Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16683

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
20-01-2017
Zaaknummer
AWB 16/24661 e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Polen – geen situatie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, tweede alinea, van de Dublinverordening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/24661, AWB 16/24657, AWB 16/24659 (beroep)

AWB 16/24663, AWB 16/24658, AWB 16/24660 (voorlopige voorziening)

V-nummers: [volgnummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 24 november 2016 in de zaak tussen

[de vrouw] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1970, eiseres/verzoekster 1,

[de vrouw (I)] ,

geboren op [geboortedatum 2] 1983, eiseres/verzoekster 2,

[de vrouw (II)] ,

geboren op [geboortedatum 2] 1983, eiseres/verzoekster 3,

allen van Pakistaanse nationaliteit,

tezamen te noemen: eiseressen

(gemachtigde mr. A.M. van Eik),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. J.A.C.A. Prins).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 27 oktober 2016 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eiseressen van 24 juli 2016 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.

Op 27 oktober 2016 heeft de rechtbank de afzonderlijke beroepschriften van eiseressen ontvangen. Bij brieven van gelijke datum is verzocht voorlopige voorzieningen te treffen die ertoe strekken de overdracht te verbieden totdat op de beroepen is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2016. Eiseressen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig R.B. Raj, tolk in de taal Urdu. De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van de beroepen

1. Eiseressen hebben op 24 juli 2016 een asielaanvraag ingediend. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiseressen door de buitenlandse vertegenwoordiging van Polen te Islamabad in het bezit zijn gesteld van Schengenvisa, die geldig waren van 19 juli 2016 tot 7 augustus 2016. Op grond van artikel 12, tweede lid, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (Dublinverordening) heeft verweerder op 21 september 2016 een overnameverzoek ingediend voor eiseressen bij de Poolse autoriteiten. Polen heeft met dit verzoek ingestemd op 26 september 2016.

2. Verweerder heeft in de bestreden besluiten op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 de asielaanvragen van eiseressen niet in behandeling genomen, omdat op grond van de Dublinverordening Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen.

3. Eiseressen voeren aan dat verweerder ten opzichte van Polen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Eiseressen verwijzen hiervoor naar het AIDA-rapport van november 2015 en een brief van de Helsinki Foundation for Human Rights van 22 juli 2016. Hieruit volgt volgens eiseressen, kort gezegd, dat er structurele tekortkomingen kleven aan de asielprocedure in Polen, omdat sinds 2014 de terugkeerprocedure is losgekoppeld van de asielprocedure. Hierdoor kan het zijn dat asielzoekers worden teruggestuurd voordat er een rechterlijk oordeel is gegeven over de asielaanvraag. Hierdoor ontstaat het risico op indirect refoulement, waartegen geen effective remedy in de zin van artikel 3 in samenhang met artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) kan worden aangewend. Ook volgt uit de brief van de Helsinki Foundation dat Polen weigerachtig is asielzoekers in de gelegenheid te stellen een asielaanvraag in te dienen. Dit duidt eveneens op structurele tekortkomingen in de asielprocedure in Polen, zonder dat er een waarborg is dat eiseressen hierover kunnen klagen bij de Poolse autoriteiten. Eiseressen wijzen er verder nog op dat de Europese Unie Polen in 2016 flink bekritiseerd heeft voor wetswijzigingen die de onafhankelijkheid van het hoogste hof aantasten. De Europese Commissie sprak zich op

27 juli 2016 uit over de situatie in Polen en stelde dat er momenteel een “systemic threat to the rule of law in Poland” bestaat. Ook is in Polen geen regelgeving die het recht op juridische bijstand garandeert. Veelal kunnen asielzoekers alleen aan juridische bijstand komen via non-gouvermentele organisaties (NGO’s), maar door een gebrek aan project-sponsors in 2015 konden NGO’s geen asielzoekers bijstaan tussen oktober en december 2015. Eiseressen voeren verder aan dat uit het AIDA-rapport volgt dat sprake is van structurele problemen in de Poolse opvangvoorzieningen voor asielzoekers, waardoor eiseressen bij overdracht aan Polen een risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Uit het AIDA-rapport blijkt dat alle opvangcentra overlast hebben door een grote hoeveelheid insecten. Ook de sanitaire voorzieningen in de opvangcentra zijn volgens het rapport niet afdoende. Omdat veel opvangcentra maar één algemene sanitaire ruimte hebben, wordt volgens het rapport het risico op seksueel geweld vergroot.

4.1

De vraag ligt voor of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat in Polen geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, tweede alinea, van de Dublinverordening, zodat eiseressen aan Polen kunnen worden overgedragen. In dit kader dient de vraag te worden beoordeeld of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat er concrete aanwijzingen zijn dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij overdracht aan Polen een risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM. De rechtbank acht voor dit oordeel eerst van belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraak van 4 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1278) heeft geoordeeld dat in Polen geen sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure of opvangvoorzieningen. Verder blijkt uit de stukken die eiseressen hebben overgelegd niet dat sindsdien in Polen daarvan sprake is.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat het AIDA rapport van november 2015 geen blijk geeft van een dusdanige verslechtering van de situatie dat de uitspraak van de Afdeling niet langer kan worden gevolgd en overweegt daartoe als volgt. Uit het AIDA-rapport blijkt dat de terugkeerprocedure en de asielprocedure in 2014 in Polen zijn losgekoppeld, maar uit het rapport blijkt ook dat een asielzoeker de rechtbank kan verzoeken de terugkeerprocedure te schorsen totdat er een oordeel is gegeven in de asielprocedure. In het rapport worden uitspraken genoemd van de Poolse rechtbanken waarin een dergelijk verzoek is toegewezen, maar ook uitspraken waarin het is afgewezen. Dat een dergelijk verzoek niet altijd succesvol is, maakt niet dat er geen effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het EVRM voorhanden is in Polen. Dat een effectief rechtsmiddel niet inhoudt dat het aanwenden van een rechtsmiddel altijd succesvol moet zijn, volgt ook uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (zie bijvoorbeeld het arrest van 2 april 2013 inzake Mohammed Hussein e.a. tegen Nederland en Italië, nr. 27725/10, par. 81). De rechtbank is verder van oordeel dat eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt dat uit pagina 19 van het AIDA-rapport volgt dat bij de beoordeling van het beroep in een asielprocedure door de Voivodeship Administrative Court de feiten niet meer aan de orde kunnen komen. Dat er bij de Administrative Court volgens het rapport alleen ‘points of law’ naar voren gebracht kunnen worden, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiseressen daarmee aannemelijk hebben gemaakt dat bij de rechtmatigheidsbeoordeling van een besluit tot afwijzing van een asielaanvraag alleen nog maar rechtsvragen aan de orde kunnen komen en geen feitenvaststelling meer plaatsvindt.

4.4

Ten aanzien van de brief van de Helsinki Foundation is de rechtbank met verweerder eens dat uit deze brief niet blijkt dat die ziet op Dublinclaimanten. De brief gaat over asielzoekers die via de oostgrens van Polen het land proberen in te komen om asiel aan te vragen. Dit betreft dus niet de situatie van eiseressen. Omdat Polen de claim heeft geaccepteerd, mag er bovendien van uit worden gegaan dat eiseressen in de gelegenheid worden gesteld een asielaanvraag in te dienen.

4.5

Ten aanzien van de rechtspolitieke problemen in Polen hebben eiseressen verwezen naar een krantenartikel uit The Guardian van 29 februari 2016 (Poland’s changes to court system ‘endanger democracy’) en een press-release van de Europese Commissie van 27 juli 2016 (Rule of Law: Commission issues recommendation to Poland). Uit de overgelegde stukken blijkt dat er zorgen zijn geuit over de ‘rule of law’ in Polen, met name ten aanzien van de verhouding tussen de wetgevende en de rechtsprekende macht. In de stukken wordt niet verwezen naar geuite zorgen die specifiek zien op de asielprocedure dan wel beroepsprocedures in eerste aanleg. Met deze stukken is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure in de zin van artikel 3, tweede lid, tweede alinea, van de Dublinverordening.

4.6

Voor wat betreft de toegang tot kosteloze rechtsbijstand overweegt de rechtbank dat uit de website waar eiseressen naar hebben verwezen (http://www.asylumineurope.org/reports/country/poland/asylum-procedure/procedures/regular-procedure) blijkt dat asielzoekers in Polen toegang hebben tot kosteloze rechtsbijstand via NGO’s. Dat door een gebrek aan project-sponsors van oktober tot en met december 2015 geen rechtsbijstand aan asielzoekers kon worden verleend, betekent niet dat dat op dit moment nog steeds het geval is. Tevens blijkt uit deze website dat er in januari 2016 een wet in werking is getreden die het mogelijk maakt voor asielzoekers om kosteloze rechtsbijstand aan te vragen. Dat dit pas mogelijk zou zijn in de beroepsprocedure, maakt niet dat daarmee sprake is van een structurele tekortkoming in de asielprocedure. Eiseressen hebben dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij geen toegang tot rechtsbijstand hebben. Daarbij acht de rechtbank verder van belang dat de Dublinverordening noch de Procedurerichtlijn lidstaten ertoe verplichten aan asielzoekers kosteloze rechtsbijstand te verstrekken.

4.7

Ten aanzien van de kwaliteit van de opvang is de rechtbank van oordeel dat uit het AIDA-rapport evenmin blijkt van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Voor zover er uit het rapport blijkt dat in opvangcentra sprake zou zijn van overlast van insecten en dat er in sommige opvangcentra maar één algemene sanitaire voorziening aanwezig is, overweegt de rechtbank dat hierover kan worden geklaagd bij de Poolse autoriteiten. Niet gebleken is dat dit voor eiseressen niet mogelijk is.

4.8

De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen grond voor het oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, tweede alinea, van de Dublinverordening. In wat eiseressen naar voren hebben gebracht ziet de rechtbank evenmin grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

4.9

De beroepen zijn ongegrond.

Ten aanzien van de verzoeken om een voorlopige voorziening

5. De gevraagde voorzieningen strekken er toe de overdracht op te schorten totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorzieningen, gelet op het feit dat de rechtbank heden op de beroepen heeft beslist.

Ten aanzien van de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaken geregistreerd onder nummers: AWB 16/24661, AWB 16/24657, AWB 16/24659,

- verklaart de beroepen ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaken geregistreerd onder nummers: AWB 16/24663, AWB 16/24658 en AWB 16/24660 ,

- wijst de verzoeken af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Vreede, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: NV

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.