Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16608

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-10-2016
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
AWB 16 22116
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat eiser ten tijde van de beschikking van de rechtbank tot vaststelling van het vaderschap meerderjarig was. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat eiser niet van rechtswege, zoals bedoeld in artikel 3 van de RWN, door de beschikking het Nederlanderschap heeft verkregen. Eiser kan een naturalisatieverzoek doen, zoals bedoeld in artikel 7 van de RWN. Van een dergelijk verzoek is niet gebleken. Evenmin is gebleken dat eiser op een andere wijze het Nederlanderschap heeft verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2017/850

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/22116


V-nr: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 14 oktober 2016 in de zaak tussen

[de man] (voorheen [naam] geheten),

geboren op [geboortedatum] 1996, van (gestelde) Nederlandse nationaliteit, eiser,

(gemachtigde mr. W. Hoebba),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Op 27 september 2016 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 28 september 2016 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 11 oktober 2016. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat hij van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen, aangezien de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 11 maart 2015 (de beschikking) het vaderschap heeft vastgesteld van de Nederlander [betrokkene] ten aanzien van eiser. Gelet hierop is de maatregel van bewaring ten onrechte opgelegd.

1.2

Verweerder stelt zich ter zitting op het standpunt dat uit de beschikking niet kan worden opgemaakt dat eiser de Nederlandse nationaliteit heeft. Verweerder gaat vooralsnog uit van de Surinaamse nationaliteit.

1.3

In artikel 3 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) is bepaald wanneer sprake is van verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege. Dit artikel luidt, voor zover van belang als volgt: “Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden (…)”.

In artikel 4 van de RWN is bepaald, voor zover van belang, dat in afwijking van artikel 3 Nederlander wordt het kind van een persoon van wie het ouderschap gerechtelijk wordt vastgesteld, indien het kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was en de ouder op de in de volgende zin bedoelde dag Nederlander is, of, indien deze is overleden, op de dag van overlijden Nederlander was (…).

1.4

De rechtbank stelt vast dat eiser, nu hij is geboren op [geboortedatum] 1996, ten tijde van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2015 meerderjarig was. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat eiser niet van rechtswege, zoals bedoeld in artikel 3 van de RWN, door de beschikking het Nederlanderschap heeft verkregen. Eiser kan, zoals bedoeld in artikel 7 van de RWN, een verzoek indienen om het Nederlanderschap te verkrijgen. Van een dergelijk verzoek is niet gebleken. Evenmin is gebleken dat eiser op een andere wijze het Nederlanderschap heeft verkregen. Het betoog van eiser slaagt niet.

2.1

Eiser stelt zich op het standpunt dat in dit geval sprake is van een onrechtmatig gebruik van handboeien tijdens het transport. Er zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht door verweerder die het aanleggen van handboeien rechtvaardigen. Uit de verschillende rapportages blijkt dat er geen sprake was van gevaar van ontvluchting of gevaar voor de veiligheid. Eiser heeft zijn volledige medewerking verleend en is steeds rustig en vriendelijk geweest. Het gebruik van handboeien is daarom in strijd met artikel 22 van de Ambtsinstructie. Verweerder heeft geen bijzondere en zwaarwegende belangen gesteld die tegen dit gebrek opwegen. De bewaring is daarom onrechtmatig en dient met onmiddellijk ingang te worden opgeheven.

2.2

Uit het dossier blijkt dat er wel handboeien zijn gebruikt, maar dit was tijdens het strafrechtelijk traject en niet tijdens het vreemdelingrechtelijke traject. De rechtmatigheid daarvan staat in deze procedure daarom niet ter beoordeling.

3.1

Ter onderbouwing van het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken dan wel de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert, zijn aan eiser de navolgende feiten en omstandigheden tegengeworpen:

A. hij heeft zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken;

B. hij heeft eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij heeft daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg gegeven;

C. hij heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;

D. hij heeft zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 gehouden;

E. hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats;

F. hij beschikt niet over voldoende middelen van bestaan.

3.2

Eiser voert ook in dit kader aan dat hij Nederlander is. Daarom kunnen de feiten en omstandigheden genoemd onder A. tot en met D. niet aan hem worden tegengeworpen. Hij hoeft als Nederlander geen gevolg te geven aan de verplichting om Nederland te verlaten en van onttrekking aan het toezicht kan ook geen sprake zijn. Eiser heeft gemeld dat hij kind is van een Nederlander en dat hij bezig is met het verkrijgen van een Nederlands paspoort. Verder verblijft eiser in Amsterdam en is hij voor middelen van bestaan afhankelijk van zijn familieleden.

3.3

Zoals overwogen onder rechtsoverweging 1.4 van deze uitspraak heeft eiser door de beschikking niet van rechtswege het Nederlanderschap verkregen. Het betoog van eiser dat hij Nederlander is en daarom de gronden onder A. tot en met D. niet kunnen worden tegengeworpen slaagt daarom niet. Verweerder heeft deze gronden dan ook aan eiser kunnen tegenwerpen. Eveneens kunnen de gronden genoemd onder E. en F. aan eiser worden tegengeworpen omdat eiser niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen en niet is gebleken dat hij over zelfstandige middelen van bestaan beschikt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de voornoemde gronden voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken dan wel dat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Het betoog van eiser slaagt niet.

4.1

Eiser stelt zich verder op het standpunt dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser is geboren in Nederland en heeft een Nederlandse vader. De moeder van eiser is Surinaamse . Eiser is niet bekend bij de Surinaamse autoriteiten. Het Surinaamse consulaat in Nederland heeft hem al laten weten dat hij geen reisdocument zal kunnen krijgen omdat hij niet voorkomt in de registers.

4.2

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het zicht op uitzetting naar Suriname niet ontbreekt. Daarbij is allereerst van belang dat niet is gebleken dat de Surinaamse autoriteiten in het algemeen geen medewerking verlenen aan gedwongen uitzetting, zodat het zicht op uitzetting in algemene zin niet ontbreekt. Verder is voor de vraag of zicht op uitzetting bestaat van belang of eiser zijn volledige en actieve medewerking verleent aan het onderzoek ter vaststelling van zijn identiteit of nationaliteit. Volgens vaste jurisprudentie wordt bij het niet meewerken door de vreemdeling het zicht op uitzetting in beginsel aanwezig geacht. Het is aan eiser om zijn gestelde identiteit en nationaliteit met documenten te onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eiser aan de op hem rustende inspanningsverplichting heeft voldaan. De enkele stelling dat eiser niet geregistreerd staat en het Surinaamse consulaat daarom geen reisdocument zal verstrekken is daartoe onvoldoende. Gelet op het voorgaande dient verweerder in de gelegenheid te worden gesteld een laisser passer-traject op te starten bij de Surinaamse autoriteiten. Het betoog van eiser faalt.

5.1

Ten slotte voert eiser aan dat verweerder kon volstaan met de toepassing van een lichter middel. Eiser had de gelegenheid moeten krijgen om een Nederlands reisdocument aan te vragen. Verder wijst eiser op de omstandigheid dat hij in Nederland familie heeft wonen.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en het feit dat eiser zich niet heeft gehouden aan de hem geboden vertrektermijn van 28 dagen in de beschikking van 7 april 2014, terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen lichter middel kon worden toegepast. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser ook vanuit detentie een Nederlands reisdocument kan aanvragen. Het betoog van eiser faalt.

6. Na beoordeling van de door of namens eiser naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.

7. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van E.P.W. Kwakman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EK

D: C

VK

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.