Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16454

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
10-01-2017
Zaaknummer
C/09/439557 / FA RK 13-2216
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Omgang/Ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 13-2216 / JE RK 14-2638

Zaaknummer: C/09/439557 / C/09/478159

Datum beschikking: 22 december 2016

Omgang/Ondertoezichtstelling

Beschikking op de op 12 april 2013 (FA RK 13-2216) en 19 november 2014 (JE RK 14-2638) ingekomen verzoeken van:

inzake FA RK 13-2216 / C/09/439557:

[verzoeker] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.M. van Wijk te Leiden,

en

inzake JE RK 14-2638 / C/09/478159:

[belanghebbende] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: voorheen mr. J.M. Wigman te ’s-Gravenhage, thans mr. I. Mercanoğlu te Almelo.

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

de vader, de moeder en

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

(hierna: de minderjarige),

in rechte vertegenwoordigd door mr. A.B. Baumgarten, advocaat te ’s-Gravenhage, in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

Bij beschikking van 14 januari 2015 van deze rechtbank:

- zijn de verzoeken van de moeder met betrekking tot het gezag en de consultatieregeling afgewezen;

- is bepaald dat de vader de moeder, vanaf 27 januari 2015 om de twee maanden, schriftelijk informatie zal verschaffen betreffende de (sociale) ontwikkeling en gezondheid, eventuele hobby’s en de gang van zaken op school van de minderjarige op school in de toekomst, alsook dat de vader de moeder informeert over toekomstige medische behandelingen van de minderjarige en de voortgang van de lopende medische behandeling van de minderjarige, waarbij hij, zolang er geen omgang van de moeder met de minderjarige plaatsvindt, elke twee maanden een recente goedgelijkende (digitale) foto van de minderjarige aan de moeder verstrekt;

- is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) verzocht een onderzoek te verrichten naar de vraag of er sprake is van bezwaren als genoemd in artikel 1:377a, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), die in de weg staan aan het recht op omgang, dat de moeder met de minderjarige heeft. Indien hiervan niet blijkt, heeft de rechtbank de raad verzocht een vervolgonderzoek te doen naar de wijze waarop contactherstel gerealiseerd kan worden, indien nodig met behulp van proefcontacten. De rechtbank heeft daarbij voorts opgemerkt op dat het de raad vrij staat om zo nodig het onderzoek verder uit te breiden met een kinderbeschermingsonderzoek.

Vervolgens is, in afwachting van rapportage en advies van de raad, een verdere beslissing ten aanzien van de omgang en de ondertoezichtstelling pro forma aangehouden tot

15 april 2015.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- een brief d.d. 30 januari 2015 van de zijde van de vader;

- een brief d.d. 6 februari 2015 van de zijde van de moeder;

- een brief d.d. 27 februari 2015 van de raad;

- een brief d.d. 7 mei 2015, met bijlage, van de zijde van de moeder;

- een brief d.d. 5 juni 2015 , met bijlage, van de zijde van de moeder;

- een brief d.d. 9 juni 2015 van de raad;

- een brief d.d. 18 juni 2015 van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, kenmerk: [kenmerknummer]

, met bijlagen;

- een brief d.d. 19 januari 2016, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- een brief d.d. 26 januari 2016 van de zijde van de vader;

- een brief d.d. 4 februari 2016 van de raad;

- een brief d.d. 13 april 2016 van de raad;

- het rapport d.d. 4 augustus 2016 van de raad (kenmerk [kenmerknummer] , met de reacties

daarop van de moeder en de vader;

- een brief d.d. 9 augustus 2016 van de moeder;

- een brief d.d. 13 november 2016 van de zijde van de moeder;

- een F9-formulier d.d. 13 november 2016 van de zijde van de moeder;

- een brief d.d. 15 november 2016 van de zijde van de vader;

- een brief d.d. 16 november 2016 van de bijzondere curator;

- een brief d.d. 18 november 2016, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- een e-mail van de advocaat van de moeder met één bladzijde van een bijlage bij de brief

d.d. 18 november 2016, thans wel leesbaar.

Op 24 november 2016 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en vergezeld van [naam] , tolk in de Engelse taal, de bijzondere curator en de heer [medewerker RvdK] namens de raad. Van de zijde van de vader en de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

De rechtbank heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 24 november 2016 in raadkamer met de minderjarige gesproken.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Ter zitting is van de zijde van de vader bezwaar gemaakt tegen het bij het dossier voegen van de brief van de moeder van 18 november 2016. De rechtbank verklaart dit bezwaar ongegrond, nu de moeder voldoende gelegenheid heeft gehad om op de inhoud van deze brief te reageren, waardoor zij niet in haar procesbelang is geschaad.

Door diverse, door partijen geëntameerde, klachtprocedures heeft de onderhavige procedure vertraging opgelopen.

De omgangsregeling

De vader heeft ter terechtzitting van 2 december 2014, met wijziging van zijn verzoek d.d. 12 april 2013, verzocht de moeder het recht op omgang met de minderjarige voor onbepaalde tijd te ontzeggen, of – wanneer de rechtbank meent dat daartoe een termijn dient te worden bepaald – de moeder het recht op omgang te ontzeggen tot de achttiende verjaardag van de minderjarige. Hij heeft zich daarbij primair beroepen op de door de minderjarige geuite ernstige bezwaren tegen omgang met de moeder, subsidiair op de overige in artikel 1:377a BW genoemde ontzeggingsgronden.

De raad heeft geadviseerd om op dit moment geen omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige vast te stellen. De raad is – verkort weergegeven – op grond van het volgende tot dit advies gekomen.

Het uitgangspunt van de raad is dat kinderen contact moeten hebben met beide ouders. In de onderhavige procedure is sprake van een zorgelijke en complexe situatie waarin ouders elkaar beschuldigen en verwijten maken. De ouders zijn al jarenlang verwikkeld in een verharde juridische strijd waarvan de minderjarige het middelpunt is. De minderjarige lijkt te hebben gekozen voor rust. De minderjarige kon gelet op zijn situatie niet anders dan kiezen voor één ouder. De minderjarige heeft dan ook doen blijken van ernstige bezwaren tegen omgang met de moeder, zodat sprake is van een bezwaar als genoemd in artikel 1:377a, derde lid BW. Vanuit een pedagogisch oogpunt is het wel in het belang van de minderjarige dat hij contact met de moeder heeft. Afdwingen van een vaste regeling of een hulpverleningstraject zal in deze specifieke situatie echter contraproductief werken.

De raad acht het een positieve ontwikkeling dat de moeder de minderjarige laat merken dat zij (op afstand) aanwezig is en dat zij – zo nodig – beschikbaar is voor hem. Inmiddels is e-mailcontact tussen de moeder en de minderjarige ontstaan. Cadeautjes die de moeder aan de minderjarige stuurt, worden door hem blij ontvangen. Wanneer de vader de minderjarige op positieve wijze in dit ontstane contact ondersteunt en stimuleert, zal de minderjarige begrijpen dat hij voor contact met zijn moeder toestemming van de vader krijgt.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de minderjarige via e-mail en Skype contact heeft met de moeder en nu hij bij de rechtbank heeft aangegeven dit contact te willen continueren en te zijner tijd te willen uitbreiden met bijvoorbeeld een gezamenlijk uitje, de minderjarige niet (langer) blijk geeft van bezwaren tegen omgang met de moeder als bedoeld in artikel 1:377a BW, tweede lid sub c, zoals door de vader gesteld. Dat sprake zou zijn van andere in artikel 1:377a BW genoemde ontzeggingsgronden blijkt, mede gelet hierop, evenmin. Daarbij betrekt de rechtbank tevens dat op basis van de raadsrapportage niet is gebleken dat contact van de moeder met de minderjarige onveilig is en dat de vader er inmiddels blijk van heeft gegeven niet (meer) tegen contact van de moeder met de minderjarige te zijn.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de omgang te ontzeggen of nog langer te schorsen. Daarmee herleeft in beginsel de omgangsregeling zoals die door het gerechtshof ’s‑Gravenhage op 6 juni 2012 is vastgesteld. Deze regeling acht de rechtbank echter niet langer in het belang van de minderjarige. Ook de moeder begrijpt dat het in het belang van de minderjarige is om het contact – na de lange periode waarin er geen contact was tussen haar en de minderjarige – langzaam op te bouwen.

In dat kader ligt voor het verzoek van de moeder te bepalen dat de moeder in het kader van contactherstel de minderjarige gedurende een periode van twee maanden bij zich kan hebben bij de bij partijen bekende heer [naam] partijen zich wenden tot het [omgangshuis] en de moeder de minderjarige onbegeleid bij zich kan hebben een weekend per veertien dagen, althans met enige opbouw, althans op een zodanige wijze als de rechtbank redelijk acht.

De vraag is of er een vaste omgangsregeling dient te worden vastgesteld. De vader heeft zich hiertegen verzet. Ook de bijzondere curator en de raad hebben betoogd dat het vaststellen van een vaste regeling niet in het belang is van de minderjarige.

De rechtbank acht het bepalen van een vastomlijnde omgangsregeling niet in het belang van de minderjarige en overweegt daartoe als volgt. De afgelopen jaren is er veelvuldig strijd en escalatie geweest tussen partijen naar aanleiding van de vastgelegde omgangsregeling. Recent is het contact tussen de minderjarige en de moeder weer opgestart en dit lijkt ook juist mogelijk te zijn geworden doordat druk op de minderjarige – in de vorm van een vaste regeling – ontbrak. De minderjarige heeft verklaard dit contact te willen behouden en mogelijk ook te willen uitbreiden, maar geen vaste regeling te willen. Hij heeft gezegd zelf daarin het tempo te willen bepalen. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de leeftijd van de minderjarige, aan deze wens gewicht dient te worden toegekend. De flexibiliteit die hij aangeeft te willen, past ook bij zijn leeftijd en de toenemende (sociale) activiteiten in zijn leven. De rechtbank acht het zeer positief dat het contact tussen de minderjarige en de moeder, dat lange tijd doorbroken is geweest, recent weer is opgestart. Het is van belang dat deze opbouw in de omgang niet wordt verstoord. De inschatting van de rechtbank, mede gelet op het raadsrapport, de verklaring van de raad ter terechtzitting, hetgeen de bijzondere curator ter terechtzitting namens de minderjarige naar voren heeft gebracht en het (moeizame) verloop van de omgangsregeling de afgelopen jaren, is dat bij de vaststelling van een vaste omgangsregeling wederom strijd tussen de ouders zal ontstaan, welke strijd zijn weerslag op de minderjarige zal hebben. Het risico ontstaat daarmee dat het recent opgestarte positieve contact tussen de minderjarige en de moeder weer wordt verstoord. De rechtbank acht het, gelet op voorgaande omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, niet in het belang van de minderjarige om een omgangsregeling met vastgelegde contactmomenten vast te stellen.

De rechtbank heeft bij dit oordeel betrokken dat de minderjarige de afgelopen jaren een zware druk heeft ervaren om loyaal te zijn naar beide ouders, zodat voorstelbaar is dat het voor hem moeilijk is om zijn mening over dit onderwerp te uiten. Om die reden is ook de vraag, zoals de moeder deze heeft gesteld, of de door de minderjarige bij de rechtbank op 24 november 2016 uitgesproken mening authentiek is. De rechtbank heeft de overtuiging gekregen dat dit het geval is. De rechtbank betrekt daarbij mede hetgeen de bijzondere curator naar voren heeft gebracht omtrent de wens van de minderjarige. Daarbij is van belang dat de bijzondere curator over een langere periode (sinds zijn benoeming tot bijzondere curator) meerdere gesprekken met de minderjarige heeft gevoerd en dat de minderjarige er blijk van heeft gegeven de bijzondere curator als zijn belangenbehartiger en als neutraal persoon te vertrouwen.

De rechtbank zal het verzoek van de moeder afwijzen en bepalen dat als omgangsregeling heeft te gelden een regeling waarbij de minderjarige zelf bepaalt wanneer en op welke wijze hij contact heeft met de moeder.

De informatieregeling

De moeder heeft naar voren gebracht dat de reeds bij uitspraak van 14 januari 2015 vastgestelde informatieregeling door de vader niet wordt nagekomen. Door de vader is gesteld dat hij bij het uitvoeren van de regeling belemmeringen ervaart gelet op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de minderjarige. Volgens hem strookt de vastgestelde regeling niet met de Jeugdwet, waarin is bepaald dat medische gegevens van jongeren tussen twaalf en zestien jaar niet mogen worden gedeeld zonder hun toestemming. Hij wenst daarom dat de regeling wordt opgeheven. Volgens hem kan de minderjarige zelf informatie verschaffen aan zijn moeder en past een informatieregeling niet meer bij de leeftijd van de minderjarige.

De rechtbank merkt op dat op de vader, op grond van genoemde beschikking maar ook op grond van artikel 1:377b BW de verplichting rust om de moeder, zo nodig door tussenkomst van derden, op de hoogte te stellen van gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon van de minderjarige, zoals omschreven in het dictum van genoemde beschikking. De in de wet (artikel 7:457 BW en artikel 7.3.11 van de Jeugdwet) neergelegde bescherming van de privacy van de minderjarige richt zich slechts tot de hulpverlener en niet tot de ouder van het kind. Informatie die door hulpverleners aan de met het gezag belaste ouder (zo nodig met toestemming van het kind) wordt gegeven, mag door deze hulpverlener ook aan de andere ouder worden verstrekt (artikel 1:377c BW). De informatieplicht van de gezagsouder jegens de andere ouder wordt in de wet (artikel 1:377b BW) slechts beperkt door het belang van het kind.

De rechtbank is van oordeel dat de vader onvoldoende heeft gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat het verstrekken van (bepaalde, in de beschikking omschreven) informatie niet in het belang van de minderjarige is. De rechtbank benadrukt dat de vader, door informatie over de minderjarige aan de moeder te verstrekken, toont dat hij erachter staat dat de moeder deel uitmaakt van het leven van de minderjarige. Dat acht de rechtbank in het belang van de minderjarige.

Overigens, voor zover de vader dan wel de moeder hebben bedoeld dat de rechtbank een nadere beslissing zal nemen over de informatieregeling, is de rechtbank van oordeel dat de huidige, bij beschikking d.d. 14 januari 2015 bepaalde, regeling voldoet. Zij zal die regeling dan ook handhaven.

De ondertoezichtstelling

De raad heeft geen noodzaak gezien om het onderzoek uit te breiden met een kinderbeschermingsonderzoek, aangezien meer dwang en juridische maatregelen in de situatie waarin de minderjarige verkeert, volgens de raad slechts polariserend zullen werken. De dynamiek van de strijd tussen de ouders is dermate heftig (ook richting hulpverlening) dat er weinig ruimte is voor welslagen van een eventuele ondertoezichtstelling, aldus de raad.

Nu de raad niet tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige overgaat, wordt de moeder ontvangen in haar op 19 november 2014 ingediende verzoek. De moeder wenst een ondertoezichtstelling in de hoop dat aldus meer druk op de vader wordt uitgeoefend om contact en uitbreiding daarvan tussen de moeder en minderjarige te ondersteunen en zo de druk wordt verminderd die de minderjarige volgens haar vanuit de vader voelt.

De vader heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De raad acht hetgeen de moeder verzoekt onder verwijzing naar de conclusies van zijn rapport niet in het belang van de minderjarige. Juist door het inschakelen van een gezinsvoogd zal de druk op de minderjarige toenemen. Bovendien is de raad van mening dat de minderjarige in zijn ontwikkeling niet wordt bedreigd. Ter terechtzitting heeft de raad dit als volgt nader toegelicht. De minderjarige heeft een leeftijd bereikt waarop hij zelf moet kunnen bepalen waar zijn prioriteiten liggen. Het aanstellen van een gezinsvoogd zal druk opleveren. Deze druk zal dermate averechts kunnen werken dat het inmiddels voorzichtig ingezette contactherstel van de minderjarige met de moeder, zelfs (weer) verloren zal kunnen gaan. Gelet op de reeds eerder afgeronde EMDR-behandeling en de bestaande hulpverlening voor de cognitieve ontwikkeling van de minderjarige, ziet de raad in het inzetten van verdere hulpverlening geen meerwaarde. De raad acht het wel van belang dat beide ouders individueel hulp zoeken voor de verwerking van het scheidingsproces, waarna zij mogelijk in staat zijn hun strijd te staken en te gaan samenwerken. De raad zou het overigens, nu de bijzondere curator het vertrouwen van de minderjarige heeft gewonnen, wel in het belang van de minderjarige achten wanneer de bijzondere curator op enigerlei wijze zijn werk zou kunnen voortzetten.

De bijzondere curator heeft ter terechtzitting verklaard bereid te zijn de minderjarige, al dan niet in zijn hoedanigheid van bijzondere curator, wanneer de minderjarige dat wenst, te blijven bijstaan.

De rechtbank is, gelet op hetgeen uit het dossier, ter terechtzitting en uit het gesprek met de minderjarige naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, BW genoemde gronden niet, althans onvoldoende, aanwezig zijn. De rechtbank volgt hierbij hetgeen de raad – zoals hiervoor kort weergegeven – naar voren heeft gebracht. Het verzoek van de moeder wordt dus afgewezen.

Bewijs door middel van getuigen

Door de moeder is aangeboden getuigen te horen, waarop ook van door de vader een dergelijk aanbod is gedaan. Naar de rechtbank begrijpt, beogen partijen een uitspraak in rechte te verkrijgen met betrekking tot de door de vader gestelde mishandeling van de minderjarige door de moeder in 2013. De rechtbank ziet geen aanleiding partijen in dat verband gelegenheid te bieden nader bewijs te leveren, al dan niet door middel van het horen van getuigen. Zoals hiervoor is overwogen, is thans geen sprake van ontzeggingsgronden als genoemd in artikel 1:377a BW, zodat de rechtbank het niet rechtens relevant acht om nog te beoordelen wat zich in 2013 heeft voorgedaan. Het verzoek van de moeder om getuigen te horen, passeert de rechtbank dus.

De bijzondere curator

De rechtbank is van oordeel dat met het nemen van de hierna te nemen beslissingen de taak van de bijzondere curator in deze rechterlijke procedure is volbracht. De rechtbank zal hem dan ook van zijn taak als bijzondere curator van de minderjarige ontslaan.

Gelet op het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

heft op de schorsing van de omgang zoals voor recht verklaard bij beschikking van deze rechtbank d.d. 22 november 2013;

stelt, met wijziging van de omgangsregeling zoals vastgesteld bij beschikking van het gerechtshof ’s‑Gravenhage van 6 juni 2012, een omgangsregeling vast inhoudend dat de minderjarige zelf bepaalt wanneer, en op welke wijze, hij contact, dan wel omgang met de moeder heeft;

ontslaat de bijzondere curator van zijn taak;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.D. Bellaart, C.G. Meeder en S.M. Westerhuis-Evers , tevens kinderrechters, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 december 2016.