Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16612

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-11-2016
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
AWB 16_16782 en 16_11170
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Is verweerder bevoegd medische gegevens op te vragen?

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 Vw 2000 buiten behandeling gesteld omdat de aanvraag niet compleet was. Er ontbraken relevante medische gegevens van de cardioloog. Volgens het beleid van verweerder (paragraaf A3/7.1 Vc 2000), moet de vreemdeling relevante medische gegevens overleggen. Op grond van paragraaf A3/7.1.2 Vc 2000 verzoekt verweerder het BMA in ieder geval niet om een advies uit te brengen als de vreemdeling incomplete of ontbrekende bewijsmiddelen als genoemd in paragraaf A3/7.1 van de Vc 2000 overlegt en deze, nadat verweerder hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, niet heeft aangevuld. Verweerder was bevoegd de aanvraag buiten behandeling te stellen. Ter zitting is besproken dat onduidelijk is of verweerder wel bevoegd is om medische gegevens van eiseres op te vragen of dat het aan de artsen van het BMA is om dit bij de behandelend artsen op te vragen. De rechtbank wijst in dit verband op artikel 4:3 van de Awb waarin staat dat de aanvrager onder voorwaarden kan weigeren zijn medische gegevens te overleggen. Hieruit kan enerzijds worden afgeleid dat bij de aanvraag dus om medische gegevens mag worden gevraagd. Anderzijds bestaat het recht van een aanvrager dat te weigeren. Een weigering in zaken als de onderhavige, waarin verweerder zelf geen enkele beoordeling van medische stukken maakt, maar dit (terecht) overlaat aan artsen van het BMA, is niet geheel onvoorstelbaar. De artsen van het BMA kunnen immers zelf, en zo ging dat voorheen ook, alle medische informatie rechtstreeks bij de behandelaars opvragen door middel van een toestemmingsverklaring. Verweerder is dan nog net zo goed in staat om op de aanvraag te beslissen. Eiseres heeft echter niet geweigerd stukken over te leggen op vorenbedoelde grond, zodat dit niet tot een andere uitkomst in deze zaak zou kunnen leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/16782 (beroep)

AWB 16/11170 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 11 november 2016 in de zaken tussen

[de vrouw] ,

geboren op [geboortedatum] 1960, van Pakistaanse nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna te noemen: eiseres

(gemachtigde: mr. S. Guman),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Lorier).

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 buiten behandeling gesteld. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 1 juli 2016 ongegrond verklaard.

Op 27 juli 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Bij brief van 24 mei 2016 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er thans toe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2016. Eiseres en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1.1

Eiseres heeft op 3 januari 2016 aan verweerder verzocht om haar uitstel van vertrek te verlenen in verband met haar gezondheidssituatie.

1.2

Verweerder heeft bij brief van 12 april 2016 de gemachtigde van eiseres meegedeeld dat de aanvraag niet compleet was, omdat de relevante medische gegevens van de cardioloog ( [naam] ) in reactie op de vragen van het Bureau Medische Advisering (BMA) ontbraken. Verweerder heeft een termijn van twee weken gesteld om de stukken alsnog in te sturen.

1.3

Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld.

2.1

Op grond van artikel 4:2, tweede lid van de Awb verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

2.2

Op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

3. Eiseres stelt dat voldoende stukken zijn ingediend om aan te nemen dat eiseres niet mag reizen, zodat de aanvraag ten onrechte is afgewezen.

4. De rechtbank begrijpt de grond aldus dat eiseres van mening is dat de aanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld. Volgens het beleid van verweerder, zoals weergegeven in paragraaf A3/7.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, moet de vreemdeling relevante medische gegevens overleggen. Op grond van paragraaf A3/7.1.2 van de Vc 2000 verzoekt verweerder het BMA in ieder geval niet om een advies uit te brengen als de vreemdeling incomplete of ontbrekende bewijsmiddelen als genoemd in paragraaf A3/7.1 van de Vc 2000 overlegt en deze, nadat verweerder hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, niet heeft aangevuld. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de herstelverzuimbrief van 12 april 2016 aan eiseres heeft gemeld welke medische informatie ontbrak en dat verweerder een termijn van twee weken heeft gesteld om de gevraagde gegevens alsnog aan te leveren. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres de benodigde informatie niet binnen de gestelde termijn heeft overgelegd. Dit is ook niet in geschil. Daarmee was voldaan aan de voorwaarden van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, zodat verweerder bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen.

5. Gelet op het hiervoor overwogene, kon verweerder afzien van het horen van eiseres, zodat ook deze grond faalt.

6. De rechtbank hecht eraan nog het volgende op te merken. Zoals ter zitting is besproken, is onduidelijk of verweerder wel bevoegd is om medische gegevens van eiseres op te vragen of dat het aan de artsen van het BMA is om dit bij de behandelend artsen op te vragen. De rechtbank wijst in dit verband op artikel 4:3 van de Awb waarin staat dat de aanvrager onder voorwaarden kan weigeren zijn medische gegevens te overleggen. Hieruit kan enerzijds worden afgeleid dat bij de aanvraag dus om medische gegevens mag worden gevraagd. Anderzijds bestaat het recht van een aanvrager dat te weigeren. Een weigering in zaken als de onderhavige, waarin verweerder zelf geen enkele beoordeling van medische stukken maakt, maar dit (terecht) overlaat aan artsen van het BMA, is niet geheel onvoorstelbaar. De artsen van het BMA kunnen immers zelf, en zo ging dat voorheen ook, alle medische informatie rechtstreeks bij de behandelaars opvragen door middel van een toestemmingsverklaring. Verweerder is dan nog net zo goed in staat om op de aanvraag te beslissen. Eiseres heeft echter niet geweigerd stukken over te leggen op vorenbedoelde grond, zodat dit niet tot een andere uitkomst in deze zaak zou kunnen leiden.

7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

8. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

9. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 16/16782,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 16/11170,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bode, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Koning, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.