Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16695

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
AWB 16/12609
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser de toegang tot de vrijheidsbeperkende locatie mogen weigeren, omdat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij mee wil werken aan zijn vertrek uit Nederland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/12609

V-nummer: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 29 november 2016 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1980, van Somalische nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. W.G. Fischer),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. L.T. Krabbenborg).

Procesverloop

Op 13 april 2016 (de feitelijke handeling) heeft verweerder geweigerd eiser op te vangen in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) in Ter Apel. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 31 mei 2016 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 9 juni 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2016. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1.

Eiser is op enig moment Nederland ingereisd. Hij heeft geen rechtmatig verblijf (meer) in Nederland. Op 8 april 2016 heeft de gemachtigde van eiser verweerder verzocht om onderdak in de VBL. Op 13 april 2016 heeft eiser zich bij de VBL gemeld en verweerder verzocht om opvang. Eiser heeft hierbij gesproken met een regievoerder van de Dienst Terugkeer en Vertrek. Uit dit gesprek is niet gebleken dat eiser mee wilde werken aan zijn vertrek. Eiser is hierop de toegang geweigerd.

1.2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan onder meer ten grondslag gelegd dat om toegang te krijgen tot de VBL eiser dient aan te tonen dat hij actief en volledig wil werken aan zijn vertrek of zelfstandig heeft geprobeerd documenten te bemachtigen om zijn vertrek te realiseren. De Somalische autoriteiten zijn bereid om vervangende documenten te verstrekken aan onderdanen die vrijwillig willen terugkeren. Van eiser mag dan ook worden verlangd dat hij aan de Somalische autoriteiten verklaart dat hij vrijwillig wil terugkeren. Ten aanzien van eiser is niet gebleken dat hij bereid was om terug te keren naar zijn land van herkomst. Evenmin is gebleken dat hij medewerking heeft verleend of wenste te verlenen aan terugkeer naar het land van herkomst. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij kan worden toegelaten in een ander land dan zijn land van herkomst. Eiser voldoet daarom niet aan de eisen voor toelating tot de VBL, aldus verweerder.

2. Eiser stelt in beroep – samengevat – dat verweerder hem niet de toegang tot de VBL had mogen weigeren. Eiser heeft duidelijk verklaard mee te willen werken aan zijn vertrek. Eiser is de toegang geweigerd omdat er geen zicht op vertrek binnen twaalf weken is.

3.1.

Eiser heeft verder een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van de verplichting tot het betalen van griffierecht. Eiser heeft daartoe een verklaring omtrent inkomen en vermogen overgelegd.

3.2.

Gelet hierop en wat de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282) heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht moet worden toegewezen. Eiser hoeft in deze procedure geen griffierecht te betalen.

4. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3415) volgt het volgende. Vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf kunnen zich tot verweerder wenden voor opvang in een VBL. Aan deze toelating mag verweerder de eis stellen dat de vreemdeling mee dient te werken aan zijn vertrek. Voorts volgt daaruit dat het gevolg van een eventuele weigering, namelijk de toegangsweigering tot de VBL, in beginsel voor risico van de vreemdeling komt. Ook is in een VBL medisch noodzakelijke zorg voorhanden.

5. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat indien de vreemdeling geloofwaardig verklaart om mee te willen werken aan zijn vertrek, hij wordt toegelaten tot de VBL. Indien het terugkeer betreft naar Somalië heeft verweerder voorts toegelicht dat de terugkeer geregeld kan worden indien de vreemdeling een document ondertekent waaruit zijn vrijwillig vertrek blijkt, zodat deze aan de ambassade kan worden overgelegd. De ambassade stelt dit namelijk als eis voor het afgeven van reisdocumenten.

6. De rechtbank overweegt dat eiser zijn stelling dat hij wel wil terugkeren en dat verweerder hem dus ten onrechte de toegang heeft geweigerd, niet nader heeft onderbouwd. Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen ter zitting is gesteld, is niet aannemelijk geworden dat eiser ook daadwerkelijk wil terugkeren. Verweerder heeft hem dan ook de toegang tot de VBL mogen weigeren.

7. Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat sprake is van discrepantie tussen de Leidraad Terugkeer en Vertrek, versie 6.0, van 16 januari 2015 en de jurisprudentie van de Afdeling als onder 4 genoemd. Volgens eiser stelt verweerder met de eis dat binnen twaalf weken het vertrek gerealiseerd moet zijn, zwaardere eisen dan volgt uit de uitspraak van de Afdeling. De rechtbank komt echter aan beantwoording van deze vraag niet toe, omdat verweerder eiser al de toegang tot de VBL mocht weigeren omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij mee wil werken aan zijn vertrek.

8. Eiser voert voorts aan dat het weigeren van toelating tot de VBL in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke vrijheden (IVBPR). De rechtbank volgt deze stelling niet en wijst hiertoe op het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juli 2016 in de zaak Hunde tegen Nederland (no. 17931/16 (dec.), ECLI:CE:ECHR:2016:0705DEC001793116). Aangezien artikel 7 van het IVBPR dezelfde bescherming biedt als artikel 3 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op dit artikel ook niet kan slagen.

9. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C.E. Krikke, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: JK

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's‑Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.