Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16450

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-12-2016
Datum publicatie
05-01-2017
Zaaknummer
09/787029-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medepleger gewelddadige woningoverval – onvoorwaardelijke PIJ-maatregel en 10 maanden jdet.

Op 25 februari 2016 heeft aan de Hofwegenstraat te Zoetermeer een gewelddadige woningoverval plaatsgevonden. Daarbij is op voornoemd adres bij het slachtoffer aangebeld en werd zij, nadat zij de deur had geopend, overrompeld door drie verdachten, waardoor zij op de grond viel. Er werd naar haar geschreeuwd dat zij haar geld en sieraden moest afgeven. Vervolgens moesten het slachtoffer en haar 7-jarige dochter die ook in de woning aanwezig was naar boven gaan, waar zij in de slaapkamer met het hoofd naar beneden gericht moesten plaatsnemen. Terwijl het huis werd doorzocht en de buit werd ingepakt, is het slachtoffer meermalen tegen het hoofd geslagen en/of geduwd. Op een gegeven moment is het slachtoffer gescheiden van haar dochter, waarna beiden op een andere kamer zijn vastgebonden. Bij het slachtoffer werd een panty in haar mond gestopt, een trui over het hoofd getrokken en een riem om haar polsen en hals gebonden. Vervolgens kreeg zij meerdere schoppen en stompen tegen haar hoofd en romp en is (een lade van) het dressoir op haar gegooid/tegen haar aan geduwd. De slaapkamer waar het slachtoffer op dat moment buiten bewustzijn door de verdachten is achtergelaten, werd afgesloten met een sleutel.

Bij voornoemde overval zijn diverse goederen en geldbedragen in dollars en euro’s weggenomen.

Alles overziend komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachten, geobsedeerd door geld en bezit, doelbewust en goed voorbereid aangeefster hebben overvallen waarbij een duidelijke taakverdeling was afgesproken, geweld was voorgenomen, en er ook tijdens de overval en vrijheidsberoving van aangeefster geen moment waarneembaar is geweest waarbij de verdachten controle of overzicht hebben verloren, enige terughoudendheid hebben betracht of het besef hebben gekregen welk leed aangeefster en haar zevenjarige dochtertje werd aangedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0054
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/787029-16

Datum uitspraak: 29 december 2016

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum] ,

[adres] ,

thans preventief gedetineerd in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 14 december 2016. Het onderzoek ter terechtzitting is door de meervoudige kamer gesloten op 15 december 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie
mrs. R. Funke Küpper en C. Eijgenraam, en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. M.E. Pennings, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 februari 2016 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

- een geldbedrag van (ongeveer) 8.000 dollar en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) 7.500 euro en/of

- een (aantal) horloge(s) en/of

- een (aantal) (gouden) siera(a)d(en) en/of

- een (aantal) (een) tas(sen) en/of (een) portemonnee(s) (met inhoud) en/of (een) riem(en) en/of (andere) lederwa(a)r(en) en/of

- een of meer iPhone(s) en/of Mac Book(s) en/of toebehoren en/of (andere) digitale apparatuur en/of

- een of meerdere (auto)sleutels (merk BMW) en/of

- een fles whisky

zijnde geld en/of goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffers] [geboortedatum] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld

tegen voornoemde [slachtoffer] en/of voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of - een of meer van - zijn mededaders:

- met bedekt gezicht en/of capuchon op en/of handschoenen aan de woning is/zijn binnengedrongen en/of

- voornoemde [slachtoffer] (vervolgens) (meermalen) tegen haar lichaam heeft/hebben geduwd waardoor zij (meermalen) ten val kwam, en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt, en/of

- tegen die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] heeft/hebben geroepen/gevraagd om geld en/of sieraden af te geven, en/of dat die [slachtoffer] haar ringen af moest doen en/of

- tegen die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat zij naar boven moesten en/of dat zij alleen naar beneden/de grond mocht(en) kijken en/of

- die [slachtoffer] meermalen tegen/op haar (achter)hoofd heeft/hebben geslagen en/of geduwd, en/of

- die [slachtoffer] (meermalen) tegen haar romp heeft/hebben geschopt en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij/ zij terug zou(den) komen om haar dood te maken als de door haar opgegeven pincode niet zou blijken te kloppen;

- die [slachtoffer] naar haar eigen slaapkamer heeft/hebben gebracht en/of (aldaar) de handen van voornoemde [slachtoffer] met (een) lint(en)/koord(en) heeft/hebben vastgebonden, en/of

- bij voornoemde [slachtoffer] (met kracht) een panty in haar mond heeft/hebben gestopt en/of een trui (strak) om haar hoofd heeft/hebben gebonden en/of een riem over die trui en/of om het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben gesnoerd en/of

- de handen van die [slachtoffer] achter haar rug met (een) (plastic) snoer(en) en/of een riem heeft/hebben vastgebonden, en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] hard tegen haar hoofd heeft/hebben gestompt waardoor zij ten val kwam, en/of

- (vervolgens, terwijl zij op de grond lag) die [slachtoffer] (meermalen) met kracht tegen haar hoofd en/of haar (boven)lichaam heeft/hebben geschopt en/of

- die [slachtoffer] (meermalen) tegen haar hoofd en/of haar (boven)lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of

- (vervolgens) terwijl zij nog op de grond lag en/of terwijl het hoofd van die [slachtoffer] nog was afgebonden en/of terwijl haar polsen nog waren vastgebonden een dressoir en/of een lade op die [slachtoffer] heeft/hebben gegooid en/of geduwd;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 25 februari 2016 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] en/of [slachtoffer] [geboortedatum] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij,

verdachte, en/of - een of meer van - zijn mededader(s) nadat hij/zij de woning waar die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] wo(o)n(d)en was/waren binnengedrongen:

- tegen die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] gezegd dat zij naar boven moesten en/of dat zij naar de grond moesten blijven kijken en/of

- die [slachtoffer] gescheiden van haar moeder [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] naar haar kamer gebracht en/of de polsen en/of de handen van die [slachtoffer] (aldaar) vastgebonden met (een) lint(en)/koord(en), en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij in haar kamer moest blijven nadat hij/zij weg ging(en) omdat hij/zij anders later terug zou(den) komen en/of

- die [slachtoffer] een panty in haar mond gestopt en/of haar hoofd afgebonden met een trui en/of een riem en/of

- haar polsen en/of handen van die [slachtoffer] op haar rug vastgebonden en/of

- die [slachtoffer] (vervolgens) (meermalen) gestompt en/of geschopt tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam en/of

- die [slachtoffer] , terwijl zij vastgebonden en/of bewusteloos en/of met zichtbare letsel(s) aan haar hoofd en/of haar gezicht op de grond lag, achtergelaten in haar kamer en/of

- de kamer waarin die [slachtoffer] zich toen (in die toestand) bevond afgesloten door de deur op slot te draaien,

waarna verdachte en/of mededader(s) de woning heeft/hebben verlaten;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 21 november 2015 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen

- een notebook (merk Acer type Aspire) en/of

- een fotocamera (merk Nikon type Coolpix S7000) en/of

- een identiteitskaart en/of

- een tablet (merk Samsung type Galaxy) en/of

- een rekenmachine en/of

- een USB-stick en/of

- een (aantal) acculader(s),

in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [slachtoffer] en/of (een) andere bewoner(s) van die woning, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en/of voornoemde weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van valse sleutels;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 27 november 2015 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen een of meerdere mobiele telefoons en/of tablets en/of notebooks en/of elektrische apparaten en/of sieraden en/of 7600,00 euro, althans een geldbedrag,

in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of (een) andere bewoner(s) van die woning, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en/of voornoemde goederen en/of voornoemd geldbedrag onder zijn/hun bereik te hebben gebracht

door middel van valse sleutels;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 29 januari 2016 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning, gelegen aan de [adres] heeft weggenomen

- een of meer sieraden en/of elektrische apparaten en/of gegevensdragers en/of sleutels en/of portemonnees (met inhoud) en/of oordoppen en/of

- een OV-kaart met tegoed en/of

- een autosleutel en/of

- een tas en/of

- een rollerball,

in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of (een) andere bewoner(s) van die woning, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en/of

voornoemde goederen onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van valse sleutels;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3 Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft betoogd dat dagvaarding ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde partieel nietig moet worden verklaard voor wat betreft het stompen en slaan (zesde gedachtestreepje) van het slachtoffer, nu deze handelingen niet als vrijheidsbeneming zijn aan te merken.

De rechtbank verwerpt dit nietigheidsverweer, aangezien hetgeen de raadsman heeft aangevoerd niet kan leiden tot partiële nietigheid van de dagvaarding. Het is voor verdachte duidelijk waarvan hij onder feit 2 wordt verdacht.

3. Bewijsoverwegingen 1

Ten aanzien van feit 1

3.1

Inleiding

Op 25 februari 2016 heeft aan de [adres] een gewelddadige woningoverval plaatsgevonden. Daarbij is op voornoemd adres bij mevrouw [slachtoffer] (hierna ook: de aangeefster/het slachtoffer) aangebeld en werd zij, nadat zij de deur had geopend, overrompeld door drie verdachten, waardoor zij op de grond viel. Er werd naar haar geschreeuwd dat zij moest geld en sieraden af moest geven. Vervolgens moesten het slachtoffer en haar 7-jarige dochter ( [slachtoffer] ) die ook in de woning aanwezig was, naar boven gaan, waar zij in de slaapkamer met het hoofd naar beneden gericht moesten plaatsnemen. Terwijl het huis werd doorzocht en de buit werd ingepakt, is het slachtoffer meermalen tegen het hoofd geslagen en/of geduwd. Op een gegeven moment is het slachtoffer gescheiden van haar dochter, waarna beiden op een andere kamer zijn vastgebonden. Bij het slachtoffer werd een panty in haar mond gestopt, een trui over het hoofd getrokken en een riem om haar polsen en hals gebonden. Zij kreeg meerdere schoppen en stompen tegen haar hoofd en romp en er is (een lade van) het dressoir op haar gegooid/tegen haar aan geduwd. De slaapkamer waar het slachtoffer op dat moment buiten bewustzijn door de verdachten is achtergelaten, werd afgesloten met een sleutel.

Bij voornoemde overval zijn diverse goederen en geldbedragen in dollars en euro’s, zoals omschreven in de tenlastelegging, weggenomen.

De verdachte heeft betrokkenheid bij voornoemde woningoverval grotendeels bekend.2

3.1.1

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1 heeft begaan.

3.1.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het schoppen tegen het hoofd en/of de romp van het slachtoffer en het eveneens ten laste gelegde dat de verdachte en de medeverdachten hebben gedreigd het slachtoffer te zullen doden als de pincode niet zou blijken te kloppen.

3.1.3

De beoordeling van de tenlastelegging.

De verdachte heeft van het hem tenlastegelegde niet duidelijk en ondubbelzinnig bekend dat het slachtoffer is geschopt tegen het hoofd en/of de romp en dat er zou zijn gedreigd met de dood indien de pincode van het slachtoffer niet zou blijken te kloppen. De rechtbank acht op grond van na te noemen bewijsmiddelen ook dit gedeelte van het onder 1 tenlastegelegde evenwel wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt.

De aangeefster heeft meerdere malen een verklaring afgelegd, waaronder ook direct na de overval toen zij in het ziekenhuis werd onderzocht en behandeld. Uit de verklaring van de aangeefster op de avond van de overval blijkt dat zij, nadat er een lade van het dressoir boven op haar werd geduwd, meerdere schoppen en stompen kreeg.3 Vervolgens heeft de aangeefster op 28 februari 2016 verklaard dat zij voelde dat de jongen die naast haar stond in de slaapkamer haar af en toe een schop tegen haar romp gaf.4 Vervolgens, nadat zij een harde klap op haar hoofd kreeg en omviel op haar zij, werd zij meermalen opzettelijk en met kracht op haar hoofd en romp geschopt en geslagen. Zij heeft verklaard dat dit pas gebeurde nadat haar mond en handen waren afgebonden, want zij kon haar hoofd niet meer afschermen en zich niet meer verweren. Zij kan zich alleen de hevige pijn herinneren en niet meer vertellen hoeveel klappen en schoppen zij precies tegen haar hoofd en lichaam heeft gekregen. Er werd zo hard tegen haar hoofd geschopt, dat zij vreesde voor haar leven en bang was om doodgeschopt te worden.5

Blijkens het rapport van de forensisch arts het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) d.d. 8 juli 2016 en het aanvullend rapport van 15 juli 2016 is forensisch geneeskundig onderzoek verricht naar het letsel van de aangeefster. Bij de beantwoording van de vraagstelling is door de forensisch arts verklaard dat een ‘blow out fractuur’, zoals is gediagnosticeerd bij de aangeefster, in algemene zin wordt toegeschreven aan een plotseling verhoogde druk in de oogkas met naar achteren verplaatsen van de inhoud van de oogkas. Dit gebeurt wanneer een bol voorwerp, lichaamsdeel of uitsteeksel met een diameter iets kleiner dan de oogkasingang de gehele inhoud van de oogkas met aanzienlijke kracht en/of snelheid treft. Het aantreffen van een blow out fractuur is veel waarschijnlijker onder de hypothese dat deze is opgelopen door slaan en/of schoppen dan dat deze is opgelopen door de val van een trap of door het omgooien van een dressoir. Ook met betrekking tot de uitwendige letsels heeft de forensisch arts vastgesteld dat het aantreffen van deze letsels waarschijnlijker is onder de hypothese van herhaald slaan en/of schoppen dan onder een hypothese van vallen en/of een groot object dat op het slachtoffer is gevallen.6

De rechtbank is van oordeel dat de gedetailleerde verklaringen van de aangeefster, inhoudende dat zij geschopt is door de verdachte en/of de medeverdachten, voldoende worden ondersteund door de bevindingen van de forensisch arts, zoals omschreven in voornoemd NFI-rapport. De rechtbank ziet geen redenen te twijfelen aan de verklaringen van de aangeefster. De rechtbank is derhalve van oordeel dat dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank is voorts – in tegenstelling tot de raadsman van de verdachte – van oordeel dat wel kan worden vastgesteld dat de aangeefster door de verdachte en/of de medeverdachten met de dood is bedreigd indien de door haar gegeven pincode niet juist zou zijn. Blijkens de verklaring van aangeefster op 25 februari 2016 heeft zij onder dreiging van de overvallers de pincode van haar pinpas afgegeven. Zij hoorde dat de jongens dreigden terug te komen om haar dood te maken als zij niet de juiste pincode zou afgeven.7 Later op 28 februari 2016 heeft de aangeefster hierover verklaard dat zij zag dat de jongens een oude bankpas hadden en vroegen om de pincode. Ze zeiden dat ze terug zouden komen als de pincode niet zou werken.8

Daarbij stelt de rechtbank vast dat de verdachte degene is geweest die ook daadwerkelijk met de bij de aangeefster weggenomen pinpas na de overval heeft geprobeerd te pinnen, hetgeen de verdachte heeft bekend.9 Daarmee wordt de verklaring van aangeefster naar het oordeel van de rechtbank voldoende ondersteund.

Voor het overige volstaat de rechtbank ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte dit deel van het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsman van de verdachte voor dit gedeelte geen vrijspraak heeft bepleit.

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

  • -

    de processen-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 21 april 2016, blz. 520 tot en met 533, d.d. 29 april 2016, blz. 635 tot en met 643 en d.d. 1 juni 2016, blz. 1187 tot en met 1197, inhoudende een bekennende verklaring van de verdachte en de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 december 2016;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen, blz. 128 t/m 130;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 28 februari 2016, blz. 131 t/m 138;

  • -

    het proces-verbaal verhoor aangeefster d.d. 2 maart 2016, blz. 142 tot en met 156.

Ten aanzien van feit 2

3.2

Inleiding

Onder feit 2 is ten laste gelegd de wederrechtelijke vrijheidsberoving van het eerder genoemde slachtoffer ( [slachtoffer] ) en haar 7-jarige dochter [slachtoffer] ) op 25 februari 2016 te Zoetermeer, doordat zij door de verdachten van de woningoverval, zoals ten laste gelegd onder feit 1, ieder op een andere kamer zijn vastgebonden, waarna de kamer waarin het [slachtoffer] zich bevond door de verdachten op slot is gedaan.

De verdachte heeft dit feit bekend.10

3.2.1

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 2 heeft begaan.

3.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft gepleit voor partiële vrijspraak van de onder 2 ten laste gelegde onderdelen, te weten het stompen en schoppen van het slachtoffer (gedachtestreepje 6) en het met zichtbaar letsel achterlaten van het slachtoffer.

3.2.3

De beoordeling van de tenlastelegging.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat uit het dossier is gebleken dat, op het moment dat de verdachte en de medeverdachten de woning van de aangeefster – en in het bijzonder haar slaapkamer – verlieten, de aangeefster was gekneveld en dat haar hoofd en gezicht waren bedekt met een trui en ombonden met een riem. Uit het dossier blijkt niet dat de letsels aan het hoofd en gezicht van het slachtoffer op dat moment zichtbaar zijn geweest voor de verdachten. De rechtbank ziet derhalve aanleiding het woord ‘zichtbare’ uit de tenlastelegging weg te strepen.

De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de raadsman dat het stompen en schoppen van de aangeefster handelingen betreffen die niet als vrijheidsbeneming zijn aan te merken, omdat niet van iedere afzonderlijke feitelijke handeling die onder feit 2 ten laste is gelegd moet worden bezien of die als vrijheidsbeneming is aan te merken, maar juist van het geheel van de aldaar genoemde feitelijke handelingen. Ook dit onderdeel van het onder 2 tenlastegelegde is wettig en overtuigend bewezen.

Voor het overige volstaat de rechtbank ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde, met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte dit deel van het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsman van de verdachte voor dit gedeelte geen vrijspraak heeft bepleit.

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de processen-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 21 april 2016, blz. 520 tot en met 533, d.d. 29 april 2016, blz. 635 tot en met 643 en d.d. 1 juni 2016, blz. 1187 tot en met 1197, inhoudende een bekennende verklaring van de verdachte en de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 december 2016;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen, blz. 128 t/m 130;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 28 februari 2016, blz. 131 t/m 137;

  • -

    het proces-verbaal verhoor aangeefster d.d. 2 maart 2016, blz. 142 tot en met 150.

Ten aanzien van feit 3

3.3

Inleiding

Op 21 november 2015 werd de woning aan de [adres] betreden met een valse sleutel, waarbij diverse goederen werden weggenomen, (onder andere) toebehorende aan [slachtoffer] en/of [slachtoffer] .11

3.3.1

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 3 heeft begaan.

3.3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte voor dit feit dient te worden vrijgesproken, omdat onvoldoende is gebleken dat de verdachte daadwerkelijk op de plaats delict is geweest, dan wel bij de diefstal met valse sleutel betrokken is geweest.

3.3.3

De beoordeling van de tenlastelegging.

Dat op 21 november 2015 een inbraak aan de [adres] met een valse sleutel heeft plaatsgevonden is niet betwist. De verdachte heeft echter ontkend dat hij bij deze inbraak betrokken is geweest. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voornoemde inbraak.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van dit feit het volgende af.

De [medeverdachte] heeft bekend dat hij bij de woninginbraak betrokken is geweest en dat hij daartoe de sleutels van [slachtoffer] (de dochter van de aangeefster, tevens klasgenoot van [medeverdachte] ) heeft gestolen. [medeverdachte] heeft verklaard dat [verdachte] (naar de rechtbank begrijpt: de verdachte)had gevraagd of gezegd dat hij het moest doen.12

Blijkens het door de politie verrichte onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte] , hebben verschillende WhatsApp-gesprekken plaatsgevonden tussen de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] en de verdachte. De rechtbank neemt de volgende onderdelen daarvan mee in haar overweging:

  • -

    Op 12 november 2015 om 18:03 uur stuurt [medeverdachte] aan de verdachte een WhatsApp bericht dat [slachtoffer] een kluis in haar kledingkast heeft. [medeverdachte] geeft aan dat hij zelf met [medeverdachte] gaat kijken, waarop de verdachte aangeeft dat dat onmogelijk is zonder dat hij erbij is. Ook zegt de verdachte tegen [medeverdachte] dat hij niet die twee sleutels moet kwijtraken. De verdachte geeft aan dat hij hoopt dat ze (de rechtbank begrijpt: de bewoners van de [adres] ) met de kerstvakantie of oud en nieuw weggaan en dat ze anders het huis ’s nachts met oud en nieuw pakken.

  • -

    Op 21 november 2015 heeft [medeverdachte] contact met [slachtoffer] over waar zij die avond heen gaat en met wie, vervolgens hebben de verdachte en de medeverdachten contact:

o 15:24 uur stuurt [medeverdachte] aan de verdachte dat ze vanavond misschien het huis van [slachtoffer] gaan pakken. De ouders van [slachtoffer] gaan ergens heen en zij beiden (vermoedelijk [slachtoffer] en haar zus [naam ] ) zullen op een feest zijn. De verdachte zegt tegen [medeverdachte] dat hij aan [slachtoffer] moet vragen of ze echt naar een feest gaan. Na ongeveer 45 minuten vraagt de verdachte aan [medeverdachte] wat de planning is en geeft daarbij aan dat als het na 22:00 uur is, hij niet kan. [medeverdachte] geeft aan dat [slachtoffer] om 20:00 uur weg gaat.

o 17:47 uur stuurt [medeverdachte] aan [medeverdachte] en de verdachte dat ze voor het huis blijven chillen en naar binnen zullen gaan als ze weg zijn. Hierop stuurt [medeverdachte] ‘kom naar mij’. [medeverdachte] geeft aan dat iedereen een tas mee moet nemen en de verdachte geeft aan dat hij een klein breekijzer meeneemt. De verdachte geeft voorts aan dat hij om 8 uur bij [medeverdachte] is, [medeverdachte] zegt dat hij vast om half 8 komt.

o 18:35 uur stuurt [medeverdachte] : ‘Kom. Nar mij. Snel.’

  • -

    Vervolgens vinden op WhatsApp geen conversaties tussen de verdachte en de medeverdachten plaats op 21 november 2015 tussen 18:35 uur en 21:53 uur.

  • -

    Op 21 november 2015 om 21:53 uur stuurt [medeverdachte] : ‘Niks zeggen’, waarop de verdachte stuurt: ‘Denk je dat ik dom ben’. [medeverdachte] geeft aan dat hij de tas van de verdachte heeft, waarop de verdachte aangeeft dat [medeverdachte] deze bij zich moet houden.

  • -

    Op 22 november 2015 wordt tussen de verdachte en de medeverdachten gesproken over goederen die overeenkomen met de bij de inbraak weggenomen goederen. [medeverdachte] zegt ook: ‘niet eens 1 briefje. Saaf niet gevonden.’ ‘Saaf’ is straattaal voor geld. De verdachte geeft aan dat het tegen niemand van school vertelt moet worden, omdat je anders gepakt kan worden. [medeverdachte] stuurt: ‘Ze vind de inbrekers dom, omdat alleen een lappie en tablet is gepakt’, waarop de verdachte stuurt: ‘Jaa. We zagen niks verder. Die dingen moeten snel weg. Voordat word getraceerd. Breng agga ergens.’13

De rechtbank stelt – gelet op de inhoud van voornoemde conversaties op WhatsApp tussen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] – vast dat de verdachte en de medeverdachten met elkaar gesproken hebben over een voorgenomen inbraak met valse sleutel bij de woning van [slachtoffer] , een van de bewoonsters van de [adres] ; dat haar huissleutel is weggenomen door [medeverdachte] ; dat zij een plan hebben gemaakt toen duidelijk werd dat [slachtoffer] en haar medebewoners op de avond van 21 november 2015 niet thuis zouden zijn; dat gesproken is over voorbereidingshandelingen - zoals het meenemen van een tas en breekijzer -; dat de verdachte en de medeverdachten voor de inbraak hebben afgesproken bij de woning van [medeverdachte] ; dat op 21 november 2015 tussen 18:35 uur en 21:16 uur geen WhatsApp-contact heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en de medeverdachten terwijl binnen die periode de inbraak is gepleegd en dat na de inbraak is gesproken over (het verkopen van) goederen, welke overeenkomen met de bij de inbraak aan de [adres] weggenomen goederen. Ook merkt verdachte in reactie op de opmerking van [medeverdachte] dat [slachtoffer] de inbrekers dom vindt omdat er alleen een (naar de rechtbank begrijpt) laptop en tablet is gepakt, op : ‘jaa, we zagen niks verder (…)’, waaruit blijkt dat verdachte binnen in de woning is geweest.

Naar het oordeel van de rechtbank is – gelet op vorenstaande – voldoende komen vast te staan dat de verdachte bij de inbraak op 21 november 2015 aan de [adres] betrokken is geweest, zodat het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van feit 4

3.4

Inleiding

Op 27 november 2015 werd de woning aan de [adres] betreden met een valse sleutel, waarbij diverse goederen werden weggenomen, (onder andere) toebehorende aan [slachtoffer] .14

3.4.1

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 4 heeft begaan.

3.4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte voor dit feit dient te worden vrijgesproken, omdat onvoldoende is gebleken dat de verdachte daadwerkelijk op de plaats delict is geweest, dan wel bij de diefstal met valse sleutel betrokken is geweest.

3.4.3

De beoordeling van de tenlastelegging

Dat op 27 november 2015 een diefstal met valse sleutel aan de [adres] heeft plaatsgevonden is niet betwist. De verdachte heeft echter ontkend dat hij bij deze diefstal betrokken is geweest. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voornoemde diefstal.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van dit feit het volgende af.

De [medeverdachte] heeft bekend dat hij bij de diefstal met valse sleutel betrokken is geweest en dat hij de sleutels van [slachtoffer] (de dochter van de aangeefster, tevens klasgenoot van [medeverdachte] ) heeft gestolen. [medeverdachte] heeft verklaard dat Hossein (naar de rechtbank begrijpt: de verdachte) had gevraagd of gezegd dat hij het moest doen.15

Blijkens het door de politie verrichte onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte] , hebben verschillende WhatsApp-gesprekken plaatsgevonden tussen de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] en de verdachte. De rechtbank neemt de volgende onderdelen daarvan mee in haar overweging:

  • -

    Op 30 oktober 2015 om 11:07 uur stuurt [medeverdachte] een WhatsApp bericht aan de verdachte dat hij naast de zus van [naam ] zit en haar sleutels uit haar tas kan stelen. Vervolgens geeft hij aan dat zij sowieso met kerst met vakantie gaan en dat dan het hele huis leeg gaat.

  • -

    Op 30 oktober 2015 om 11:12 uur stuurt [medeverdachte] aan [medeverdachte] dat hij naast de zus van [naam ] zit en gewoon haar sleutel kan pakken en dat zij met kerst weg zijn dus dat het huis dan leeg gaat. Hierop stuurt [medeverdachte] meerdere ‘verliefde smileys’.

  • -

    Op 2 november 2015 om 13:19 uur stuurt [medeverdachte] aan de verdachte dat hij de sleutel van de zus van [naam ] heeft gepakt, waarop zij bespreken wanneer ze daar naar binnen gaan om een buit mee te nemen.

  • -

    Op 2 november 2015 om 14:20 uur stuurt [medeverdachte] aan [medeverdachte] dat hij de sleutel van het huis van [naam ] heeft gepakt en dat ze nu twee huizen hebben waardoor ze rijk worden, waarop [medeverdachte] zegt: ‘Kanker goedd.’

  • -

    Op 23 november 2015 om 10:34 uur stuurt [medeverdachte] aan [medeverdachte] en de verdachte: ‘Zaterdag pakken we G’.
    Om 22:03 uur vraagt de verdachte met hoeveel ze wonen, waarop [medeverdachte] aangeeft met vier. Vervolgens vraagt de verdachte waar ze wonen, waarop [medeverdachte] antwoord dat zij in de Leyens wonen.

  • -

    De [adres] is gelegen in de wijk de Leyens.

  • -

    Op 25 november 2015 hebben de verdachte en de medeverdachte meermalen contact met elkaar:

o 8:52 uur stuurt [medeverdachte] aan [medeverdachte] en de verdachte: ‘Vrijdag zijn G ook allemaal weg’. [medeverdachte] stuurt smileys. [medeverdachte] zegt dat hij veel geld wil. De verdachte geeft aan dat er misschien weer niks is en dat zij in dat geval de tv kapot zullen slaan.

o 15:03 uur stuurt [medeverdachte] aan de verdachte: ‘Vrijdag G’, waarop de verdachte vraagt hoe laat en of [medeverdachte] zeker weet dat heel het gezin van ‘G’ gaat.

  • -

    Op 26 november 2015 om 17:31 uur stuurt [medeverdachte] aan de verdachte en [medeverdachte] dat hij nog steeds geen adres heeft. De verdachte vraagt of [medeverdachte] dit wel kan regelen voor morgen. Om 20:57 uur stuurt [medeverdachte] dat ze sowieso iets voor hun gezicht moeten zetten, waarop [medeverdachte] vraagt: ‘Masker’, waarop [medeverdachte] stuurt: ’Nee, gwn sjaal. Maar niet zoals jij deed vorige keer. Gevaarlijk.’

  • -

    Op 27 november 2015 hebben de verdachte en de medeverdachte meermalen contact met elkaar:

o 11:04 uur stuurt [medeverdachte] : ‘ [adres] ’.

o 15:59 uur stuurt de verdachte: ‘7 uur oost’. Ook vraagt de verdachte wie een platte schroevendraaier meeneemt, omdat ze die misschien nodig hebben.

o 16:41 uur stuurt de verdachte dat zij over een uurtje met elkaar zijn en dat hij [medeverdachte] gelijk zal ophalen. [medeverdachte] stuurt: ‘We gaan gwn voor [medeverdachte] osso’.

o 17:20 uur stuurt de verdachte: ‘Neem grote tas mee. Neem masker mee. Die Rip opstaan.’

  • -

    Vervolgens vinden op WhatsApp geen conversaties tussen de verdachte en de medeverdachten plaats op 27 november 2015 tussen 17:31 uur en 21:29 uur.

  • -

    Op 27 november 2015 om 21:29 uur stuurt [medeverdachte] aan de verdachte en [medeverdachte] : ‘Ey. Ze weten al. Ze zijn oso.’ [medeverdachte] zegt dat hij de tanden van [naam ] gaat breken als hij gaat praten.

  • -

    Op 28 november 2015 om 8:00 uur stuurt de verdachte naar de medeverdachten: ‘We moeten snel doen. Anders t word miss getraceerd.’ Vervolgens wordt tussen de verdachte en de medeverdachten gesproken over goederen die overeen komen met de bij de inbraak weggenomen goederen.16

De rechtbank stelt – gelet op de inhoud van voornoemde conversaties op WhatsApp tussen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] – vast dat de verdachte en de medeverdachten met elkaar gesproken hebben over een voorgenomen inbraak met valse sleutel bij de woning van [slachtoffer] ; dat door [medeverdachte] een huissleutel is weggenomen bij een van de bewoners van de [adres] , [slachtoffer] ; dat zij een plan hebben gemaakt toen duidelijk werd dat [naam ] en haar medebewoners op de avond van 27 november 2015 niet thuis zouden zijn; dat [medeverdachte] het adres van de woning heeft achterhaald; dat gesproken is over voorbereidingshandelingen - zoals het meenemen van een platte schroevendraaier, maskers en een grote tas - dat de verdachte en de medeverdachten voor de inbraak hebben afgesproken bij de woning van [medeverdachte] (die ook wel [medeverdachte] genoemd werd); dat op 27 november 2015 tussen 17:31 uur en 21:29 uur geen WhatsApp-contact heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en de medeverdachten terwijl binnen die periode de inbraak is gepleegd en dat na de inbraak is gesproken over (het verkopen van) goederen, welke overeenkomen met de bij de inbraak aan de [adres] weggenomen goederen.

Naar het oordeel van de rechtbank is – gelet op vorenstaande – voldoende komen vast te staan dat de verdachte bij de inbraak op 27 november 2015 aan de [adres] betrokken is geweest, zodat het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van feit 5

3.5

Inleiding

Op 29 januari 2016 werd de woning aan de [adres] betreden met een valse sleutel, waarbij diverse goederen werden weggenomen, (onder andere) toebehorende aan [slachtoffer] .

De verdachte heeft dit feit bij de politie bekend.17

3.5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 5 heeft begaan.

3.5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.5.3

De beoordeling van de tenlastelegging.

Nu de verdachte het onder 5 ten laste gelegde feit heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van de verdachte geen vrijspraak heeft bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 1 juni 2016, blz. 1187 tot en met 1197, inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 29 januari 2016, blz. 985 tot en met 993

  • -

    het proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer] d.d. 5 juli 2016, blz. 1006 tot en met 1009;

  • -

    het proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 6 juli 2016, blz. 1028 en 1029.

3.6

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 25 februari 2016 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

- een geldbedrag van (ongeveer) 8.000 dollar en

- een geldbedrag van (ongeveer) 7.500 euro en

- een aantal horloges en

- een aantal (gouden) sieraden en

- een (aantal) tas(sen) en (een) portemonnee(s) met inhoud en (een) riem(en) en/of (andere) lederwa(a)r(en) en

- een of meer iPhones en Mac Books en toebehoren en andere digitale apparatuur en

- autosleutels (merk BMW) en

- een fles whisky

zijnde geld en goederen, toebehorende aan [slachtoffers] , welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] en voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of - een of meer van - zijn mededaders:

- met bedekt gezicht en/of capuchon op en/of handschoenen aan de woning zijn binnengedrongen en

- voornoemde [slachtoffer] vervolgens meermalen tegen haar lichaam hebben geduwd waardoor zij meermalen ten val kwam, en

- die [slachtoffer] hebben vastgepakt, en

- tegen die [slachtoffer] en die [slachtoffer] hebben geroepen/gevraagd om geld en sieraden af te geven, en dat die [slachtoffer] haar ringen af moest doen en

- tegen die [slachtoffer] en die [slachtoffer] hebben gezegd dat zij naar boven moesten en dat zij alleen naar beneden/de grond mochten kijken en

- die [slachtoffer] meermalen tegen/op haar (achter)hoofd hebben geslagen en geduwd, en

- die [slachtoffer] meermalen tegen haar romp hebben geschopt en

- tegen die [slachtoffer] hebben gezegd dat zij terug zouden komen om haar dood te maken als de door haar opgegeven pincode niet zou blijken te kloppen, en

- die [slachtoffer] naar haar eigen slaapkamer hebben gebracht en aldaar de handen van voornoemde [slachtoffer] met een lint/koord hebben vastgebonden, en

- bij voornoemde [slachtoffer] met kracht een panty in haar mond hebben gestopt en een trui strak om haar hoofd hebben gebonden en een riem over die trui en om het hoofd van voornoemde [slachtoffer] hebben gesnoerd en

- de handen van die [slachtoffer] achter haar rug met een snoer en een riem hebben vastgebonden, en

- vervolgens die [slachtoffer] hard tegen haar hoofd hebben gestompt, en

- vervolgens, terwijl zij op de grond lag die Hahn meermalen met kracht tegen haar hoofd en haar bovenlichaam hebben geschopt en

- die [slachtoffer] meermalen tegen haar hoofd en haar bovenlichaam hebben geslagen en gestompt en

- vervolgens terwijl zij nog op de grond lag en terwijl het hoofd van die [slachtoffer] nog was afgebonden en terwijl haar polsen nog waren vastgebonden een dressoir of een lade op die [slachtoffer] hebben gegooid en/of geduwd;

2.

hij op 25 februari 2016 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] en [slachtoffer] (geboren 5 december 2008) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader nadat zij de woning waar die [slachtoffer] en die [slachtoffer] woonden waren binnengedrongen:

- tegen die [slachtoffer] en die [slachtoffer] gezegd dat zij naar boven moesten en dat zij naar de grond moesten blijven kijken en

- die [slachtoffer] gescheiden van haar moeder [slachtoffer] en die [slachtoffer] naar haar kamer gebracht en de polsen en/of de handen van die [slachtoffer] aldaar vastgebonden met een lint/koord, en

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij in haar kamer moest blijven nadat zij weg gingen omdat zij anders later terug zouden komen en

- die [slachtoffer] een panty in haar mond gestopt en haar hoofd afgebonden met een trui en een riem en

- haar polsen en handen van die Hahn op haar rug vastgebonden en

- die [slachtoffer] vervolgens meermalen gestompt en geschopt tegen het hoofd en het (boven)lichaam en

- die [slachtoffer] , terwijl zij vastgebonden en bewusteloos en met letsels aan haar hoofd en haar gezicht op de grond lag, achtergelaten in haar kamer en

- de kamer waarin die [slachtoffer] zich toen (in die toestand) bevond afgesloten door de deur op slot te draaien,

waarna verdachte en mededader de woning hebben verlaten;

3.

hij op 21 november 2015 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen

- een notebook (merk Acer type Aspire) en

- een fotocamera (merk Nikon type Coolpix S7000) en

- een identiteitskaart en

- een tablet (merk Samsung type Galaxy) en

- een rekenmachine en

- een USB-stick en

- een aantal acculaders,

toebehorende aan [slachtoffers] en/of (een) andere bewoner(s) van die woning, zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en voornoemde weg te nemen goederen onder hun bereik te hebben gebracht door middel van valse sleutels;

4.

hij op 27 november 2015 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen een of meerdere mobiele telefoons en tablets en notebooks en elektrische apparaten en sieraden, toebehorende aan [slachtoffer] en/of (een) andere bewoner(s) van die woning, zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en voornoemde goederen onder hun bereik te hebben gebracht door middel van valse sleutels;

5.

hij op 29 januari 2016 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen

- sieraden en elektrische apparaten en gegevensdragers en sleutels en portemonnees met inhoud en oordoppen en

- een OV-kaart met tegoed en

- een autosleutel en

- een tas en

- een rollerball,

toebehorende aan [slachtoffer] en/of (een) andere bewoner(s) van die woning, zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en voornoemde goederen onder hun bereik te hebben gebracht door middel van valse sleutels.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld en dat aan hem wordt opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel). Voorts hebben de officieren van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan één van de voorwaarden voor oplegging van een PIJ-maatregel, te weten de voorwaarde dat de PIJ-maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte, niet is voldaan. Evenmin kan de toets aan art. 77s lid 4 van het Wetboek van Strafrecht leiden tot oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De Raad heeft in haar rapport duidelijk twijfels geuit over het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel aan de verdachte. De alternatieven zijn onvoldoende onderzocht. Nu het advies van de deskundigen in het psychiatrisch en psychologisch onderzoek onvoldoende is onderbouwd, heeft de raadsman verzocht de geadviseerde en gevorderde onvoorwaardelijke PIJ-maatregel niet op te leggen.

De raadsman heeft primair verzocht om, naast een onvoorwaardelijke jeugddetentie, een fors voorwaardelijke jeugddetentie of voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, met bijzondere voorwaarden in het kader van nader onderzoek en passende behandeling. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de zaak aan te houden, ten einde nader onderzoek te kunnen laten verrichten door de deskundigen naar de mogelijke alternatieven.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in acht genomen.

Na te melden straf en/of maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij is in het bijzonder het volgende in acht genomen.

De verdachte en zijn twee mededaders hebben zich in een tijdbestek van een aantal maanden, van 21 november 2015 tot 26 februari 2016, schuldig gemaakt aan een reeks in ernst oplopende misdrijven. De overval in de woning te Zoetermeer, die ook ten laste is gelegd als een wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangeefster en haar dochter, leidde uiteindelijk tot de aanhouding van de verdachte en in totaal acht medeverdachten.

De verdachte en de twee andere hoofdverdachten, respectievelijk 17, 16 en 18 jaar oud ten tijde van de woningoverval en allen (nagenoeg) first offender, hebben zich in deze periode allereerst schuldig gemaakt aan een drietal woninginbraken, die grote gelijkenis vertonen qua voorbereiding, aanpak, uitvoering en oogmerk. De buit was steeds aanzienlijk, maar kennelijk niet genoeg, gelet op de overweldigende aanhoudende zucht naar geld van de verdachten.

Het vooruitzicht bij de verdachten dat men als alles volgens plan zou gaan niet een, niet twee maar drie woninginbraken zou kunnen plegen bij schoolgenoten van een van hen, heeft bij de verdachte -zo blijkt in de groepsapp- groot enthousiasme opgewekt over de verwachte buit. De verdachten hebben geappt nu “rijk” te worden. Duidelijk is dat de verdachten voornemens waren een klapper te maken en dat het vooruitzicht van berooide, bestolen klasgenoten van de medeverdachte die een leeg huis zouden aantreffen zonder enig mededogen voor de verdachten een mooi vooruitzicht was waar de verdachten zich bij voorbaat over verkneukelden. Door de verdachten is in de groepsapp uitvoerig besproken hoe diverse medescholieren van de medeverdachte zouden vertellen dat hun huis was leeggeroofd; van enige compassie met de gedupeerden, of aarzeling bij de uitvoering van de inbraken bij schoolgenoten, is de rechtbank niets gebleken.

Deze nietsontziende, berekenende en meedogenloze houding van jonge verdachten acht de rechtbank schokkend en ontluisterend.

Op 16 december 2015 is in de groepsapp-gesprekken waaraan de verdachten deelnamen voor het eerst geschreven over het stelen uit een woning in aanwezigheid van een bewoner. Zo wordt geappt: “Met iemand thuis. Binden ze vast en vragen waar is de kluis. (…) Dit gebeurt elke dag. Hiermee pakken we geld.“ Ook hebben de verdachten overwogen dat zo een eventueel alarm kon worden omzeild.

Dit scenario is uiteindelijk op 25 februari 2016 door de verdachten, goed voorbereid en weloverwogen, uitgevoerd. In de aanloop tot deze woningoverval –- begin februari - heeft de medeverdachte eerst een medeleerlinge benaderd teneinde haar uit te horen over de locatie van het huis, de veronderstelde rijkdom van de familie en de mogelijkheid een huissleutel te bemachtigen. Uiteindelijk heeft de medeverdachte deze medeleerlinge medegedeeld dat een sleutel niet meer nodig was. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat op dit moment het plan om een overval te plegen op het moment dat de bewoners dus thuis zouden zijn, al vaste vorm heeft gekregen.

In de aanloop tot deze woningoverval hebben de verdachten voorbereidingen getroffen. Uit Snapchat berichten was de medeverdachte te weten gekomen dat de vader van het gezin die avond met de schoolgenote van de medeverdachte, de oudste dochter, afwezig zou zijn. Men rekende dus alleen op de moeder van het gezin, en zij werd ook waargenomen tijdens een voorobservatie door de medeverdachte. Er is een touw meegenomen, en de twee medeverdachten hebben zich, met sjaals en capuchon vermomd, verdekt opgesteld achter de verdachte, toen deze bij de woning aanbelde. De verdachten zagen na het aanbellen de jongste dochter, destijds zeven jaar oud, in de gang van het huis staan. Haar aanwezigheid heeft de verdachten niet weerhouden van het voorgenomen plan. Dat was immers, zo hebben de verdachten verklaard, zonde van alle voorbereiding, en de verdachte heeft daarover expliciet verklaard dat hij wilde dóórgaan, anders was hij daar voor niets.

Nadat de aangeefster de voordeur had geopend is het geweld dat op haar wordt uitgeoefend ogenblikkelijk en overweldigend. Zij is ten val gekomen omdat de verdachten direct bovenop haar sprongen en haar duwden, de verdachten hebben direct om geld en sieraden gevraagd, haar iPhone werd meteen uit handen van het dochtertje gepakt en zij moest haar ringen afdoen. Aansluitend werd zij door de verdachten naar de slaapkamer gedirigeerd waar zij herhaaldelijk is geslagen en geschopt. De rechtbank gaat er gelet op de inhoud van het dossier van uit, dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer heeft geslagen en geschopt terwijl zij vastgebonden was op de slaapkamer. De verdachte heeft gezegd dat samen met [medeverdachte] dat geweld tegen het slachtoffer heeft gepleegd, maar dat [medeverdachte] geweld tegen aangeefster heeft gepleegd is de rechtbank niet gebleken. De hele woning is aansluitend onderzocht waarbij een grote ravage is aangericht. Het door de verdachte uitgeoefende geweld richting de aangeefster is verergerd naarmate de overval voortduurde; uiteindelijk is bij de aangeefster -haar handen waren al vastgebonden- met kracht een panty in haar mond gepropt, is haar gezicht omwikkeld met een trui en daaroverheen een riem, en is zij in deze toestand -vastgebonden en weerloos- opnieuw met kracht meermalen geslagen en geschopt. Ook is er een kast op haar gegooid.

Uit de aangifte, de medische informatie in het dossier en uit hetgeen de aangeefster ter terechtzitting in haar slachtofferverklaring heeft voorgelezen, blijkt zonder enige twijfel dat zij doodsangsten heeft uitgestaan, voor haar dochter en voor zichzelf. Zij is het slachtoffer geworden van een nachtmerrie die ruim een uur heeft geduurd. De aangeefster heeft opgemerkt, en de rechtbank volgt dat standpunt ook, dat het zwaarste letsel haar is aangedaan terwijl de verdachten hun rugtas al ruimschoots hadden volgestopt met een enorm geldbedrag, veel kostbare goederen, horloges en ringen, laptops, 4 IPhones etc. Dat rekent de rechtbank in het bijzonder deze verdachte zwaar aan. Daarna hebben de verdachten de aangeefster opgesloten in haar slaapkamer en haar zo gewond, hulpeloos, geblinddoekt, gekneveld en bewusteloos achtergelaten. De (mede)verdachten hebben ook nog verklaard dat zij de aangeefster bewusteloos hebben geslagen zodat zij de politie niet kon alarmeren, en niet alles meer zou weten. Eenmaal buiten hebben de verdachten de buit direct bekeken en diverse kostbaarheden meteen in het water gegooid omdat, naar de rechtbank begrijpt, cash geld als buit makkelijker is dan apparaten of kostbaarheden.

Alles overziend komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachten, geobsedeerd door geld en bezit, doelbewust en goed voorbereid de aangeefster hebben overvallen waarbij een duidelijke taakverdeling was afgesproken, geweld was voorgenomen, en er ook tijdens de overval en vrijheidsberoving van de aangeefster geen moment waarneembaar is geweest waarbij de verdachten controle of overzicht hebben verloren, enige terughoudendheid hebben betracht of het besef hebben gekregen welk leed de aangeefster en haar dochter werd aangedaan.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens zijn strafblad gedateerd 21 april 2016, in het verleden reeds eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen voor een vermogensdelict.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van [deskundige] d.d. 4 september 2016, van het psychiatrisch onderzoek en op het rapport van [deskundige] d.d. 6 september 2016, van het psychologisch-pedagogisch onderzoek.

Bevindingen psychiater

De psychiater heeft geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een gedragsstoornis en dat tijdens het onderzoek bij de verdachte antisociale en narcistische trekken naar voren zijn gekomen. Voorts is met behulp van een intelligentieonderzoek de diagnose zwakbegaafdheid vastgesteld. In zijn gedragingen is de verdachte egocentrisch, waarbij hij zijn behoeftebevrediging voorop stelt. Hij toont weinig empathie en berouw. Gebleken is dat zijn agressie- en impulsregulatie sterk onder druk kan komen te staan. Voornoemde stoornissen waren ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. En zijn beoordelingsvermogen negatief beïnvloed op grond waarvan de psychiater heeft geadviseerd de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De psychiater heeft het recidiverisico voor delictgedrag van de verdachte hoog ingeschat. Het is van belang dat de verdachte binnen een duidelijk en strikt kader een overzichtelijke structuur met duidelijke grenzen geboden krijgt. Uit onderzoek door de psychiater aan de hand van de Wegingslijst PIJ-indicatie is gebleken dat er meer argumenten zijn te noemen en domeinen zijn te betrekken om de behandeling van de verdachte binnen een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel vorm te geven, dan binnen het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Het pedagogisch klimaat waarbinnen een voorwaardelijke PIJ-maatregel zou moeten worden vormgegeven schiet tekort. Hierbij is gekeken naar de recidivekans, ondersteuning van het thuisfront, de lacunaire gewetensfunctie van de verdachte en de vrees voor een nieuw ernstig (gewelds)delict. De voorwaardelijke PIJ-maatregel, een gedragsbeïnvloedende maatregel of bijzondere voorwaarden binnen een voorwaardelijk strafdeel zijn onvoldoende en ontoereikend, omdat de verdachte onvoldoende druk zal voelen om mee te werken aan behandeling en zijn motivatie gaandeweg zal verliezen. Uiteindelijk zal dit leiden tot een grotere kans dat de verdachte verder zal verharden. Bovendien zal de noodzakelijke behandelduur – ook in het meest gunstige geval – nog steeds de duur van een gedragsbeïnvloedende maatregel of bijzondere voorwaarden overstijgen.

Ter terechtzitting heeft de psychiater aanvullend verklaard dat tijdens het onderzoek de thuissituatie van de verdachte inzichtelijk is geworden en dat daaruit is gebleken dat dit voor de verdachte geen geschikte omgeving is om de noodzakelijke behandeling te ondergaan. Een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is passend. MTFC en MST zijn niet toereikend, onder andere omdat de behandeling in het kader van MST tussen de drie en vijf maanden duurt en wordt uitgevoerd vanuit de thuissituatie.

Bevindingen psycholoog

De psycholoog heeft in het rapport beschreven dat zij uit het onderzoek, de testen, de gesprekken en de indruk die zij van verdachte heeft verkregen, opmaakt dat de verdachte functioneert op zwakbegaafd intelligentieniveau. Hij externaliseert zijn gedrag en ontwijkt verantwoordelijkheid door de schuld buiten zichzelf te leggen en zijn gedrag te bagatelliseren. Zijn behoeftebevrediging staat voorop, het geweten is lacunair ontwikkeld, het empathisch vermogen is beperkt en de emotie- en agressieregulatie verloopt verstoord. Er is sprake van een gedragsstoornis en bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken. De psycholoog heeft geconcludeerd dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en acht de verdachte derhalve verminderd toerekeningsvatbaar.

De psycholoog heeft het risico op toekomstig gewelddadig en ander crimineel gedrag, gelet op het vorenstaande, hoog ingeschat. Daarbij is ook meegewogen dat de verdachte zich moeilijk kan verplaatsen in anderen en de gevolgen van zijn handelen voor anderen.

De psycholoog heeft geadviseerd aan de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Het is van belang dat een intensieve en langdurige behandeling en begeleiding wordt aangeboden, gelet op de grote zorgen over de persoonlijkheidsontwikkeling en de ernst van de ten laste gelegde feiten. In haar onderzoek heeft de psycholoog de mogelijkheden voor en de noodzaak van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel en mogelijke alternatieven afgewogen middels de Wegingslijst. Gebleken is dat de verdachte disfunctioneert door zijn psychopathologie, de ernst van de strafbare feiten aanzienlijk is, de ontwikkelingsmogelijkheden van de verdachte beperkt zijn, het sociaal netwerk van de verdachte onvoldoende zicht op hem heeft gehad en het pedagogisch klimaat tekort schiet. De noodzaak van een gedwongen kader is dan ook voldoende aanwezig. De behandelmogelijkheden van de problematiek moeten daarom worden gezocht in een intensief klinisch kader met een duidelijk strafrechtelijk kader. Een gedragsbeïnvloedende maatregel is niet passend. De oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is aangewezen.

Ter terechtzitting heeft de psycholoog aanvullend verklaard dat geen autisme spectrumstoornis kon worden vastgesteld op basis van de in het onderzoek naar voren gekomen kenmerken. Deze kenmerken passen namelijk ook bij de bij verdachte geconstateerde zwakbegaafdheid en gedragsstoornis. Indien wel een autisme spectrumstoornis zou zijn vastgesteld, zou dat het advies van de psycholoog tot het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel niet veranderen. Ook de Raad voor de Kinderbescherming is uiteindelijk tot dit advies gekomen.

Advies van de Raad voor de Kinderbescherming

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 18 november 2016.

De berekenende en gewetenloze manier van handelen door de verdachte baart de Raad ernstige zorgen. Zorgelijk is voorts dat de verdachte weinig inzicht heeft in de gevolgen van zijn handelen. De reactie van verdachte op het ten laste gelegde komt weinig empathisch en doorleefd over. Hij kent een verleden van gedragsproblemen. Binnen Teylingereind wordt een jongen gezien die gebaat is bij de structuur, zich goed aanpast aan de regels, positief (weliswaar oppervlakkig) contact onderhoudt met de groepsleiding en groepsgenoten en zich actief inzet voor de interventies. Hij laat hiermee bereidheid tot behandeling en verandering en enige mate van leerbaarheid zien.

De Raad is – met de deskundigen – van mening dat het van noodzakelijk belang is dat er een strak en duidelijk kader wordt opgesteld waarbij strikte afspraken, sturing, controle en structuur gelden voor de verdachte. Tevens dient er een intensieve, relatief langdurige en niet vrijblijvende aanpak met een stevige stok achter de deur uitgezet te worden om de verdachte meer inzicht te geven in zijn (strafbaar) handelen, zijn achterliggende gedachten en emoties hierbij, het maken van morele keuzes, het aanleren van gedragsalternatieven, en het vergroten van zijn (oplossingsgerichte) vaardigheden. Binnen het behandeltraject dient rekening gehouden te worden met zijn beperkte intelligentievermogen en het risico op overvraging. Verder dient nadere diagnostiek plaats te vinden naar de vraag of het gedrag en de handelingen van de verdachte bezien moeten worden in het licht van de gestelde gedragsstoornis of andere (mogelijke autismespectrum)problematiek.

De Raad acht een enkel ambulante behandeling niet toereikend. De achterstand in de persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte vraagt niet alleen om gedragsinterventies, maar om een langdurige behandeling met een zeer duidelijke pedagogische structuur, waarvan niet duidelijk in te schatten is in hoeverre en op welke manier het systeem in staat is om de verdachte blijvend te ondersteunen en te sturen in een blijvende positieve gedragsverandering. Een gedragsbeïnvloedende maatregel of een voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt om die reden niet haalbaar geacht.

Bij de weging van een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is daarnaast voor de Raad bepalend geweest dat er weinig tot geen inzicht verkregen kan worden in de grondslag van de twee gezichten die de verdachte heeft laten zien, alsmede het beperkte empathisch vermogen. Dit maakt hem ongrijpbaar.

De Raad heeft geconcludeerd dat de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte, alsmede van de algemene veiligheid van personen.

De conclusie van de rechtbank

De rechtbank onderschrijft de conclusies uit voornoemde rapportages, acht deze deugdelijk onderbouwd en zal de gegeven adviezen opvolgen.

Onvoorwaardelijke PIJ-maatregel

De rechtbank stelt vast dat de onder 1 en 2 gepleegde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van hetgeen de psycholoog, de psychiater en de Raad voor de Kinderbescherming in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van voornoemde misdrijven een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna te noemen: PIJ-maatregel) eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank komt in navolging van de deskundigen en de officieren van justitie tot het oordeel dat verdachte ten aanzien van het onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Uit alle hiervoor genoemde rapportages en uit de toelichting van de deskundigen ter terechtzitting blijkt het unanieme advies om aan verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Een ambulante behandeling of behandeling in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel is naar het oordeel van de rechtbank ontoereikend, gelet op de ernst van de problematiek, de zwakbegaafdheid van verdachte, zijn gewelddadige gedrag tijdens de woningoverval, zijn externaliserende en bagatelliserende houding en het hoge recidiverisico. De rechtbank is – gelet op het vorenstaande – met de deskundigen en de Raad van oordeel dat het noodzakelijk is een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel aan de verdachte op te leggen.

De rechtbank overweegt dat de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

Voorts is de rechtbank met de officieren van justitie van oordeel dat – gelet op de ernst van de feiten – naast de oplegging van voornoemde onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, de oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden is. De tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal op deze onvoorwaardelijke jeugddetentie in mindering worden gebracht.

7 De vordering van de benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Mevrouw [slachtoffer] , bijgestaan door haar advocaat mr. E.W. Bosch, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot

€ 43.548,85. De vordering tot schadevergoeding bestaat uit:

  1. materiële schade voor een bedrag groot € 15.301,60, bestaande uit de posten eigen risico (€ 385,-), kosten medicatie (€ 52,64), kosten fysiotherapie (€ 170,-), rijbewijs (€ 38,-), extra gereden kilometers (€ 631,16) en geld (€ 14.024,-);

  2. kosten voor huishoudelijke hulp voor een bedrag groot € 4.883,-;

  3. immateriële schade voor een bedrag groot € 23.250,-;

  4. kosten medische informatie voor een bedrag groot € 114,25.

7.1

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot gedeeltelijke hoofdelijke toewijzing van de vordering. Zij hebben betoogd dat de schadeposten eigen risico zorgverzekering, kosten medicatie, kosten fysiotherapie, kosten nieuw rijbewijs en reiskosten geheel kunnen worden toegewezen. Voor wat betreft het gestolen geld hebben de officieren van justitie zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag dient te worden verminderd met de onder de verdachten in beslag genomen geldbedragen die aan de benadeelde partij zullen worden geretourneerd, waardoor een bedrag van € 10.964,-- kan worden toegewezen. Ten aanzien van het gevorderde bedrag voor kosten huishoudelijk hulp hebben de officieren van justitie gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat behandeling van de vordering op dit punt een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Zij hebben voorts gevorderd dat de immateriële schade tot een bedrag van
€ 12.500,- kan worden toegewezen en dat de vordering op dit punt voor het meerdere niet-ontvankelijk wordt verklaard zodat de benadeelde partij dat deel van de vordering bij de civiele rechter kan aanbrengen.

Voorts hebben de officieren van justitie gevorderd dat de wettelijke rente met ingang vanaf de datum van het ontstaan van de schade zal worden toegewezen, dat de verdachte hoofdelijk zal worden veroordeeld tot vergoeding van de schade en dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 24.741,60 subsidiair 30 dagen jeugddetentie ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] .

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat die een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. Subsidiair dient de vordering ongegrond te worden verklaard omdat die onvoldoende is onderbouwd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de schadeposten eigen risico zorgverzekering, kosten medicatie, kosten fysiotherapie, kosten nieuw rijbewijs en reiskosten, is voldoende onderbouwd en niet of onvoldoende gemotiveerd betwist. De schadepost gestolen geld zal worden toegewezen tot een bedrag van € 10.964,--, nu de officieren van justitie hebben toegezegd dat de onder de verdachten in beslag genomen geldbedragen aan de benadeelde partij zullen worden teruggegeven.

De rechtbank zal de gevorderde kosten voor huishoudelijk hulp tot een bedrag van
€ 3.640,-- toewijzen. De benadeelde partij heeft voldoende onderbouwd dat zij in de eerste dertien weken na de bewezen verklaarde feiten voor wat betreft het uitvoeren van huishoudelijk werk zwaar beperkt was, zoals bedoeld in de “Richtlijn Huishoudelijke hulp” van de Letselschade Raad. Daarom kan voor die periode een bedrag van € 280,-- per week worden toegewezen voor kosten voor huishoudelijk hulp. Dit komt neer op een bedrag van (13 x € 280,--) € 3.640,--. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde vergoeding voor huishoudelijk hulp na de dertiende week, mede in het licht van de betwisting door de verdediging, door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij zal op dit punt voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij kan dit deel van de vordering bij de civiele rechter aanbrengen.

Het voorgaande betekent dat de volgende bedragen aan materiële schade zullen worden toegewezen:

• eigen risico zorgverzekering € 385,-

• kosten medicatie € 52,64

• kosten fysiotherapie € 170,-

• kosten rijbewijs € 38,80

• reiskosten € 631,16

• gestolen geld € 10.964,-

• kosten huishoudelijk hulp € 3.640,-

totaal € 15.881,60

De vordering zal voor zover die betrekking heeft op materiële schade tot een bedrag van

€ 15.881,60 hoofdelijk worden toegewezen. De rechtbank zal over dit bedrag de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf 15 december 2016 (de datum waarop het onderzoek ter terechtzitting is gesloten).

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat zij immateriële schade heeft geleden die een rechtstreeks gevolg is van de onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. De rechtbank acht de vordering tot een bedrag van € 15.000,-- aan smartengeld naar billijkheid toewijsbaar. Zij heeft daarbij acht geslagen op het op de benadeelde partij uitgeoefende geweld, de aard en ernst van het opgelopen letsel, de medische behandeling, het feit dat ook haar zevenjarige dochtertje slachtoffer was van de gewelddadige woningoverval, de psychische gevolgen die de benadeelde partij daar tot op heden van ondervindt, alsmede op de bedragen die in min of meer vergelijkbare zaken doorgaans worden toegewezen.

Aangezien de benadeelde partij heeft gevorderd dat verdachte en zijn mededaders hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding en voor feit 1 en feit 2 verschillende verdachten zijn veroordeeld, zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding voor 2/3 deel toewijzen aan feit 1 (de diefstal met geweld) en voor 1/3 deel aan feit 2 (de wederrechtelijke vrijheidsberoving). Dat betekent dat de rechtbank de verdachte en zijn mededaders van feit 1 hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.000,-- aan immateriële schade die is ontstaan door het onder feit 1 ten laste gelegde. De verdachte en zijn mededader van feit 2 zullen voorts hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.000,-- aan immateriële schade die is ontstaan door het onder feit 2 ten laste gelegde.

De rechtbank zal de wettelijke rente over de immateriële schade vanaf 25 februari 2016 toewijzen, aangezien vast staat dat de schade op die dag is ontstaan.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op € 114,25 (kosten opvragen medische informatie), en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte:

  • -

    voor wat betreft feit 1: de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 25.881,60 ten behoeve van [slachtoffer] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2016 over het deel materiële schade groot € 15.881,60 en de wettelijke rente vanaf 25 februari 2016 over het deel immateriële schade groot € 10.000,--;

  • -

    voor wat betreft feit 2: de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 5.000,-- aan immateriële schade ten behoeve van [slachtoffer] , vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 februari 2016.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 47, 57, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77gg, 282, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

t.a.v. feit 1:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

t.a.v. feit 2:

medeplegen van het opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd;

t.a.v. feiten 3, 4 en 5 telkens:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, terwijl de feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

legt de verdachte op de maatregel van:

plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

jeugddetentie voor de duur van 10 (TIEN) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij:

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , hoofdelijk en gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen:

  • -

    ten aanzien van feit 1: een bedrag van € 15.881,60 aan materiële schade en een bedrag van € 10.000,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 december 2016 voor wat betreft de materiële schade, respectievelijk 25 februari 2016 voor wat betreft de immateriële schade, telkens tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

  • -

    ten aanzien van feit 2: een bedrag van € 5.000,-- immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 25 februari 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

met hoofdelijke veroordeling van de verdachte in de kosten van de benadeelde partij gemaakt - tot op heden begroot op € 114,25 - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

schadevergoedingsmaatregel

ten aanzien van feit 1:

legt aan verdachte op de hoofdelijke verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot
€ 25.881,60, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 25 februari 2016 over het deel immateriële schade groot € 10.000,-- en de wettelijke rente vanaf 15 december 2016 over het deel materiële schade groot € 15.881,60, tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] ;

ten aanzien van feit 2:

legt aan verdachte op de hoofdelijke verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot
€ 5.000,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 december 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen.

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen door de verdachte en/of zijn mededader(s) aan de benadeelde partij de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen door de verdachte en/of zijn mededader(s) aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Koekman, kinderrechter, voorzitter,

mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter,

en mr. A.M. Boogers, rechter,

in tegenwoordigheid van L.A. Neuman-Steenaart, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 december 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier onderzoek DRD16018, met onderzoeksnummer DH4R016018, genummerd van blz. 1 tot en met 2633 en het bijbehorende methodiekendossier, genummerd van blz. 1 tot en met 850.

2 Proces-verbaal verhoor van de verdachte d.d. 21 april 2016, blz. 520 tot en met 533, proces-verbaal verhoor van de verdachte d.d. 29 april 2016, blz. 635 tot en met 643, proces-verbaal verhoor van de verdachte d.d. 1 juni 2016, blz. 1187 tot en met 1197 en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 14 december 2016.

3 Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een verklaring van aangeefster [slachtoffer] d.d. 25 februari 2016, blz. 128, laatste zin

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] op 28 februari 2016, blz. 132, vierde alinea, laatste zin

5 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] op 28 februari 2016, blz. 134, zesde alinea

6 Rapport van forensisch geneeskundig onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 8 juli 2016, blz. 9 van 11, laatste alinea en blz. 10 van 11, eerste alinea.

7 Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een verklaring van aangeefster [slachtoffer] d.d. 25 februari 2016, blz. 128, laatste alinea

8 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] op 28 februari 2016, blz. 133, laatste zin en blz. 134, eerste alinea

9 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 14 december 2016.

10 Proces-verbaal verhoor van de verdachte d.d. 21 april 2016, blz. 520 tot en met 533, proces-verbaal verhoor van de verdachte d.d. 29 april 2016, blz. 635 tot en met 643, proces-verbaal verhoor van de verdachte d.d. 1 juni 2016, blz. 1187 tot en met 1197 en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 14 december 2016.

11 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 22 november 2015, blz. 1050 tot en met 1053 en proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] d.d. 2 juli 2016, blz. 1528 tot en met 1540.

12 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] d.d. 17 augustus 2016, blz. 2138.

13 Proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van onderzoek naar de gegevens op de mobiele telefoon van [medeverdachte] , blz. 1554, tweede alinea en laatste alinea, blz. 1555, derde alinea, blz. 1557, eerste alinea (onder de afbeelding).

14 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 27 november 2015, blz. 1061 tot en met 1066 en proces-verbaal verhoor aangeefster [slachtoffer] d.d. 26 juni 2016, blz. 1093 tot en met 1099.

15 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] d.d. 17 augustus 2016, blz. 2138.

16 Proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van onderzoek naar de gegevens op de mobiele telefoon van [medeverdachte] , blz. 1559, derde, vierde, zevende en achtste alinea, blz. 1560, alinea 2 t/m 5, blz. 1561, tweede en derde alinea, blz. 1563, eerste en tweede alinea.

17 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 1 juni 2016, blz. 1187 tot en met 1197.