Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1664

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
C-09-481736-HA ZA 15-125
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan publicatie voorafgaande fase van journalistieke nieuwsgaring. Onrechtmatige gedragingen (stalking) door journalist jegens Pretium cs? Toetsingskader

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/481736 / HA ZA 15-125

Vonnis van 24 februari 2016

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRETIUM B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Haarlem ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DELPHI COMMUNICATIONS B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Haarlem ,

eisers,

advocaat mr. D.P. Kuipers te Den Haag,

tegen

PETRUS JACOBUS CORNELIS OLSTHOORN,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M. Herens te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Pretium , [eiser sub 2] , Delphi (tezamen: Pretium c.s. in meervoud) en Olsthoorn genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 16 januari 2015;

- de akte overlegging producties (1 t/m 18) van de zijde van Pretium c.s. ;

- de conclusie van antwoord, met productie;

- het tussenvonnis van 20 mei 2015, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de aanvullende producties (19 t/m 21) van de zijde van Pretium c.s. ;

- het proces-verbaal van comparitie van 19 november 2015, waarop partijen, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet hebben gereageerd.

1.2.

De rechtbank heeft aanleiding gezien deze zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer. Van deze meervoudige kamer maakt deel uit mr. M.J. Alt-van Endt, ten overstaan van wie de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. De meervoudige kamer doet, zoals ter zitting met partijen is afgesproken, uitspraak op basis van de thans voorhanden stukken met inbegrip van het proces-verbaal. De rechtbank heeft partijen hierover bij brief van 16 februari 2016 geïnformeerd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Partijen

2.1.

Pretium is een aanbieder van telecommunicatie die sinds 1996 op de Nederlandse markt actief is als aanbieder van vaste telecommunicatiediensten.

2.2.

Delphi was tot 1 juli 2014 actief als dienstverlener in fondsenwerving. In de loop der jaren is zij werkzaam geweest voor onder meer de Hartstichting, Wakker Dier, de Maag Lever Darmstichting, de Stichting Vluchteling en de Nierstichting.

2.3.

Delphi en Pretium behoren tot de DEM -groep, waarvan [eiser sub 2] directeur is.

2.4.

Olsthoorn is een professionele freelancejournalist, onder meer werkzaam voor Intermediair, NRC Handelsblad, Webwereld, Villamedia en Emerce. Daarnaast publiceert hij op de door hem opgerichte websites www.netkwesties.nl en www.leugens.nl .

Pretium in het nieuws, eerdere rechtszaken

2.5.

Pretium is in het verleden meermalen negatief in het nieuws geweest, bijvoorbeeld bij consumententelevisieprogramma’s als Tros Radar en Kassa van de VARA. Pretium heeft tegen diverse publicaties en uitzendingen rechtszaken aangespannen. Zij heeft deze meermalen verloren. Vgl. bijvoorbeeld:

- Hoge Raad 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6165 (uitzendingen van Tros Radar op 22 en 29 september en 20 oktober 2008, naar aanleiding van klachten over de telefonische wervingsmethode van Pretium );

- Hoge Raad 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3924 (artikel in Kassa Magazine van december 2008):

- Hoge Raad 30 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8441 (uitzendingen van Kassa over de telefonische wervingsmethode van Pretium op 7 en 14 februari, 7 maart en 4 april 2009);

- Gerechtshof Amsterdam 21 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1515 (uitzending Kassa van 10 maart 2012 over de telefonische wervingsmethode van Pretium ) en

- Gerechtshof Amsterdam 5 maart 2013, ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ5009 (publicatie in de Volkskrant en op internet van 9 maart 2012 over de telefonische wervingsmethode van Pretium ).

Onderzoek van Olsthoorn

2.6.

In de zomer van 2012 is Olsthoorn gestart met een onderzoek naar een eventuele verbandtussen Pretium en Delphi . Aanvankelijk betrof dit het onderwerp databasemarketing. Hij heeft dit onderzoek meermalen op een laag pitje gezet en hij heeft dit in de zomer van 2014 weer opgepakt.

Verzoeken Olsthoorn om interview met [eiser sub 2]

2.7.

Op 9, 10 en 25 juli 2012 heeft Olsthoorn - via medewerkers van [eiser sub 2] - [eiser sub 2] telefonisch benaderd met het verzoek hem te mogen interviewen. De telefoongesprekken zijn weergegeven in de van die gesprekken gemaakte transcripten. Op 25 juli 2012 heeft Olsthoorn gesproken met [eiser sub 2] ’ medewerker [A] . Olsthoorn vertelde onderzoek te hebben gedaan naar Pretium , daar nog mee bezig te zijn en diverse feiten bij Pretium te moeten checken of het recht op wederhoor te moeten geven. Desgevraagd deelde Olsthoorn mee freelance journalist te zijn en met [eiser sub 2] over Pretium te willen spreken. Afgesproken werd dat Olsthoorn , ter voorbereiding van een eventueel interview, op papier zou zetten welk onderzoek hij tot dan toe had verricht, waarover hij [eiser sub 2] wilde spreken en wat het doel van dat gesprek was.

2.8.

Op 13 augustus 2012 heeft [A] telefonisch aan Olsthoorn medegedeeld van hem het verzoek om een interview te hebben ontvangen, maar nog een aantal aanvullende vragen te hebben. Afgesproken werd dat Olsthoorn per e-mail nog nadere informatie zou zenden.

2.9.

Olsthoorn heeft die avond aan Pretium c.s. per e-mail het navolgende document gestuurd:

“Beweringen uit diverse bronnen waaronder anonieme interviews voor wederhoor

(…)

2. Delphi heeft speciaal voor Goede Doelen de marketing database Apollon ontwikkeld. Het is een uniek instrument om huisbestanden te valideren, alle fondsenwervende activiteiten goed te kunnen volgen en eventueel bij te sturen. De koppeling met externe databases verfijnt dat inzicht verder.

3. Delphi vermarkt – exclusief voor de charitatieve markt – het Overlijdensregister®. Het Overlijdensregister registreert ruim 80% van alle overledenen in Nederland en dat is ruim twee keer zoveel dekking als het bestaande Postfilter. (…)

3. Dem Holding concentreert zich op zeer oude van dagen voor zowel de goede doelen klanten van Delphi als voor Pretium . Die zijn het meest bevattelijk voor de marketing van de diverse dochterondernemingen. (…)

5. Nalatenschappen vormen een steeds belangrijker bron van inkomsten dus een belangrijker doelgroep voor Delphi . Pretium abonnementen lopen vaak nog even door na de dood van personen. (…)

13 [eiser sub 2] houdt van rechtszaken (…)

18 Hij was de Kop van Jut bij Radar en Kassa. Die wilden naar geen enkel redelijk argument meer luisteren (…)”

2.10.

Op 22 augustus 2012 hebben Pretium c.s. per e-mail aan Olsthoorn meegedeeld dat aan zijn verzoek om een interview met [eiser sub 2] geen medewerking zou worden verleend.

2.11.

In juli 2014 heeft Olsthoorn per e-mail contact opgenomen met (een, hem bekende, kantoorgenoot van) de advocaat van Pretium c.s. :

“Dag [… ] ,

Telefonisch lukt niet, dus maar even per mail.

[eiser sub 2] is met Pretium in de [media, rb] altijd als boeman is neergezet. Ik heb daar nader onderzoek naar gedaan en wil hem graag uitgebreid spreken (…)

Kortom hem voluit laten praten.

Denk jij dat dit een zinnig voorstel is?

vriendelijke groet,

Peter Olsthoorn

Journalist (…)”

2.12.

Hierop hebben Pretium c.s. met de hierna vermelde sommatie gereageerd.

Interviews met relaties van Pretium c.s.

2.13.

In een door hemzelf opgesteld gespreksverslag van een gesprek tussen hem en [B] van Wakker Dier heeft Olsthoorn vastgelegd dat onder meer gesproken is over de manieren waarop met Delphi werd samengewerkt, of Delphi de bestanden van Wakker Dier ook zelf zou kunnen gebruiken, de band van Delphi met Pretium en de reputatie van Pretium . Hierbij antwoordde [B] desgevraagd dat zij uitgesloten acht dat Delphi bestanden van Wakker Dier gebruikt:

“Daar hebben we strenge contracten voor getekend met boeteclausules ingeval onze adressen toch worden gebruikt. (…) Je moet soms je bestanden delen met andere partijen om bijvoorbeeld acties te kunnen voeren. (…) We voeren ook wel fake adressen in om na te gaan of bestanden toch niet stiekem worden gebruikt, maar dat is geen waterdichte methode. Je moet samenwerken op basis van vertrouwen. We hebben een langdurige relatie met Delphi .”

Na de mededeling door Olsthoorn dat bekend is dat Delphi eigendom is van [C] en dat hij ook mede-eigenaar is van Pretium Telecom , dat met grote regelmaat de pers haalt met beschuldigingen van extreem klantonvriendelijk gedrag, verklaarde [B] volgens dit verslag:

“Maar de bedrijfsvoering is niet gelieerd. Het zijn aparte bedrijven.”

Op de vraag van Olsthoorn of het niet wat naïef is om als goed doel samen te werken met een bedrijf dat banden heeft met een onderneming met een dergelijke reputatie, antwoordde [B] , nog steeds volgens dit verslag:

“We werken al jaren in tevredenheid samen. Er zijn goede contracten, we hebben goed juridisch advies. Als ons mondeling en schriftelijk wordt gegarandeerd dat het niets met elkaar van doen heeft, dan gaan we daar op af.”

2.14.

In een door Olsthoorn opgesteld gespreksverslag van een gesprek tussen hem en [D] van de Hartstichting heeft Olsthoorn vastgelegd dat onder meer gesproken is over de samenwerking met Delphi , de band van Delphi met Pretium en de reputatie van Pretium . Hierbij deelde [D] volgens dit verslag mede dat de samenwerking met Delphi prima is en dat de omstandigheid dat het bedrijf een zuster is van Pretium Telecom geen bezwaar is.

“Het zijn echt aparte entiteiten. Ze staan juridisch en operationeel los van elkaar. In de contracten met Delphi staat expliciet opgenomen dat Delphi zich aan zowel de ‘Wet Bescherming Persoonsgegevens’ houdt, als aan de ‘Code Listbroking’, de ‘Code Telemarketing’ en de ‘Code Email Marketing’ van de Dutch Marketing Association. (…)”

Op de mededeling van Olsthoorn dat Pretium veelvuldig negatief de pers haalde met ouderen, een belangrijke doelgroep van de Hartstichting voor wie de omgang met Pretium slecht voor het hart was, antwoordde [D] , nog steeds volgens dit verslag:

“Wij zien Delphi niet als bureau dat gespecialiseerd is in database marketing van ouderen, maar als een specialist in fondsenwerving op meerdere doelgroepen.”

Verder deelde [D] , volgens dit verslag, mede voor nalatenschappen niet samen te werken met Delphi , maar wel voor de werving van nieuwe donateurs en het behoud van bestaande donateurs, alsmede dat databanken niet worden gedeeld.

2.15.

In een door Olsthoorn aan [E] toegestuurd gespreksverslag van hemzelf met [E] , werknemer van Pretium in de periode 2006-2009, heeft Olsthoorn geschreven dat onder meer gesproken is over zijn werkzaamheden voor Pretium en de werkwijze van dat bedrijf:

“Als supervisor van het service center was ik verantwoordelijk voor de inkomende gesprekken. Dat waren vragen van klanten over producten en diensten, en de aanmeldingen [en, rb] opzeggingen.(…)

Demente abonnees? Die verhalen kwamen er en volgens de coulanceregeling konden mensen van hun contract afkomen bij bewijs dat ze handelingsonbekwaam waren geweest bij het aangaan van de verbintenis. (…) Bovendien [hielden, rb] we van gesprekken voice-logs bij. (…) Meestal wisten mensen heel goed dat ze een verbintenis aangingen. (…) We hadden ook kwaliteitsteams die steeds bezig waren om de conversaties te verbeteren. (…) Als telemarketeer proef je ook wanneer de persoon aan de andere kant het niet begrijpt en dan zou je dus niet op [een, rb.] verbintenis moeten aansturen.

Ik heb er altijd in een prettige sfeer gewerkt. Ja, turbulentie was er natuurlijk wel na die tv-uitzendingen van Radar en kassa. (….) Mijn beeld is niet dat we voornamelijk ouderen als klant hadden, maar dat beeld is wel ontstaan in de media. Dat was ook een vertekend beeld (…)

Ik heb regelmatig met [ [eiser sub 2] , rb.] [eiser sub 2] gesproken (…) Bang voor hem? Nee, nooit geweest ook. (…) Volgens mij zijn er nooit mensen beschadigd. Flink wat medewerkers zijn ook teruggekeerd bij Pretium nadat ze al waren vertrokken. (…)”

2.16.

[F] , ex-directeur van Delphi Fondsenwerving , één van de onderdelen van de DEM -groep, heeft op 1 april 2015 per e-mail aan Pretium c.s. bericht onlangs weer opgebeld te zijn door Olsthoorn en met hem een gesprek te hebben gevoerd. Hij heeft bij die e-mail een kopie van het daarvan door hem opgemaakte gespreksverslag gevoegd. Dit verslag houdt onder meer het volgende in (waarbij het cursief gedrukte de vragen van Olsthoorn zijn en het recht gedrukte de verklaring van [F] betreft, rb):

“(…) Nu heb ik eerder - ongeveer twee jaar geleden – een aantal klanten van Delphi gesproken – zoals Hartstichting en uitgelegd dat er een relatie was met Pretium . Dat wisten ze allemaal wel en daar lagen ze niet echt van wakker, want het waren totaal gescheiden activiteiten. Dat heeft [C] mij ook nog eens op het hart gedrukt.”

Hebben goede doelen ooit opgezegd omdat ze erachter kwamen dat Delphi iets met Pretium van doen had?

“Nooit, althans niet voor zover ik weet. Ik was er maart kort directeur. Dat die bedrijven onafhankelijk waren kan ik alleen maar onderschrijven.”

Welke klanten had Delphi nog op het moment dat het stopte?

“Een breed scala van klanten zoals die ook op de website stonden: Maag Lever Darm Stichting, hartstichting, International Campaign for Tibet, Wakker Dier, Jantje Beton, Nierstichting en allerlei partijen eigenlijk.”

Dat waren gerenommeerde klanten die ook zeer tevreden waren over Delphi …

“Dat lijkt me logisch, want het was ook een prachtig bedrijf dat heel goed werk deed.”

Delphi hielp met databestanden en campagnevoering. Hoe ging dat in zijn werk?

“Vergelijkbaar met wat elk reclamebureau doet. (…)”

Gebruikte u ook externe bestanden of louter bestanden die het goede doel zelf aanbracht?

“Het meest voor de hand ligt niet meer bij adressen gebruiken, die je kunt huren van handelaars. (…) De goede doelen gaan steeds meer zelf data vergaren met hun activiteiten. (…)”

Een hypothese van mij is - door verschillende mensen tegengesproken - dat Pretium zich vooral richtte op ouderen en Delphi eveneens vanwege de goede doelen en nalatenschap. [eiser sub 2] begon ook in 1995 met de Nederlandse Federatie [Senioren, rb.] met exploitatie van ouderen. Dus het leek me logisch dat juist dat de link was tussen Delphi en Pretium …

“Nee, dat kan ik wel uitleggen, De traditionele donateur in Nederland is per definitie een oudere. (…) Dat goede doelen zich op de ouderen richten is daar een gevolg van. (…) Waarom [eiser sub 2] bij ouderen terechtkomt heeft op zich niet te maken met het feit dat hij naar ouderen op zoek is. Maar zijn product, vaste telefonie, is per definitie - zeker nu - voor een oudere doelgroep. (…) Dus daar is ook geen overlap van oudere doelgroepen van goede doelen en van hem te maken want daar is nooit iets met adressen of bestanden gebeurd. (…)”

Waarom niet, want het zou toch handig zijn dat te combineren?

“Het mag gewoon niet. Als er iets is waar [eiser sub 2] strak in is - misschien zoekt hij het randje op van het telefoniegebeuren, maar hij gaat er nooit overheen. Met data en privacy ook niet. Je kon echt niet bij ons in de database allerlei namen en adressen zoeken. (…)”

Maar Pretium en Delphi kunnen adressen huren van de ANWB?

“Ja, als de ANWB daar voor kiest en dat voorbehoud met hun leden heeft geregeld, (…) Maar de huur van die adressen gebeurde volstrekt gescheiden. (..)”

Pretium was vaak in het nieuws vanwege telemarketing die net over het randje ging en Delphi nooit. Hoe komt dat?

“Wij begeleidden dat nauwkeurig en als een goed doel ergens niet op zit te wachten is het wel imagoschade. Verkoop is wat anders dan het verwerven van de welwillendheid van de donateur. Als die nee zegt, ga je niet doorduwen want dan krijg je een groot probleem. (…)”

Heeft u als Delphi last gehad van de Pretium -publiciteit?

“Nee. Er was volgens mij geen goed doel dat niet wist dat Delphi in dezelfde groep zat en geen goed doel dat niet wist dat het volkomen gescheiden was. (…)

U was operationeel directeur bij Pretium . Het bedrijf ging dus nooit over de schreef?

“Dat was Pretium van het lidmaatschap, niet Telecom. [eiser sub 2] zocht natuurlijk het randje op, dat weet ik ook wel. Maar hij gaat in mijn ogen er nooit overheen.”

Heeft u meneer [eiser sub 2] ook persoonlijk meegemaakt?

“Ja en ik vond het in de persoonlijke omgang ook een prima vent. (…)”

Er zijn veel verhalen van woede-uitbarstingen van mijnheer [eiser sub 2] , maar daar heeft u persoonlijk nooit last van gehad?

”Dat heb ik wel eens gezien, maar daar kan ik me niet zo over opwinden.” (…)

Is [eiser sub 2] een absoluut heerser of gaat hij normaal met mensen om zoals dat bij ieder bedrijf

geacht wordt het geval te zijn?

“Daar kan ik niet zo eenvoudig antwoord op even. Hij is de enige eigenaar, heeft het helemaal opgebouwd en hij is de baas, dus wat hij wil, gebeurt. Dat hij bepaalt, vind ik niet zo gek. Maar ik had bij Delphi redelijke vrijheid om te werken naar eigen inzicht. (…)”

Relaties van Pretium c.s. die niet hebben meegewerkt

2.17.

Op 30 december 2013 heeft Olsthoorn een LinkedIn-bericht gestuurd aan [G] , een zakenrelatie van Pretium c.s. , met het verzoek hem een berichtje te sturen.

2.18.

Op 31 december 2013 heeft [G] per e-mail aan Pretium meegedeeld:

“(…) Yesterday I have been contacted by Peter Olsthoorn , who claims to follow your advice. Do you actually know this guy? And if so, why me? (…)”

2.19.

Daarop werd per e-mail namens Pretium door [C] geantwoord:

“(..) There’s a crazy reporter chasing us both. I’ll call and compare notes.(…)”

Noch [G] noch [C] heeft met Olsthoorn gesproken.

2.20.

In december 2014 hebben twee zakenrelaties van Pretium c.s. , te weten [H] van Flex-e B.V. en [I] van Topquest, aan Pretium c.s. gemaild dat zij waren benaderd door Olsthoorn met vragen over de samenwerking met en de werkwijze (klantenwerving) van Pretium .

2.21.

[H] berichtte op 3 december 2014 hierover als volgt:

“(…) Nog even ter bevestiging.

Gisterenmiddag werd ik gebeld door ene Peter Olsthoorn (journalist).

Hij wilde van mij weten of ik een samenwerking had met de organisatie Pretium .

Hij had via via te horen gekregen dat Flex-e een samenwerking had met Pretium gaf hij in de eerste instantie aan. Achteraf bleek dat hij gewoon aan het vissen was naar antwoorden waar hij vervolgens op wilde voortborduren. Hij vroeg naar het script en de voicelog en hoe de verdere procedure verloopt.

Ik heb hem natuurlijk niets prijsgegeven. (…)”

2.22.

[I] berichtte op 3 december 2014 het volgende:

“(…) Zoals telefonisch aangegeven ben ik de afgelopen weken benaderd door verschillende partijen om mijn verhaal te doen over de werving van klanten door Pretium . Ik ben benaderd door Vara/kassa en door twee journalisten. Waarvan ik er van een de naam weet omdat hij op mijn LinkedIn pagina is geweest ( Peter Olsthoorn ).

Ik wil echter benadrukken dat ik deze personen GEEN informatie heb gegeven en heb ook niet met ze dingen besproken. (…)”

Desgevraagd namens Pretium c.s. berichtte [I] diezelfde dag in een volgende email voorts:

“(…) Zij waren vooral geïnteresseerd in hoe Pretium de klantenwerving deed en hoe de relatie was tussen ons en Pretium en of ik wilde meewerken aan een onderzoek hierover. De journalist was vooral geïnteresseerd in de manier van werving en of ik mijn kant van het verhaal wilde vertellen als callcenter eigenaar. (…)”

2.23.

Op 19 december 2014 heeft [J] , een oud-medewerker van Pretium , per e-mail aan Pretium c.s. geschreven:

“(…) Zoals gevraagd de informatie over het telefoongesprek met Peter Olsthoorn .

Hij belde vandaag, 19-12-2014, om 16.59. Het gesprek duurde misschien een halve minuut.

Hij zei zijn naam, dat hij journalist was, en vroeg of ik met hem over Pretium wilde praten; ‘U hebt daar gewerkt.’ Ik zei iets in de trant van: ‘Nou nee, mijnheer Olsthoorn , ik denk niet dat ik iets met u te bespreken heb.’ Hij probeerde het nog eens en zei dat hij dacht dat ik daar misschien [wel, rb] over wilde praten omdat ik er heb gewerkt; dat had hij op LinkedIn gezien.

Daar ging ik gewoon niet op in. Ik liet een stilte vallen en zei toen dat ik niet dacht dat wij iets te bespreken hadden, wenste hem een prettige avond en hing op. (…)”

2.24.

In 2015 hebben relaties van [eiser sub 2] , te weten [K] , [L] en de voornoemde [F] , oud-directeur van Delphi Fondsenwerving , per e-mail aan Pretium c.s. bericht door Olsthoorn te zijn benaderd.

2.25.

[K] deelde mee dat Olsthoorn had gezegd bezig te zijn met het schrijven van een portret over Pretium en op zoek te zijn naar familieleden. [K] heeft verder niet met Olsthoorn gesproken.

2.26.

[L] meldde dat Olsthoorn weer contact met hem aan het zoeken was en op de bedrijfsvoicemail stond, maar dat hij hem verder niet te woord ging staan.

Sommatie

2.27.

Op 1 augustus 2014 heeft de advocaat van Pretium c.s. aan Olsthoorn geschreven:

“De heer [eiser sub 2] heeft mij gevraagd te reageren naar aanleiding van uw pogingen om hem via mijn kantoor te spreken te krijgen.

U geeft in uw email aan mijn kantoorgenoot mr. [kantoorgenoot] van 11 juli jl. aan dat u onderzoek hebt gedaan naar de wijze waarop door de media aandacht is besteed aan de heer [eiser sub 2] en dat u de heer [eiser sub 2] graag uitgebreid zou willen spreken, onder meer over de periode die hij in de Verenigde Staten heeft doorgebracht.

Namens de heer [eiser sub 2] bericht ik u dat hij geen medewerking verleent aan het door u verzochte uitgebreide interview.1 Het “onderzoek”, waaraan u refereert, komt er feitelijk op neer dat u inmiddels meer dan twee jaar tal van personen in de omgeving van de heer [eiser sub 2] op indringende wijze benadert en confronteert met suggestieve vragen en stellingen. Het gaat onder meer om werknemers en ex-werknemers van Pretium en met haar verbonden bedrijven, om zakelijke relaties en om personen uit de persoonlijke omgeving van de heer [eiser sub 2] . Veel van de door u benaderde personen hebben gedetailleerd verslag gedaan van de wijze waarop u opereert. In een aantal gevallen is het met u gevoerde telefoongesprek ook opgenomen. U handelt in strijd met de journalistieke normen en zorgvuldigheidsvereisten. Uit de verslagen en bandopnames komt het beeld naar voren van een eenzijdige zoektocht naar belastend materiaal onder valse voorwendselen. U schroomt daarbij niet herhaaldelijk ernstige beschuldigingen aan het adres van Pretium en/of de heer [eiser sub 2] als een feitelijk gegeven op te dienen aan de betrokken persoon in een poging bevestiging van de desbetreffende beschuldiging uit te lokken. Dit laat zich omschrijven als een vorm van journalistieke stalking.

De wijze waarop u te werk gaat vormt een onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de heer [eiser sub 2] , die zich niet laat rechtvaardigen door een beroep op de vrijheid van meningsuiting c.q. nieuwsgaring. Zowel de heer [eiser sub 2] als Pretium lijden schade door uw onrechtmatige gedragingen, zowel immaterieel als materieel. Namens de heer [eiser sub 2] en Pretium stel ik u hierbij aansprakelijk voor deze schade en sommeer ik u per omgaande bedoelde gedragingen te staken.

Indien blijkt dat u opnieuw derden in de omgeving van Pretium en/of de heer [eiser sub 2] op onrechtmatige wijze benadert, dan zal daarvan strafrechtelijk aangifte worden gedaan en behouden de heer [eiser sub 2] en Pretium zich het recht voor zonder nadere aankondiging een juridische procedure tegen u te starten ter verkrijging van een verbod en vergoeding van de geleden en nog te lijden schade.

Het spreekt voor zich dat het u niet vrijstaat om materiaal dat u onder valse voorwendselen en op onrechtmatige wijze hebt verkregen met betrekking tot de heer [eiser sub 2] en/of Pretium te gebruiken voor een publicatie. Pretium en de heer [eiser sub 2] behouden zich alle rechten voor om u zonodig in rechte aan te spreken.

1 De weigering van de heer [eiser sub 2] om mee te werken aan een interview mag op geen enkele wijze worden opgevat als het afzien van het recht op wederhoor.”

Nog geen publicatie

2.28.

Tot op heden heeft Olsthoorn niet over Pretium c.s. gepubliceerd.

3 Het geschil

3.1.

Pretium c.s. vorderen

I. een verklaring voor recht dat Olsthoorn onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door:

i) [eiser sub 2] gedurende meer dan 2,5 jaar herhaaldelijk en op indringende wijze te benaderen met een reeds afgewezen verzoek om een interview en/of;

ii) zakelijke relaties en (ex-)werknemers van Pretium c.s. gedurende meer dan 2,5 jaar indringend te benaderen met suggestieve vragen en ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van Pretium c.s. en/of;

iii) relaties in de zakelijke en persoonlijke sfeer van [eiser sub 2] gedurende meer dan 2,5 jaar herhaaldelijk en op indringende wijze te benaderen met suggestieve vragen en ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van [eiser sub 2] en/of;

iv) zowel Pretium als Delphi bij derden weg te zetten als malafide bedrijven die het gemunt zouden hebben op kwetsbare ouderen;

II. Olsthoorn te veroordelen tot de door hem veroorzaakte schade, nader op te maken bij staat;

III. Olsthoorn op straffe van een dwangsom van € 10.000 per overtreding te verbieden nog personen uit de zakelijke of persoonlijke kring rond Pretium c.s. te benaderen met ongefundeerde beschuldigingen en/of suggestieve vragen, althans met de beschuldiging dat:

i) Delphi vertrouwelijke donateursbestanden van haar klanten zou doorspelen aan Pretium ;

ii) Pretium donateursbestanden van Delphi voor eigen marketingdoeleinden zou misbruiken;

iii) Pretium misbruik zou maken van de kwetsbaarheid van demente bejaarden door hen tegen hun wil een abonnement aan te smeren;

iv) de heer [eiser sub 2] zijn personeel onheus zou bejegenen;

v) (naar de rechtbank begrijpt: zowel) Pretium als Delphi zich welbewust op ouderen zouden richten omdat dit een kwetsbare doelgroep vormt;

dan wel deze beschuldigingen op enige andere wijze te openbaren, waaronder begrepen het verwerken van deze beschuldigingen in enige publicatie van zijn hand;

IV. Olsthoorn op straffe van een dwangsom van € 10.000 per overtreding te verbieden welke informatie dan ook te openbaren die hij op onrechtmatige wijze heeft verkregen, waaronder in ieder geval begrepen de informatie die hij heeft verkregen en mogelijk nog zal verkrijgen als direct gevolg van de hierboven beschreven wijze van benadering van derden in de omgeving van Pretium c.s. ;

V. veroordeling van Olsthoorn in de kosten van het geding.

3.2.

Pretium c.s. betogen, samengevat, het volgende. Olsthoorn verricht zijn gedragingen niet respectievelijk heeft deze niet verricht als journalist maar in een andere hoedanigheid. Olsthoorn is niet met journalistiek bezig maar met stalking. Olsthoorn zoekt inmiddels 2,5 jaar naar materiaal over Pretium c.s. . Hij heeft een groot aantal personen in de omgeving van Pretium c.s. benaderd en doet daarbij negatieve en ongefundeerde uitspraken over hen. Hij tracht door middel van uitlokking belastend materiaal over Pretium en [eiser sub 2] te vergaren. Desondanks heeft dit nog niet tot een publicatie geleid, noch heeft Olsthoorn een concept-publicatie aan Pretium c.s. ter beoordeling voorgelegd.

3.3.

Olsthoorn voert verweer. Hij stelt dat eisers hem met deze procedure trachten effectief monddood te maken, zodat hij niets meer over Pretium c.s. kan publiceren. Dit past volgens Olsthoorn bij de wijze waarop Pretium pleegt om te gaan met de pers. De aan de vordering ten grondslag gelegde feiten zijn uiterst summier en kunnen het gevorderde niet dragen. Voor deze vorderingen bestaat verder, gezien het aan hem als professioneel journalist toekomende recht op vrije nieuwsgaring (zoals dat voortvloeit uit art. 10 EVRM), ook als dit wordt afgewogen tegen het belang van Pretium c.s. om niet ongerechtvaardigd te worden blootgesteld aan aantasting van de eer en goede naam en inbreuk op de persoonlijke levenssfeer (art. 8 EVRM), geen grond.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Centrale vraag

4.1.

In deze zaak staat centraal de vraag of Olsthoorn - door de wijze waarop hij onderzoek naar Pretium c.s. (heeft) verricht en informatie over hen heeft vergaard dan wel heeft getracht te vergaren - zich jegens Pretium c.s. schuldig heeft gemaakt aan ‘ stalking’, althans het uiten van ongefundeerde beschuldigingen en het uitlokken van belastende uitspraken en aldus onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, zodat hem moet worden verboden zijn onderzoek voort te zetten, alsmede om de daaruit verkregen informatie eventueel te publiceren. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Onrechtmatige publicatie

4.2.

Ingevolge vaste jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) moet, ter beoordeling van de vraag wanneer sprake is van een onrechtmatige publicatie, worden onderzocht of het gaat om een uiting die afbreuk doet aan de eer en goede naam en, indien dat het geval is, of deze aantasting/inbreuk onrechtmatig is in die zin dat deze nodeloos grievend of diffamerend is.

Belangenafweging

4.3.

Deze laatste vraag moet worden beantwoord aan de hand van een noodzakelijke afweging van twee tegenover elkaar staande, in dit geval botsende, grondrechten. Enerzijds is dat het grondwettelijk (art. 7 Grondwet) en verdragsrechtelijk (art. 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, hierna EVRM) verankerde recht op vrije meningsuiting van Olsthoorn - waaronder ingevolge EHRM 27 maart 1996, 17488/90, NJ 1996, 577, ECLI:NL:XX:1996:AD2519, Goodwin vs. Verenigd Koninkrijk, de persvrijheid kan worden geschaard, zulks met inbegrip van de journalistieke informatiegaring. Anderzijds betreft dat het door artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek in verbinding met artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van de goede naam en de persoonlijke levenssfeer van Pretium c.s. , die erop aanspraak kunnen maken van ongerechtvaardigde aantijgingen verschoond te blijven. Vgl. laatstelijk EHRM 2 februari 2016, Appl.nr. 22947/13, ECLI:CE:ECHR:2016:0202JUD002294713, Magyar Tartálomszolgáltatók Egyesülete and Index.Hu. Zrt versus Hongarije.

4.4.

De in 4.3 bedoelde afweging moet worden uitgevoerd met inachtneming van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. In het kader van het recht op vrijheid van meningsuiting komt daarbij aan de positie van de pers bijzondere betekenis toe, gelet op de taak van de pers om informatie en ideeën van publiek belang te verspreiden en om zijn vitale rol van publieke waakhond te spelen en het recht van het publiek informatie en ideeën te ontvangen, opdat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan. Bij de in 4.3. bedoelde afweging komt in beginsel geen voorrang toe aan het recht op vrijheid van meningsuiting, noch aan het recht op eerbiediging van de goede naam en de persoonlijke levenssfeer. Dit leidt ertoe dat de toetsing in één keer moet geschieden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat daarmee de inbreuk op dat andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van art. 8 lid 2 respectievelijk art. 10 lid 2 EVRM (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3627, NJ 2016, 31). Daarbij dient overigens verschil te worden gemaakt tussen de bescherming van de reputatie van een individu en die van een commerciële onderneming, zoals Pretium en Delphi (EHRM 19 juli 2011, Appl.nr. 23954/10,

ECLI:CE:ECHR:2011:0719JUD002395410, Uj/Hongarije, in onderdeel 22, dat als volgt luidt:

“However, there is a difference between the commercial reputational interests of a company and the reputation of an individual concerning his or her social status. Whereas the latter might have repercussions on one’s dignity, for the Court interests of commercial reputation are devoid of that moral dimension. In the instant application, the reputational interest at stake is that of a State-owned corporation; it is thus a commercial one without relevance to moral character.”

In dit verband legt de bescherming van de belangen van een dergelijke onderneming dus minder gewicht in de schaal.

Aan welke normen is een journalist in de voorfase van onderzoek en nieuwsgaring gebonden?

4.5.

Om haar vitale rol van publieke waakhond naar behoren te kunnen vervullen is het noodzakelijk dat de pers zoveel mogelijk vrijelijk onderzoek kan doen. Het EHRM heeft in zijn jurisprudentie benadrukt dat een journalist moet handelen “in good faith in order to provide accurate and reliable information in accordance with the ethics of journalism.” (EHRM 26 juli 2011, Appl.nr. 41262/05,

ECLI:CE:ECHR:2011:0726JUD004126205, Springer/Slowakije, rov. 97). Over de in dit geding centraal staande vragen wie een journalist in de aan een publicatie voorafgaande fase van onderzoek en nieuwsgaring (hierna: de voorfase) wel of niet mag benaderen, of hij iemand herhaaldelijk mag benaderen, hoe hij dat mag doen, welke vragen hij die persoon dan vervolgens mag stellen en op welke wijze, en wanneer dergelijke onderzoeksactiviteiten jegens de te onderzoeken persoon dan wel onderneming onrechtmatig zijn, is geen eerdere jurisprudentie bekend.

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn journalisten ook in de voorfase, zoals ieder ander, gebonden aan de in Nederland geldende verdragen en wetten, waaronder de Nederlandse strafwetgeving (zie EHRM 21 januari 1999, NJ 1999/713, ECLI:CE:ECHR:1999:0121JUD002918395 Fressoz en Roire tegen Frankrijk, en, laatstelijk, HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3057, zaak [… ] , valselijk opmaken van een KLM-pas door onderzoeksjournalist), alsmede aan de hier geldende ongeschreven zorgvuldigheids- en betamelijkheidseisen welke door artikel 6:162 BW worden beschermd (HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003: AF3416, NJ 2004, 80, m.nt. E.J. Dommering). Bovendien is in dit verband de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek, gepubliceerd op https://www.rvdj.nl/leidraad (hierna: de Leidraad), van belang. Hierbij wordt aangetekend dat de omstandigheid dat een gedraging door de Leidraad in beginsel niet toelaatbaar wordt geacht in het kader van de door de rechter te verrichten belangenafweging geen rechtens aan te leggen criterium is. Deze omstandigheid legt in de regel gewicht in de schaal maar behoeft niet doorslaggevend te zijn (zie HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6165, NJ 2011/449 m.nt. E.J. Dommering). De Leidraad gaat er, in lijn met voormelde uitspraak van het EHRM van 26 juli 2011, van uit dat goede journalistiek waarheidsgetrouw en nauwgezet, onpartijdig en fair, controleerbaar en integer is, maar formuleert op het punt van de in dit geding centraal staande vragen geen concrete regels. Alles overziende kan niet op voorhand worden uitgesloten dat journalisten, jegens de te onderzoeken persoon of onderneming, in de voorfase onrechtmatig handelen. Na uitvoering van de hiervoor beschreven belangenafweging zal hiervan, zeker wanneer het een commerciële onderneming betreft en nu publicatie nog niet heeft plaatsgevonden, niet snel sprake zijn.

Verwijten aan Olsthoorn

4.7.

De rechtbank zal nu hetgeen Pretium c.s. Olsthoorn verwijten bespreken. Pretium c.s. betichten Olsthoorn van ‘ stalking’. Zij stellen allereerst dat Olsthoorn zijn, in de dagvaarding gewraakte, (pogingen tot) informatiegaring over Pretium c.s. niet in de hoedanigheid van journalist doet of heeft gedaan, maar in een andere hoedanigheid, naar de rechtbank begrijpt: bij wijze van persoonlijke vendetta of in opdracht van een derde met een commercieel belang. Pretium c.s. wijzen erop dat Olsthoorn nu al 2,5 jaar met zijn onderzoek bezig is en dat er nog steeds geen publicatie is.

Opgetreden als journalist?

4.8.

De rechtbank wijst deze, door Olsthoorn gemotiveerd betwiste, stelling van Pretium c.s. als onvoldoende onderbouwd van de hand. De enkele omstandigheid dat Olsthoorn na 2,5 jaar van onderzoek nog niets heeft gepubliceerd is, gezien voormeld feitenrelaas en de door Olsthoorn ter zitting gegeven (door Pretium c.s. op zichzelf niet bestreden) verklaring voor het tijdsverloop, onvoldoende. Uitgangspunt is dus dat Olsthoorn informatie heeft vergaard respectievelijk heeft getracht te vergaren als journalist, met het oog op een voorgenomen publicatie.

Is sprake van belaging?

4.9.

Artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht stelt belaging (ook wel stalking genoemd) strafbaar en luidt:

Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.

Pretium c.s. hebben onvoldoende concrete feiten gesteld die de stelling kunnen ondersteunen dat Olsthoorn zich jegens Pretium c.s. schuldig heeft gemaakt aan de door dit artikel strafbaar gestelde gedraging. De door Pretium c.s. in de dagvaarding omschreven gedragingen van Olsthoorn voldoen niet aan de vereisten voor toepasselijkheid van dat artikel. Uit die omschrijvingen blijkt niet van stelselmatige inbreuk op een persoonlijke levenssfeer (van wie dan ook) noch van dwang. Hieraan voegt de rechtbank nog toe dat ook in dit verband moet worden meegewogen dat Olsthoorn is opgetreden als journalist en dat hem een beroep op de vrijheid van meningsuiting toekomt, waaronder de actieve journalistieke informatiegaring wordt geschaard.

Heeft Olsthoorn zorgvuldig gehandeld?

4.10.

Evenmin kan worden geoordeeld dat Olsthoorn heeft gehandeld in strijd met ongeschreven zorgvuldigheidseisen, dan wel met de maatschappelijke betamelijkheid. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.11.

Gebleken is dat Olsthoorn zich heeft ingespannen om - buiten het beeld van het publiek - de gegrondheid van bepaalde door de media en informatie uit anonieme bronnen gevoede aannames te onderzoeken, te weten dat zowel Pretium als Delphi zich welbewust op ouderen richten omdat zij een kwetsbare doelgroep vormen, dat Delphi vertrouwelijke donateursbestanden van haar klanten aan Pretium doorspeelt, dat Pretium die bestanden misbruikt voor eigen marketingdoeleinden en dat Pretium de kwetsbaarheid van demente bejaarden misbruikt door hen tegen hun wil een abonnement te doen afsluiten en dat [eiser sub 2] zijn personeel onheus bejegent. Olsthoorn heeft dit onderzoek onder meer verricht door [eiser sub 2] en personen (zakelijke en persoonlijke relaties) in de omgeving van Pretium c.s. te benaderen met een verzoek om een interview en met enkele personen een interview te houden. Tussen partijen staat vast dat Olsthoorn daarbij telkens een beleefde en voorkomende benaderingswijze heeft gekozen.

4.12.

Pretium is herhaaldelijk negatief in het nieuws is geweest in verband met de klantonvriendelijke wijze waarop zij telefonisch klanten trachtte te werven (de zogenaamde ‘cold calling-methode’, waarbij personen die nog geen relatie met Pretium hadden ongevraagd telefonisch werden benaderd door speciaal daartoe opgeleide medewerkers). Van deze methode werden met name ouderen het slachtoffer en daarover zijn ook Kamervragen gesteld. Dit blijkt uit de hiervoor bij 2.5 vermelde uitspraken. Hierdoor stond en staat het Olsthoorn vrij daaraan in de gesprekken te refereren en dit als ‘extreem klantonvriendelijk gedrag’ te betitelen. Gezien de omstandigheid dat Pretium en Delphi beide behoren tot de DEM -groep, waarvan [eiser sub 2] directeur is, en de negatieve manier waarop Pretium in het nieuws was gekomen, was het verder voor de hand liggend om vragen te stellen naar de onderlinge samenwerking van deze entiteiten, temeer daar Delphi actief was voor charitatieve instellingen en, naar ook [F] heeft verklaard, doorgaans vooral ouderen doneren.

4.13.

Het stond en staat Olsthoorn verder vrij zijn gesprekspartners te bevragen om zijn aannames te verifiëren. Hierbij komt dat tijdens een interview in beginsel ook een kritische, prikkelende, controversiële, suggestieve of negatief ingeklede vraagstelling is toegestaan. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM omvat de uitingsvrijheid immers ook uitingen “that offend, shock or disturb”, terwijl de pers verder tot op zekere hoogte ook mag overdrijven of provoceren (zie laatstelijk EHRM 2 februari 2016, Appl.nr. 22947/13,

ECLI:CE:ECHR:2016:0202JUD002294713, onderdeel 54.). Daarbij moet wel worden aangenomen dat het ook tijdens een interview in beginsel niet is toegestaan om ongefundeerde feitelijke beschuldigingen te uiten, en dat ook in dat geval heeft te gelden dat hoe ernstiger de beschuldiging is, des te meer deze moet zijn gegrond in voorhanden feitenmateriaal (vgl. in het geval van een publicatie HR 24 juni 1983, NJ 1984, 801, ECLI:NL:HR:1983:AD2221, Gemeenteraadslid - X, m.nt. M. Scheltema). Immers, nu Olsthoorn juist persoonlijke en zakelijke relaties van Pretium c.s. heeft geïnterviewd, kan er gevoeglijk van worden uitgegaan dat Pretium c.s. daardoor in dat geval schade zouden kunnen lijden.

4.14.

Uit de hiervoor geciteerde gespreksverslagen kan echter, anders dan laatstgenoemden veronderstellen, niet worden afgeleid dat Olsthoorn Pretium c.s. “bij derden heeft weggezet als malafide bedrijven die het gemunt zouden hebben op kwetsbare ouderen”, welke terminologie afkomstig is van Pretium c.s. , noch dat Olsthoorn anderszins ongefundeerde beschuldigingen heeft gedaan. Zo heeft Olsthoorn er bijvoorbeeld in het gesprek met oud-werknemer [F] uitdrukkelijk op gewezen dat hij een hypothese aan het verifiëren was, welke door verschillende mensen is tegengesproken. Deze hypothese houdt in dat Pretium zich vooral richt op ouderen en Delphi ook, zodat juist dat de link is tussen deze ondernemingen. De mededeling van Olsthoorn in het gesprek met [D] van de Hartstichting, te weten dat Pretium veelvuldig negatief de pers haalde met ouderen, een belangrijke doelgroep van de Hartstichting voor wie de omgang met Pretium slecht voor het hart was, sluit aan bij de negatieve wijze waarop Pretium in het nieuws is gekomen, en is niet in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid. Tot slot kan uit de van de met oud-werknemers [E] en [F] gehouden gesprekken opgemaakte gespreksverslagen niet worden afgeleid dat Olsthoorn [eiser sub 2] ervan heeft beschuldigd zijn personeel onheus te bejegenen. Hij heeft het optreden van [eiser sub 2] met name in vragende zin aan de orde gesteld. Van een schending van het recht op eerbiediging van de goede naam en de persoonlijke levenssfeer van Pretium c.s. is de rechtbank daarbij niet gebleken.

4.15.

In verband met de van een journalist te eisen, ethische, werkwijze mag van hem worden verwacht dat hij tijdens een interview de geïnterviewde persoon voldoende ruimte geeft om diens eigen verhaal te doen en om bepaalde veronderstellingen te ontkrachten. Dit uitgangspunt kan ook worden afgeleid uit HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF34165, NJ 2004, 90, m.nt. Dommering. In die zaak ging het erom dat [… ] voor het maken van televisieopnamen voor zijn programma [programma] meermalen onaangekondigd en met een lopende camera op intimiderende wijze een persoon had benaderd, deze had geconfronteerd met niet-geverifieerde verwijten, zonder hem op behoorlijke wijze gelegenheid te geven zijn visie op de zaak te geven, en zich in uiterst negatieve zin en op denigrerende wijze over hem en een andere persoon had uitgelaten, in welke werkwijze [… ] had volhard ook al was hij zich bewust of behoorde hij zich bewust te zijn van de onjuistheid van de gemaakte verwijten.

4.16.

Uit de, hiervoor goeddeels geciteerde, gespreksverslagen blijkt dat Olsthoorn alle geïnterviewde personen voldoende ruimte heeft geboden zijn aannames te weerspreken en om hun eigen verhaal te doen. De geïnterviewde personen hebben daarvan ook gebruikgemaakt. Overigens hebben zij zich door zijn vragen geen negatieve reacties laten ontlokken ten opzichte van Pretium c.s. . Verschillende personen hebben gebruikgemaakt van hun vrijheid om een gesprek met Olsthoorn te weigeren. Het stond Olsthoorn vrij dat verzoek om een interview te herhalen, zoals hij in enkele gevallen en in sommige gevallen meermalen (over een periode van enkele jaren) heeft gedaan. Zeker in het geval van [eiser sub 2] is begrijpelijk dat Olsthoorn meermalen heeft getracht met hem in gesprek te komen om hem vroegtijdig de gelegenheid tot wederhoor te bieden. Olsthoorn heeft onweersproken betoogd dat hij, doordat sommigen, onder wie [eiser sub 2] , hun medewerking weigerden genoodzaakt was anderen te benaderen met een verzoek om informatie. Verder heeft hij er onweersproken op gewezen dat Pretium doorgaans overgaat tot dagvaarding in het geval zij van mening is dat sprake is van een onrechtmatige publicatie, reden waarom hij, meer dan gebruikelijk, genoodzaakt is de voorgenomen publicatie te verifiëren.

4.17.

Alles overziende komt de rechtbank tot het oordeel dat Olsthoorn niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Van onrechtmatig handelen is geen sprake; de gevraagde verklaring voor recht kan niet worden toegewezen. De rechtbank ziet in het voorgaande ook reden tot afwijzing van de gevorderde verboden.

Slotsom en proceskosten

4.18.

Dit betekent dat alle vorderingen worden afgewezen. Alle verdere stellingen van partijen kunnen onbesproken blijven. Aan de door Pretium c.s. gedane bewijsaanbiedingen gaat de rechtbank voorbij, nu Pretium c.s. daartoe hetzij onvoldoende hebben gesteld, hetzij de door hen te bewijzen aangeboden stellingen zich niet voor bewijslevering lenen. Immers, het is aan de rechtbank te beoordelen of een gedraging onrechtmatig is.

4.19.

Pretium c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Olsthoorn worden begroot op: griffierecht 285,00

salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief II à € 452,00)

Totaal € 1.189,00

4.20.

Op vordering van Olsthoorn zal de kostenveroordeling worden vermeerderd met de wettelijke rente, op de wijze zoals hierna vermeld. De proceskostenveroordeling omvat ook de (nog te maken) nakosten (vergelijk HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116), zodat deze niet apart in het dictum zullen worden opgenomen. Ingevolge artikel 237 lid 3 Rv blijft de vaststelling van de proceskosten in dit vonnis beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van Pretium c.s. af,

5.2.

veroordeelt Pretium c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Olsthoorn tot op heden begroot op € 1.189,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt, mr. I.A.M. Kroft en mr. H.F.M. Hofhuis en is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2016.

coll. 1308