Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16387

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-10-2016
Datum publicatie
30-12-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5975
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De vraag is aan de orde of verweerder de asielaanvraag van de vreemdeling terecht niet in behandeling heeft genomen op de grond dat Bulgarije op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van asielaanvraag.

De rechtbank oordeelt dat dit het geval is. Zij acht aannemelijk dat de asielaanvraag inhoudelijk in Bulgarije wordt behandeld als na een verzoek om terugname van eiser vaststaat dat Bulgarije de verantwoordelijke lidstaat is om de asielaanvraag te onderzoeken. Zij betrekt hierbij onder meer de acceptatie door Bulgarije van de claim op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening, de Bulgaarse asielwetgeving (LAR) en een reactie van de Bulgaarse immigratiedienst (SAR) op de aanbeveling van het Bulgaarse Helsinki Comité van januari – april 2016 dat Dublinterugkeerders waarvan de procedure tot statusdeterminatie is beëindigd, worden teruggenomen en dat hun eerdere verzoek om internationale bescherming wordt hervat en dat zij niet worden verplicht tot het indienen van een opvolgende aanvraag. De rechtbank acht evenmin sprake van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Bulgarije waardoor ernstig moet worden gevreesd dat artikel 4 van het Handvest in dit land wordt geschonden. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/5975

V-nr: [volgnummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 oktober 2016 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1971, van Iraakse nationaliteit, eiser,

(gemachtigde: mr. F. Engelbertink),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: [naam gemachtigde] , MSc.).

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 9 november 2015 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen en bepaald dat eiser aan de Bulgaarse autoriteiten zal worden overgedragen.

Eiser heeft hiertegen op 26 maart 2016 beroep ingesteld bij de rechtbank en op die datum verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de overdracht te verbieden totdat op het beroep is beslist. Bij uitspraak van 25 april 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:4636) heeft de voorzieningenrechter van deze zittingsplaats het verzoek in die zin toegewezen dat verweerder wordt verboden eiser over te dragen tot op het beroep is beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook waren ter zitting aanwezig F. Said, tolk in de Koerdische taal, en [de persoon] , werkzaam bij de Vereniging VluchtelingenWerk Nederland (VVN).

Overwegingen

1. Verweerder heeft eisers aanvraag bij het bestreden besluit op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 niet in behandeling genomen. Verweerder houdt Bulgarije op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening (EU Verordening 604/2013, PbEU 2013 L180) verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag en heeft dat land voorafgaand aan het bestreden besluit verzocht eiser op die grond terug te nemen. Op 8 januari 2016 hebben de Bulgaarse autoriteiten op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening met de terugname van eiser ingestemd.

2. Eiser beroept zich, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, op artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Hij acht zijn overdracht aan Bulgarije strijdig met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en daarmee tevens met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Eiser wijst onder meer op het rapport van Asylum Information database (AIDA) van oktober 2015 en het rapport ‘Research Note: Reception conditions, detentions and procedural safeguards for asylum seekers and content of international protection in Bulgaria’, van ECRE-ELENA van februari 2016 (ECRE-ELENA). Omdat Bulgarije in 2015 een verviervoudiging heeft gehad van het aantal asielzoekers ten opzichte van 2014 heeft Bulgarije volgens eiser duidelijk onvoldoende capaciteit om de door de EU vastgestelde minimumnormen voor al deze asielzoekers te waarborgen. Verder wijst eiser er op dat uit het rapport van AIDA blijkt dat er geen adequate of aanwezige rechtsbijstand is, er geen dan wel onvoldoende vertaaldiensten zijn, er geen mogelijkheid is rapporten te corrigeren na afname van gehoren, de condities in opvangcentra slecht zijn, mede door een gebrek aan voedsel en medische ondersteuning, en dat de maandelijkse bijdrage van € 33,- voor asielzoekers in maart 2015 met terugwerkende kracht is ingetrokken. Uit het jaarrapport 2015 van Amnesty International blijkt volgens eiser dat de omstandigheden in de opvangcentra, met name wat betreft voedsel, onderdak en toegang tot medische hulp en sanitaire goederen zeer ondermaats zijn. Dit wordt onderstreept door het artikel uit januari 2016 van ‘Forced Migration Review. Bulgaria’s struggle at the frontline’, waarnaar VVN in haar brief ‘Bulgarije-update VV vanaf 6 januari’ van 1 maart 2016 verwijst. In het rapport van ECRE-ELENA wordt vermeld dat de status van Dublinterugkeerders onduidelijk blijft, maar dat het recht op opvang wordt verspeeld na vertrek uit de opvang van meer dan drie dagen. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Duitse rechter in Oldenburg, waarin wordt verwezen naar informatie van UNHCR van 23 december 2014, wordt de asielprocedure opgeschort wanneer een asielzoeker het land verlaat. Als na opschorting drie maanden zijn verstreken, wordt de procedure beëindigd. Na deze beëindiging komt de asielzoeker vrijwel zeker in uitzettingsdetentie terecht en kan alleen een vervolgaanvraag worden ingediend. Op het vluchtrelaas kan eiser zich dan niet meer beroepen. Deze situatie zal voor eiser als kwetsbare Yezidi-asielzoeker extreem moeilijk en in strijd met de uit het EVRM voortvloeiende verplichtingen zijn. Voorts heeft Bulgarije in september 2015 een laatste waarschuwing gekregen van de Europese Commissie omdat de Kwalificatierichtlijn niet is geïmplementeerd. Bulgarije had hierop binnen twee maanden moeten reageren, maar een reactie is uitgebleven. Omdat gezien het voorgaande gerede twijfel bestaat of overdracht strijdig is met artikel 3 van het EVRM, heeft verweerder, ondanks het uitgangspunt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ten onrechte nagelaten zich bij de Bulgaarse autoriteiten te vergewissen of Bulgarije zijn verplichtingen, zoals vastgelegd in de relevante Europese richtlijnen en het Handvest, eerbiedigt.

3.1

De beroepsgronden van eiser houden verband met artikel 3, tweede lid, en artikel 17 van de Dublinverordening. Blijkens artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening dient verweerder, indien het niet mogelijk is eiser over te dragen aan Bulgarije, omdat ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor eiser in Bulgarije systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest, de criteria van hoofdstuk III te onderzoeken teneinde vast te stellen of een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen. Op grond van artikel 17 van de Dublinverordening is verweerder bevoegd de asielaanvraag van eiser aan zich te houden, ook al is hij daartoe op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria niet verplicht.

3.2

De beroepsgronden van eiser slagen niet. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de asielprocedure in Bulgarije systeemfouten bevat die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

4.1

Niet langer is in geschil en dus staat vast dat eiser in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de Dublinverordening heeft ingediend. Evenmin is in geschil dat uit de acceptatie van de Bulgaarse autoriteiten van het terugnameverzoek op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening volgt dat eisers in Bulgarije ingediende eerste verzoek om internationale bescherming als impliciet ingetrokken in de zin van artikel 2, aanhef en onder e, van de Dublinverordening dient te worden beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank strookt deze uitleg door partijen van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening ook met de Engelse en Duitse tekst van die bepaling die als volgt luiden:

“An applicant who is present in another Member State without a residence document or who there lodges an application for international protection after withdrawing his or her first application made in a different Member State during the process of determining the Member State responsible shall be taken back, under the conditions laid down in Articles 23, 24, 25 and 29, by the Member State with which that application for international protection was first lodged, with a view to completing the process of determining the Member State responsible.”

“Der Mitgliedstaat, bei dem der erste Antrag auf internationalen Schutz gestellt wurde, ist gehalten, einen Antragsteller, der sich ohne Aufenthaltstitel im Hoheitsgebiet eines anderen Mitgliedstaats aufhält oder dort einen Antrag auf internationalen Schutz gestellt hat, nachdem er seinen ersten Antrag noch während des Verfahrens zur Bestimmung des zuständigen Mitgliedstaats zurückgezogen hat, nach den Bestimmungen der Artikel 23, 24, 25 und 29 wieder aufzunehmen, um das Verfahren zur Bestimmung des zuständigen Mitgliedstaats zum Abschluss zu bringen.”

4.2

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat Bulgarije het verzoek om internationale bescherming van eiser nog niet inhoudelijk heeft behandeld als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Uit de acceptatie van de claim door Bulgarije op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening volgt dat Bulgarije ten tijde van de acceptatie van de claim nog bezig was met de procedure tot bepaling van de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser verantwoordelijke lidstaat. Eiser heeft in Bulgarije nog geen persoonlijk interview gehad voor een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek en evenmin is gesteld of gebleken dat een afwijzend besluit op zijn verzoek is genomen. In het geval een ingetrokken verzoek in Bulgarije inhoudelijk in behandeling was, hadden de Bulgaarse autoriteiten de claim gehonoreerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. In het geval op een verzoek in Bulgarije afwijzend was beslist, had Bulgarije de claim gehonoreerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.

4.3

Verder ziet de rechtbank voor het oordeel dat eisers asielaanvraag in Bulgarije zal worden behandeld steun in de door verweerder overgelegde stukken. Verweerder heeft gewezen op de Bulgaarse “Law on Asylum and Refugees (LAR)”, waarin het volgende is bepaald:


“ Section I “a”
Measures Applied in pespect of Aliens Seeking International Protection (New, SG No. 80/2015, in force from 16.10.2015)

Art.67a. (New, SG No. 52/2007) (…)
(2) The procedure under this Section shall be initiated upon:
(…)
3. A request for taking charge or taking back in respect of an alien.
(3) (Amended, SG N0. 80/2015, in force from 16.10.2015) A procedure under this Section shall not be initiated and shall not be conducted in cases of a subsequent application for granting international protection on the territory of the Republic of Bulgaria.
(…)
Art. 67e (…)
(2) Where in the cases under Article 67a, paragraph 2, subparagraph 3 it is established that the Republic of Bulgaria is the responsible State for examining an application, the decision-making authority shall initiate a procedure for granting international protection in the Republic of Bulgaria and the rules of sections II, III and IV of this Chapter shall apply.
(3) Where a reques has been received for taking back of an alien whose application has already been examined on the merits, the decision-making authority shall terminate the procdure under this Section. (…)”

4.4

Uit artikel 67a, tweede lid, aanhef en onder 3, gelezen in samenhang met artikel 67e, tweede lid, van LAR kan naar het oordeel van de rechtbank worden opgemaakt dat de Bulgaarse autoriteiten een procedure tot verkrijging van internationale bescherming in Bulgarije van een vreemdeling zullen opstarten als na een verzoek om terugname van de vreemdeling vaststaat dat Bulgarije de verantwoordelijke lidstaat is om het verzoek te onderzoeken. Verweerder stelt zich gelet op de voornoemde bepalingen uit de LAR terecht op het standpunt dat uit de Bulgaarse wetgeving blijkt dat het verzoek van eiser in Bulgarije inhoudelijk zal worden behandeld. De overlegging door eiser van bepalingen uit de LAR van 2007 en de daarop gegeven toelichting ter zitting maakt het vorenstaande niet anders, omdat die bepalingen niet zien op de behandeling van door Dublinterugkeerders ingediende verzoeken om internationale bescherming, maar op de behandeling van dergelijke verzoeken van overige vreemdelingen.

4.5

Verder heeft verweerder in het verweerschrift en ter zitting met succes gewezen op de reactie van de State Agency of Refugees (SAR), het Bulgaarse equivalent van de IND, op onderdeel 3.5 van het rapport “Annual report of the monitoring of the status determination procedure in the Republic of Bulgaria 2015” van het Legal Protection of Refugees and Migrants Program of the Bulgarian Helsinki Committee (hierna: Bulgaarse Helsinki Comité) van januari – april 2016. Hieruit blijkt dat het Bulgaarse Helsinki Comité de SAR de aanbeveling heeft gedaan dat Dublinterugkeerders waarvan de procedures tot statusdeterminatie is beëindigd, worden teruggenomen en dat hun eerdere verzoek om internationale bescherming wordt hervat en dat zij niet worden verplicht tot het indienen van een opvolgende aanvraag. De SAR heeft hierop als volgt gereageerd:


“The new legal arrangements for resuming the procedures terminated in respect of applicants for protection taken back under the Dublin Regulation have been explicitly regulated in LAR by means of the amendments thereto of 22 December 2015. As this matter was regulated at the end of 2015, the procedure throughout the year should not be considered as having been unlawful. Following the ammendments to LAR of 22 December 2015 trainings were organized fort he staff of SAR’s territorial units in order for them to get familiair with the new procedural rules. Explanations have been provided to clarify that these cannot be considered cases of subsequent applications, as the prerequisites for examining an application as a subsequent one within the meaning of the definition of a subsequent application in LAR’s Additional Provisions are not present in a cumulative form. At present the instructions are observed and the procedures in such cases are resumed.”

4.6

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat uit deze reactie van de SAR kan worden opgemaakt dat de Bulgaarse autoriteiten de procedure tot bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser zullen voortzetten en dat Bulgarije dat verzoek inhoudelijk zal behandelen als blijkt dat dit land de voor de behandeling van het verzoek verantwoordelijke lidstaat is.

4.7

Verder heeft eiser met de door hem overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat Bulgarije eisers aanvraag niet inhoudelijk zal behandelen dan wel dat sprake is van systematische tekortkomingen dat daardoor ernstig moet worden gevreesd dat artikel 4 van het Handvest wordt geschonden. Zijn stelling dat in Bulgarije geen adequate of aanwezige rechtsbijstand voorhanden is, slaagt niet. Uit de stukken kan niet worden afgeleid dat de beschikbaarheid van tolken in Bulgarije niet voldoet aan de internationale vereisten. Uit pagina 18 van het AIDA-rapport van oktober 2015 blijkt bovendien dat alle beroepen opschortende werking hebben en dat rechtsbijstand op verzoek door de rechtbank kan worden verleend. Op pagina 25 en 26 van het AIDA-rapport is vermeld dat de SAR daadwerkelijk informatie verschaft over de rechtsmiddelen die tegen een afwijzend besluit kunnen worden ingediend en dat rechtsbijstand bij de gerechtelijke procedures door de Staat wordt vergoed. Uit de pagina’s 23 en 24 van het AIDA-rapport blijkt dat toegang tot de tolkendiensten buiten het persoonlijk interview moeilijk is, maar niet dat er in het geheel geen toegang is tot de tolkendiensten. Uit het rapport van het Bulgaarse Helsinki Comité valt weliswaar af te leiden dat tolken in de afgelopen periode hun vertaalwerkzaamheden wegens betalingsproblemen tijdelijk hebben neergelegd, maar niet dat asielzoekers in Bulgarije in het geheel niet langer door tolken worden bijgestaan. De hiervoor geschetste problemen met de vertaaldiensten leiden, zo blijkt ook uit dat rapport, wel tot vertragingen in de gehoren en de registratie van de verzoekers om internationale bescherming. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit juist worden afgeleid dat Bulgarije de behandeling van verzoeken opschort bij het ontbreken van vertaaldiensten.

4.8

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat niet is gebleken dat ernstig moet worden gevreesd dat de opvangvoorzieningen in Bulgarije systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest.

4.9

De rechtbank ziet in de stukken steun voor het standpunt van verweerder dat eiser in afwachting van een beslissing op zijn aanvraag in Bulgarije opvang, waaronder toegang tot medische zorg, zal krijgen. De rechtbank wijst in dat verband op artikel 29 van de LAR waarin het recht op opvang in Bulgarije is verankerd. Uit pagina 44 en 46 van het AIDA-rapport blijkt voorts dat asielzoekers onderdak, voedsel en medische zorg geboden krijgen, al dan niet met behulp van het Rode Kruis of Non-gouvernementele organisaties. Uit pagina 13 en 14 van het rapport ‘2015 Country Reports on Human Rights Practices Bulgaria, US Department of State’ van 13 april 2016 blijkt dat die opvang nog steeds wordt geboden en dat in de opvangcentra geen sprake was van overbevolking, ondanks de toename in oktober 2015 van het aantal asielaanvragen met 450% ten opzichte van 2014. Daarnaast heeft verweerder er met juistheid op gewezen dat uit pagina 47 van het AIDA-rapport blijkt dat ook tijdens de beroepsprocedure tegen een afwijzende beschikking opvang mogelijk is en dat vreemdelingen alleen bij herhaalde aanvragen van opvang verstoken kunnen blijven. Nu in het geval van eiser geen sprake is van een herhaalde aanvraag, doet die laatste situatie zich voor eiser niet voor. Uit de laatste alinea van pagina 47 van het AIDA-rapport volgt dat tegen een weigering om tot de opvang te worden toegelaten rechtsmiddelen kunnen worden aangewend en dat rechtsbijstand wordt toegekend, zodra het beroep bij de rechtbank aanhangig is.

4.10

Omdat de rechtbank van oordeel is dat ervan mag worden uitgegaan dat eiser na overdracht niet in een detentiecentrum maar in een opvangcentrum terecht zal komen, behoeft de vraag of de verblijfsomstandigheden in detentiecentra in Bulgarije zich verdragen met artikel 4 van het Handvest geen bespreking.

4.11

Gelet op al het voorgaande baat het beroep van eiser op de jurisprudentie van Nederlandse, Duitse en Belgische rechters hem niet en heeft verweerder zich bij de Bulgaarse autoriteiten niet hoeven te vergewissen of Bulgarije zijn internationale verplichtingen daadwerkelijk nakomt.

4.12

De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft aangevoerd dat, in het geval zich in Bulgarije een dreigende schending van artikel 4 van het Handvest voordoet daarover niet in bij de (hogere) autoriteiten van dat land kan worden geklaagd.

5. De beroepsgrond dat verweerder eisers asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich had moeten houden, slaagt evenmin. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser niet als kwetsbare asielzoeker kan worden aangemerkt. Uit het medisch dossier kan weliswaar worden afgeleid dat eiser medische klachten heeft, maar niet dat hij valt onder de groep kwetsbare personen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Dublinverordening of zoals bedoeld in de door eiser genoemde brief van verweerder van 15 mei 2014 aan de voorzitter van de Tweede Kamer. Ook het door eiser genoemde grote aantal afwijzingen in Bulgarije van asielverzoeken van niet-Syrische asielzoekers leidt niet tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Uit het AIDA-rapport blijkt dat het percentage afwijzingen in Bulgarije voor Irakese asielzoekers, tot welke categorie eiser behoort, 57% is. De rechtbank is van oordeel dat hieruit niet kan worden afgeleid dat in Bulgarije sprake is van een gebrekkige procedure of dat eisers asielverzoek op voorhand geen kans van slagen zal hebben. Daarbij komt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt hoe dit afwijzingspercentage in Bulgarije zich verhoudt tot de situatie in andere Europese landen en niet heeft toegelicht of dit percentage bestaat uit inhoudelijk beoordeelde asielverzoeken of (ook) afwijzingen van Irakezen die hangende de procedure naar elders zijn vertrokken.

6. Eisers betoog dat Bulgarije geen integratieprogramma heeft voor erkende vluchtelingen en statushouders dakloos worden en geen assistentie van de Bulgaarse autoriteiten krijgen, valt buiten het bestek van deze procedure. In deze procedure staat de vraag centraal of eiser aan Bulgarije, ter behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming aldaar, kan worden overgedragen. Aan de door eiser beschreven situatie voor statushouders komt pas relevantie toe als hij tot die categorie vreemdelingen behoort. Die situatie doet zich thans niet voor.

7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, voorzitter, en mr. N.M. van Waterschoot en mr. D. Bode, leden, in aanwezigheid van mr. F.S. Zwerwer, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2016.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: FZ

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.