Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16554

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-12-2016
Datum publicatie
06-01-2017
Zaaknummer
AWB 16/13752
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek om VBL-opvang; 72, derde lid, Vw; beroep niet tijdig; doorzenden beroep als bezwaar

Op 26 april 2016 heeft eiser per e-mail verzocht om opvang in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) in Ter Apel. Op 12 mei 2016 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de gestelde weigering hem opvang te verlenen in een VBL.

Bij besluit van 13 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Daartegen heeft eiser beroep ingesteld. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar een uitspraak van de ABRS van 26 november 2015. Daarin is over gevallen als deze geoordeeld dat, bij gebreke aan een specifieke publiekrechtelijke bevoegdheid voor het aangeboden onderdak, de schriftelijke reactie van verweerder op een verzoek om opvang in de VBL geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb. Het aangeboden onderdak is een feitelijke handeling van verweerder jegens de vreemdeling in de zin van artikel 72, derde lid, Vw, omdat deze hem raakt in zijn hoedanigheid van vreemdeling.

De rechtbank stelt vast dat eiser in de e-mail van 26 april 2016 heeft verzocht om opvang in een VBL. Eiser heeft daarmee verweerder verzocht een feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, Vw te verrichten. Op 12 mei 2016 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van dit handelen. Weliswaar is het, op grond van artikel 6:1 Awb, in samenhang met artikel 6:2 aanhef en onder b, Awb, mogelijk om een rechtsmiddel aan te wenden tegen een weigering als hier aan de orde is, maar dit rechtsmiddel is - sinds de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen per 1 januari 2010 – niet meer bezwaar, maar beroep, op grond van artikel 6:12, tweede lid, Awb. Verweerder heeft dan ook eisers bezwaar ten onrechte ontvangen. De rechtbank zal het beroep, voor zover dit is gericht tegen deze beslissing op bezwaar, daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit in zoverre vernietigen. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om opvang in een VBL, niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

De rechtbank stelt voorts vast dat in het bestreden besluit tevens een inhoudelijke reactie is gegeven op het verzoek om VBL-opvang. Verweerder heeft in reactie op het ook door hem als zodanig aangemerkte verzoek om opvang immers aangegeven dat eiser zich kan wenden tot de VBL voor opvang mits hij bereid is te voldoen aan de gestelde voorwaarde van een gesprek met de regievoerder. Deze reactie is aan te merken als een feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, Vw, en dus gelijk te stellen met een besluit. Hiertegen staat echter niet het rechtsmiddel van beroep open, maar dat van bezwaar, overeenkomstig artikel 72, derde lid, Vw, en afdeling 1 en 2 van hoofdstuk 7 Vw. De rechtbank zal het beroep van eiser, gelet op artikel 6:15 Awb, in zoverre niet-ontvankelijk verklaren en dit ter verdere behandeling als bezwaar doorzenden aan verweerder.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 56
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/13752

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 16 december 2016 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Guineebissause nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. J. Sprakel, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Op 26 april 2016 heeft eiser per e-mail verzocht om opvang in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) in Ter Apel.

Op 12 mei 2016 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de gestelde weigering hem opvang te verlenen in een VBL.

Bij besluit van 13 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 26 september 2016 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2016. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen ter zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen

1. Eiser voert, samengevat, aan dat hij met de e-mail van 26 april 2016 van zijn advocaat op de afgesproken wijze is aangemeld bij de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V). In die e-mail heeft hij verzocht of beoordeeld kan worden of hij voor opvang in de VBL in Ter Apel in aanmerking komt. Omdat hierop niet is gereageerd heeft eiser op 12 mei 2016 bezwaar gemaakt tegen de kennelijke weigering hem opvang te verlenen. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser zich kan melden in Ter Apel. Nu een gesprek tussen DT&V en eiser van essentieel belang is volgens verweerder, had het bezwaar niet afgedaan kunnen worden als kennelijk ongegrond. Bij uitspraak van 26 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3415) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat opvang in Ter Apel voorhanden is op voorwaarde dat wordt meegewerkt aan vertrek. Eiser wil meewerken aan vertrek maar wordt niettemin niet toegelaten tot een VBL. Daarbij komt dat in veel gevallen vreemdelingen naar Ter Apel afreizen waarna zij na een gesprek met DT&V worden weggestuurd. Niet valt in te zien dat een verzoek om opvang niet schriftelijk kan.
2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen sprake is van weigering van toegang tot de VBL. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2015 kan eiser tijdelijk onderdak krijgen in de VBL, mits hij meewerkt aan zijn vertrek. Op grond van de door eiser summier aangeleverde informatie is niet vast te stellen of hij daadwerkelijk bereid is zelfstandig terug te keren. Hiervoor is een gesprek tussen eiser en de regievoerder van essentieel belang. De informatie die eiser in de e-mail heeft verstrekt en de mededeling van de gemachtigde van eiser dat eiser eerlijk en oprecht is, zal in dit gesprek worden betrokken, maar is op zichzelf ontoereikend voor de conclusie dat eiser voldoende meewerkt.

Ter zitting heeft verweerder zich, samengevat, nader op het volgende standpunt gesteld. De brief van 13 juni 2016 van DT&V is niet aan te merken als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de brief van 13 juni 2016 is meegedeeld dat eiser zich dient te melden bij de inrichting voor een gesprek met een regievoerder. Aan de hand daarvan kan worden beslist of eiser in aanmerking komt voor opvang. Een dergelijk gesprek kan eventueel ook plaatsvinden in Hoofddorp, om eiser een reis naar Ter Apel te besparen. Hiervan is het kantoor van eisers gemachtigde overigens op de hoogte. De strekking van de brief van 13 juni 2016 is daarom slechts een mededeling van praktische aard, zonder rechtsgevolg, over de gang van zaken voorafgaande aan een beslissing omtrent het verlenen van opvang aan eiser.

3. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiser in zijn beroep kan worden ontvangen. In dat verband verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling van 26 november 2015. Daarin is over gevallen zoals het onderhavige als volgt geoordeeld. Gelet op de artikelen 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), 13, aanhef en vierde lid, en 31, aanhef en tweede lid, van het Europees Sociaal Handvest en de beslissing van het Europees Comité voor Sociale Rechten van 1 juli 2014 in zaak nr. 90/2013 (CEC tegen Nederland; www.coe.int/socialcharter), kan verweerder, in reactie op een verzoek van een niet rechtmatig in Nederland verblijvende meerderjarige vreemdeling om onderdak te verstrekken, volstaan met een aanbod van onderdak in een VBL onder de voorwaarde dat die vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek uit Nederland en met dien verstande dat het onderdak gepaard zal gaan met de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel krachtens artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Voorts heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat de Vw noch enige andere wettelijke regeling verweerder een specifieke bevoegdheid toekent om niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen onderdak te bieden. Bij gebreke aan een specifieke publiekrechtelijke bevoegdheid voor het aangeboden onderdak, is de schriftelijke reactie van verweerder op een verzoek om opvang in de VBL geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Het aangeboden onderdak is een feitelijke handeling van verweerder jegens de vreemdeling, die hem raakt in zijn hoedanigheid van vreemdeling, zodat dit een feitelijke handeling is in de zin van artikel 72, derde lid, Vw.

3.1

De rechtbank stelt vast dat eiser in de e-mail van 26 april 2016 heeft verzocht om opvang in een VBL. Eiser heeft daarmee verweerder verzocht een feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, Vw te verrichten. Op 12 mei 2016 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van dit handelen. Weliswaar is het, op grond van artikel 6:1 Awb, in samenhang met artikel 6:2 aanhef en onder b, Awb, mogelijk om een rechtsmiddel aan te wenden tegen een weigering als hier aan de orde is, maar dit rechtsmiddel is - sinds de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen per 1 januari 2010 – niet meer bezwaar, maar beroep. Dit vloeit voort uit artikel 6:12, tweede lid, Awb. Verweerder heeft dan ook eisers bezwaar ten onrechte ontvangen. De rechtbank zal het beroep, voor zover dit is gericht tegen deze beslissing op bezwaar, daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit in zoverre vernietigen.

3.1.1

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om opvang in een VBL, niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om het bezwaar gericht tegen het niet tijdig handelen te behandelen als beroepschrift tegen het niet tijdig handelen, omdat eiser bij dat beroep geen belang meer heeft. Verweerder heeft in het bestreden besluit, zoals hieronder uiteen wordt gezet, immers alsnog een reactie op eisers verzoek gegeven.

3.2

De rechtbank stelt voorts vast dat in het bestreden besluit van verweerder van 13 juni 2016 tevens een inhoudelijke reactie is gegeven op het verzoek om VBL-opvang. Verweerder heeft in reactie op het ook door hem als zodanig aangemerkte verzoek om opvang immers aangegeven dat eiser zich kan wenden tot de VBL voor opvang mits hij bereid is te voldoen aan de gestelde voorwaarde van een gesprek met de regievoerder. Gelet op de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 26 november 2015 is deze reactie aan te merken als een feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, Vw, en dus gelijk te stellen met een besluit.

Hiertegen staat echter niet het rechtsmiddel van beroep open, maar dat van bezwaar, overeenkomstig artikel 72, derde lid, Vw, en afdeling 1 en 2 van hoofdstuk 7 Vw. Het door eiser ingediende beroep, voor zover gericht tegen de reactie van verweerder op het verzoek om VBL-opvang, dient daarom te worden aangemerkt als een bezwaar gericht tegen vorenbedoeld met een besluit gelijkgestelde feitelijke handeling. De rechtbank zal het beroep van eiser, gelet op artikel 6:15 Awb, in zoverre niet-ontvankelijk verklaren en dit ter verdere behandeling als bezwaar doorzenden aan verweerder.

4. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 496,- (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1).


Beslissing

De rechtbank:

-
verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover betrekking hebbend op het bezwaar gericht tegen niet tijdig handelen;

- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de beslissing op het verzoek om VBL-opvang, niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 496,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.S. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.J. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2016.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.