past het niet dat het door schuldenaar toerekenbaar tekortschieten – en in dit geval zelfs het ernstig toerekenbaar tekortschieten – in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, door derden kan worden ‘geheeld’ door geld ter beschikking te stellen, en zeker niet wanneer dit door die derden wordt gedaan onder de voorwaarde dat aan schuldenaar de schone lei wordt verleend. Hierbij wordt niet over het hoofd gezien dat bij de door schuldenaar bepleite pragmatische benadering er wellicht meer geld door de schuldeisers beschikbaar komt, doch naar het oordeel van de rechtbank verdraagt die benadering zich niet met de aard en strekking van de schuldsaneringsregeling. Indien schuldenaar zelf zijn verplichtingen zou zijn nagekomen, was het resultaat voor de schuldeisers hetzelfde geweest. Indien schuldenaar met financiële hulp van derden tot een regeling met zijn schuldeisers had willen komen, had hij dit voorafgaand aan de wettelijk schuldregelingstraject moeten doen (en wellicht zelfs kunnen afdwingen: art. 287a Fw) of had hij tijdens dit traject een akkoord kunnen aanbieden.

2.9

Indien het voorgaande wordt bezien in het licht van de tussentijdse beëindigings-jurisprudentie zou dat tot hetzelfde oordeel leiden. Daarin is immers de maatstaf of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, het handelen of nalaten van schuldenaar een duidelijke aanwijzing vormt dat bij hem de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt (Hoge Raad 4 november 2005, NJ 2006/135). Ook daaruit volgt dat steeds geldt dat een schuldenaar al tijdens de looptijd moet voldoen aan zijn verplichtingen. Dat wordt niet anders als het nakomen van de verplichtingen niet wordt beoordeeld in het kader van een tussentijdse beëindiging, maar aan het einde van de looptijd. Voor mogelijkheden tot afkoop door derden laat ook deze toets geen ruimte.

2.10

Aan het vorenstaande wordt nog toegevoegd dat in voorkomende gevallen door middel van een verlenging van de duur van de schuldsanering de schuldenaar in de gelegenheid kan worden gesteld om de in eerste instantie ontstane tekortkomingen – zelf – te corrigeren. De rechtbank zal echter niet tot een verlenging van de schuldsaneringsregeling overgaan, nu niet is gebleken dat schuldenaar gedurende een verlengingsperiode in staat zal zijn om zelf – met behulp van niet in de boedel vallende gelden – de boedelachterstand in te lopen. Zelfs als een dergelijk sluitend aflossingsvoorstel voorhanden zou zijn, is de mogelijkheid van verlenging niet bedoeld om een schuldenaar die zich tijdens de looptijd niets aan de regeling gelegen liet liggen – en zelfs het aanbod om derden zijn achterstand te laten voldoen niet onvoorwaardelijk deed en daarbij dus niet het oog erop had ten minste het juiste te doen richting zijn schuldeisers – zich op eerder calculerende dan saneringsgezinde wijze het vege financiële lijf te laten redden.

2.11

Het oordeel dat dat schuldenaar zodanig toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, terwijl dat tekortschieten niet van bijzondere aard of geringe betekenis was, heeft tot gevolg dat het einde van de schuldsaneringsregeling voor schuldenaar niet de zogenoemde schone lei met zich brengt.

2.12

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

3 De beslissing:

De rechtbank:

- stelt vast dat de schuldenaar toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;

- verstaat dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van de schuldenaar eindigen op 15 januari 2015

- stelt het salaris van de bewindvoerder vast op € 1.557,50 (exclusief de verschuldigde omzetbelasting), voor zover de boedel toereikend is;

- stelt het bedrag aan vastrecht vast op € 611,- voor zover de boedel toereikend is.

Gewezen door mrs. R. Cats, J.A. van Dorp en G.H.M. Smelt, rechters, en uitgesproken door mr. J.A. van Dorp ter openbare terechtzitting van 9 augustus 2016 in tegenwoordigheid van A.M.C. van der Zwan, griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen te griffie van het gerechtshof te Den Haag.