Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16606

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
NL 16.2690
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vw, Geen geloofwaardige bekering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL16.2690


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2016 in de zaak tussen

[de vrouw] , Iraanse nationaliteit, geboren op [geboortedatum] 1942, eiseres

(gemachtigde: mr. M. Gavami),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Brand).


Procesverloop
Bij besluit van 24 september 2016 (het bestreden besluit), voor zover hier van belang, heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en bepaald dat er ambtshalve geen verblijfsvergunning regulier aan eiseres wordt verleend.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk in de taal Farsi, is verschenen F. Filippo Wasah. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. Verweerder heeft de nationaliteit, identiteit en herkomst van eiseres (element 1) evenals de problemen met de schoonzoon inzake de woning van eiseres (element 2) geloofwaardig geacht. Verweerder heeft het laatste element, de op handen zijnde bekering naar het christendom van eiseres niet geloofwaardig geacht (element 3). Verweerder heeft verder geen aanleiding gezien ambtshalve een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM te verlenen. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat eiseres de wederzijdse afhankelijkheid tussen haar en haar in Nederland verblijvende dochters niet heeft aangetoond.

2. De beroepsgronden van eiseres hebben betrekking op het door verweerder ongeloofwaardig gevonden element 3 en op het standpunt van verweerder dat geen sprake is van rechtens te beschermen gezins- en familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

3.1

De beroepsgrond van eiseres dat verweerder ten onrechte element 3 ongeloofwaardig acht, slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

3.2

Het betoog van eiseres dat haar leeftijd er aan in de weg heeft gestaan om zaken over het Christendom te kunnen onthouden en daarover goed te kunnen verklaren, slaagt niet. Eiseres is blijkens het advies van de FMMU onderzocht en er zijn toen geen klachten of beperkingen geconstateerd die relevant zijn voor het horen en beslissen op de aanvraag van eiseres. Er zijn weliswaar pijnklachten geconstateerd, waardoor eiseres regelmatig van houding moet kunnen veranderen. Er zijn echter geen beperkingen geconstateerd die samenhangen met de leeftijd en educatie van eiseres. Ook uit het verslag van het nader gehoor kan niet worden afgeleid dat eiseres vanwege haar leeftijd of anderszins moeite heeft gehad met de vraagstelling dan wel met het afleggen van verklaringen.

3.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres mogen tegenwerpen dat zij is teruggekomen op een eerdere verklaring zonder dat zij daarvoor een goede reden had. Zowel tijdens het aanmeldgehoor van 4 februari 2016 als het eerste gehoor van 18 september 2016 heeft eiseres verklaard moslima te zijn, terwijl zij vervolgens twee dagen later, op 20 september 2016 tijdens het nader gehoor (pagina 4) te kennen heeft gegeven dat zij geen moslima is. Verweerder mag het in dit licht vreemd vinden dat eiseres heeft verklaard dat zij in Iran ook al bezig was met het Christendom. Indien dit het geval zou zijn geweest, had zij dit ook eerder bij haar eerste gehoor kunnen vertellen. Ook in beroep heeft eiseres geen afdoende reden gegeven waarom zij hierover tegenstrijdig heeft verklaard. De enkele mededeling dat zij in het eerste gehoor enkel heeft aangegeven wat haar officiële religie is, omdat zij in Iran als moslima is geboren en daar als zodanig staat geregistreerd, baat haar niet, omdat zij uitdrukkelijk heeft aangegeven moslima te zijn. Verweerder heeft eiseres gelet hierop ook mogen tegenwerpen dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van haar ophanden zijnde bekering.

3.4

Verder heeft verweerder eiseres mogen tegenwerpen dat zij alleen in algemene woorden haar bedenkingen tegen de Islam heeft geuit en niet specifiek heeft kunnen aangeven waarom zij de Islam wraakzuchtig en gewelddadig vindt. Op de aan haar gestelde vraag om concreter aan te geven waarom zij zich van de Islam afwendt, heeft zij geantwoord dat zij niet weet wat ze nog meer kan noemen. De rechtbank vindt dan ook de motivering van verweerder op dit onderdeel op pagina 5 van het bestreden besluit en pagina’s 7 en 8 van het voornemen deugdelijk. Verweerder heeft gelet hierop eiseres ook mogen tegenwerpen dat zij daarmee afbreuk doet aan haar verklaringen over haar bekering tot het Christendom. De enkele verklaring dat eiseres niet achter de Islam staat, betekent bovendien niet dat moet worden aangenomen dat zij zich daarmee heeft bekeerd tot het Christendom. Van enig causaal verband is geen sprake.

3.5

Van eiseres mocht verweerder ook verwachten dat zij specifieker kan vertellen over het Christendom dan dat zij heeft gedaan. Zij heeft verklaard in Nederland eens per twee weken naar de kerk te gaan en dat zij veel met haar dochter over het Christendom spreekt. Ook leest haar dochter haar voor uit de Bijbel. Eiseres kon in het nader gehoor echter geen enkele christelijke feestdag noemen en heeft geen antwoord kunnen geven op de vraag wie de belangrijkste persoon is binnen het Christendom. Zij heeft wel de namen van Johannes de Doper en de minder prominente Jacob genoemd, maar niet die van Jezus Christus. Ook wist zij geen enkel Bijbelverhaal te noemen. Op de vraag wie Jezus heeft verraden, kon eiseres ook geen antwoord te geven. Evenmin heeft zij kunnen vertellen over hoe Jezus is gestorven. Verweerder heeft dit ongerijmd mogen vinden met de verklaringen dat zij eens per twee weken naar de kerk zou gaan en bovendien veelvuldig met haar dochter over de Bijbel spreekt en door laatstgenoemde wordt voorgelezen.

4. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet ten onrechte geen rechtens te beschermen gezins- en familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM heeft aangenomen. Het betoog van eiseres dat verweerder heeft verzuimd een belangenafweging te maken, volgt de rechtbank niet. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder een dergelijke belangenafweging heeft gemaakt. Daarbij is van belang dat eiseres in de zienswijze enkel heeft gesteld dat er sprake is van wederzijdse afhankelijkheid tussen haar en haar in Nederland verblijvende dochters, waarvan er één ziek is. Verweerder heeft daarover in het bestreden besluit opgemerkt dat de wederzijdse afhankelijkheid niet is aangetoond, zodat geen sprake is van “more than emotional ties”. Verweerder heeft zich op dit standpunt mogen stellen. Ook in beroep heeft eiseres haar stelling dat sprake is van wederzijdse afhankelijkheid niet met stukken onderbouwd.

5. Het beroep is gelet op het voorgaande ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr.N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Coll:WN


RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.