Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16545

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-12-2016
Datum publicatie
06-01-2017
Zaaknummer
C-09-521879-KG ZA 16-1405
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Nederland heeft de tenuitvoerlegging van de in het Verenigd Koninkrijk aan eiser opgelegde straf overgenomen op basis van de zogenoemde voortzettingsprocedure. Eiser meent dat de omzettingsprocedure had moeten worden gevolgd, subsidiair dat er een ander regime van voorwaardelijke invrijheidstelling moet worden toegepast en meer subsidiair dat er een korting op de straf moet worden toegepast. Daarin wordt hij door de voorzieningenrechter niet gevolgd. De vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/521879 / KG ZA 16/1405

Vonnis in kort geding van 16 december 2016

in de zaak van

[eiser] ,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te [locatie] ,

eiser,

advocaat mr. W. Hendrickx te Utrecht,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 15 december 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Op 16 december 2016 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is in het Verenigd Koninkrijk (hierna: het VK) op 1 juni 2012 in hoger beroep veroordeeld tot, kort gezegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twintig jaar vanwege een opiumdelict.

2.2.

Op 12 juni 2012 hebben de autoriteiten van het VK de Staat geïnformeerd over een verzoek van [eiser] om op grond van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (hierna: het VOGP) het restant van zijn straf in Nederland te mogen uitzitten. De autoriteiten van het VK verzoeken de Staat om de tenuitvoerlegging over te nemen ”on the basis of “continued enforcement” (de zogenoemde voortzettingsprocedure en hierna ook als zodanig aangeduid). Daarbij staat vermeld dat, als dat niet mogelijk is, de autoriteiten van het VK bereid zijn om in te stemmen met omzetting van de straf naar een passende Nederlandse straf (de zogeheten omzettingsprocedure en hierna ook als zodanig aangeduid). In de brief wordt door het VK voorts gewezen op de regeling in het VK dat gedetineerden die na 4 april 2005 een misdrijf hebben gepleegd, vrijkomen nadat zij de helft van hun straf hebben uitgezeten (hierna: de half-sentence-regeling).

2.3.

Voormeld verzoek is voorgelegd aan het Gerechtshof te Arnhem, hetgeen heeft geresulteerd in een advies tot verdere tenuitvoerlegging van de straf in Nederland. Daarbij is overwogen dat de voorzettingsprocedure van toepassing is en dat de straf dient te worden aangepast aan het Nederlands wettelijk maximum ter zake van twaalf jaar gevangenisstraf.

2.4.

De Staat heeft de autoriteiten van het VK daarna, op 1 augustus 2012, bericht dat zij instemt met het overnemen van de tenuitvoerlegging van de straf van [eiser] volgens de voortzettingsprocedure. Daarbij is gewezen op de in Nederland toepasselijke regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, waarbij [eiser] na het uitzitten van 2/3e van zijn straf onder voorwaarden kan vrijkomen. Op 21 augustus 2016 heeft de Staat het VK ook nog gewezen op de omzetting van de gevangenisstraf naar het Nederlandse maximum van twaalf jaar. De autoriteiten van het VK hebben op 25 januari 2013 ingestemd met de overbrenging van [eiser] . Daarbij hebben zij als bijlage de door [eiser] ondertekende instemmingsverklaring gevoegd.

2.5.

Bij beschikking van 1 februari 2013 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie dienovereenkomstig beslist, derhalve met omzetting van de straf van [eiser] naar twaalf jaar, met aftrek van de reeds in het VK ondergane preventieve hechtenis en straf en met toepassing van de Nederlandse regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling. Op 3 april 2013 heeft de feitelijke overdracht plaatsgevonden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

primair de Staat te veroordelen zijn zaak opnieuw te beoordelen om binnen een maand na dit vonnis te komen tot een nadere beoordeling van zijn straf naar Nederlandse maatstaven, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

subsidiair te bepalen dat de Staat gehouden is om de half-sentence-regeling te hanteren bij de executie van [eiser] (de voorzieningenrechter begrijpt: de executie van de straf die aan [eiser] is opgelegd) in plaats van de Nederlandse regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling na 2/3e van de straf;

meer subsidiair te bepalen dat de Staat gehouden is 270 dagen van de in Nederland geldende straf af te halen vanwege toepassing van het Early Removal Scheme (hierna: ERS) dat door het VK wordt gehanteerd.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Het bij [eiser] hanteren van de voortzettingsprocedure is onrechtmatig van de Staat. Het betreft een eenzijdige koerswijziging van de Minister van een procedure die sedert jaar en dag de standaard is geweest en het VK ook altijd accepteerde. [eiser] heeft voorts bij het geven van zijn toestemming geen enkele uitleg gekregen en hij is er daarom gerechtvaardigd vanuit gegaan dat bij zijn verzoek de omzettingsprocedure zou worden gehanteerd. Enige maanden voor zijn overstap heeft hij namelijk vernomen dat dit bij een medegedetineerde ook op die wijze is geschied, hetgeen heeft geresulteerd in een veel lagere straf, namelijk van zes jaar. Subsidiair heeft te gelden dat op grond van artikel 15 lid 7 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) het meest gunstige regime van voorwaardelijke invrijheidstelling dient te worden toegepast en dat is de half-sentence-regeling. Dat betekent dat [eiser] al had moeten worden vrijgelaten. Meer subsidiair dient in ieder geval 270 dagen korting te worden gegeven op de straf. In het VK wordt het ERS gehanteerd bij gedetineerden die ongewenst worden verklaard en het land worden uitgezet. Tegenover de gegeven korting van 270 dagen staat dan dat de betreffende persoon minstens tien jaar het VK niet in mag. Indien diegene het verbod daartoe overtreedt, dient hij alsnog die 270 dagen gevangenisstraf uit te zitten. Dit geldt ook voor [eiser] .

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

4.2.

Bij de beoordeling van de primaire vordering wordt vooropgesteld dat uitgangspunt is de bevoegdheid van de Minister op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) om te beslissen over de vraag of de tenuitvoerlegging van een in een andere EU-lidstaat uitgesproken strafvonnis door Nederland moet worden overgenomen. Een overdracht of overname in het kader van het VOGP vindt plaats op basis van de vrijwillige medewerking van de betrokken lidstaten. Noch aan de WOTS, noch aan het VOGP kan een recht op overbrenging worden ontleend en al evenmin een recht op overbrenging op grond van de omzettingsprocedure. Binnen het stelsel van het VOGP en de WOTS heeft de Minister voorts een ruime beleidsvrijheid bij de keuze tussen de omzettingsprocedure en de voortzettingsprocedure.

4.3.

Bij brief van 27 juni 2011 heeft de Minister aan de Tweede Kamer een beleidswijziging bekend gemaakt, inhoudende dat de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging per 1 oktober 2011 binnen de Europese Unie de hoofdprocedure wordt (hierna: de brief van 27 juni 2011). Dat dit feitelijk geen beleidswijziging betrof, maar een wijziging in het VOGP die niet door een Minister kan worden bewerkstelligd, zoals [eiser] stelt, valt gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen niet in te zien. De Staat heeft de reden voor de beleidswijziging ter zitting nader toegelicht aldus dat (zoals overigens ook blijkt uit de brief van 27 juni 2011) de grote meerderheid van de EU-landen alleen bereid is om veroordeelden naar Nederland over te brengen als Nederland de voortzettingsprocedure toepast. De achtergrond daarvan is de strafverlaging die veelal het gevolg is van toepassing van de omzettingsprocedure. Dit heeft er, met nog een aantal andere overwegingen, toe geleid dat de voortzettingsprocedure per 1 oktober 2011 tot hoofdprocedure is gemaakt binnen de Europese Unie.

4.4.

De burgerlijke rechter dient zich zeer terughoudend op te stellen in zijn toetsing van (de rechtmatigheid van) het beleid van de Minister. Dit geldt te meer voor de voorzieningenrechter in kort geding. Voor ingrijpen van de voorzieningenrechter is dan ook slechts plaats indien de beleidswijziging van de Minister onmiskenbaar onrechtmatig is. De enkele stelling van [eiser] dat bij verzoeken van het VK de omzettingsprocedure sedert jaar en dag de standaard is geweest, dat het VK dit ook altijd accepteerde en dat dit dus een eenzijdige koerswijziging is, is mede in het licht van voormelde nadere toelichting van de Staat onvoldoende om aan te nemen dat hier de grenzen van de ministeriële beleidsvrijheid zijn overschreden (vgl voorzieningenrechter rechtbank ’s-Gravenhage 27 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW766).

4.5.

[eiser] heeft nog gewezen op de omstandigheid dat een medegedetineerde enige tijd vóór hem is overgebracht van het VK naar Nederland en dat diens gevangenisstraf van twaalf jaar met toepassing van de omzettingsprocedure is omgezet naar zes jaar. Alhoewel het voor [eiser] te betreuren is als hij op basis hiervan verkeerde verwachtingen heeft gekoesterd, kan dat niet tot het oordeel leiden dat de Staat onrechtmatig handelt jegens [eiser] door bij hem de voortzettingsprocedure toe te passen. Het vorenstaande kan immers niet aan de Staat worden tegengeworpen. Nu voormelde brief als kamerstuk en dus ook op internet is gepubliceerd, was de beleidswijziging ook voor [eiser] kenbaar. Van een verplichting om deze wijziging tevens bij brief aan iedere veroordeelde kenbaar te maken is geen sprake, zo heeft de Staat terecht opgemerkt, waarbij overigens de kanttekening dient te worden gemaakt dat [eiser] pas nadien in hoger beroep is veroordeeld. Ook een eventueel gebrek aan uitleg door het VK aan [eiser] kan niet aan de Staat worden tegengeworpen. De Staat mocht uitgaan van de juistheid van de instemming van [eiser] , zoals blijkt uit het bij het verzoek gevoegde formulier. De Staat heeft dan ook aangetoond dat hij zowel overeenkomstig de gestelde regels heeft gehandeld als overeenkomstig het verzoek van het VK, die immers (primair) heeft verzocht om toepassing van de voortzettingsprocedure. Tenuitvoerlegging van de straf vindt thans dan ook plaats overeenkomstig de met het VK bereikte overeenstemming.

4.6.

De voorzieningenrechter volgt [eiser] ook niet in zijn subsidiaire standpunt dat toepassing van artikel 15 lid 7 Sr ertoe dient te leiden dat op zijn straf, zoals die in Nederland ten uitvoer wordt gelegd, het meest gunstige regime van voorwaardelijke invrijheidstelling moet worden toegepast, te weten de half-sentence-regeling van het VK. Daarvoor biedt genoemd artikel geen grondslag. De vergelijking vindt op grond van dit artikel immers plaats tussen de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling in Nederland, in dit geval na acht jaar (2/3e van de van twintig naar twaalf jaar verminderde straf) en de datum waarop de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld als hij niet aan Nederland zou zijn overgedragen. Dat zou in het geval van [eiser] na tien jaar het geval zijn geweest (de helft van twintig jaar). Als dit artikel dus al van toepassing zou zijn (hetgeen de Staat betwist nu dit artikel in werking is getreden nadat al op het verzoek was beslist) dan biedt dit geen grondslag voor het bepalen van een eerder tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling van [eiser] .

4.7.

Het vorenstaande geldt ook indien rekening gehouden zou worden met de korting van 270 dagen uit hoofde van het ERS. Ook dan is de detentieduur in Nederland van acht jaar nog steeds korter dan de detentieduur in het VK zou zijn geweest. Artikel 15 lid 7 Sr vormt dan ook geen grondslag voor toewijzing van de meest subsidiaire vordering. Een andere wettelijke grondslag om de straf die [eiser] in Nederland dient uit te zitten verder aan te passen door deze korting toe te passen, is gesteld noch gebleken.

4.8.

Het gevorderde is gezien het vorenstaande niet voor toewijzing vatbaar. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.435,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 619,-- aan griffierecht;

- bepaalt dat [eiser] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2016.

ts