Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:16270

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-12-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
C/09/522222 / KG ZA 16/1438
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kinderopvang versus belastingdienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/522222 / KG ZA 16/1438

Vonnis in kort geding van 29 december 2016

in de zaak van

[eiseres] , t.h.o.d.n. Kinderopvang De Roze Olifantjes,

wonende te Den Haag,

eiseres,

advocaat mr. M.W. Fakiri te Den Haag,

tegen:

de Ontvanger van de Belastingdienst Haaglanden/kantoor Den Haag,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

in persoon verschenen bij mr. J. Nieuwendijk.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘de Ontvanger’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 9 producties;

- de door de Ontvanger bij brief van 7 december 2016 overgelegde producties;

- de bij de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiseres] drijft sinds 2010 als eenmanszaak een onderneming onder de naam ‘Kinderopvang De Roze Olifantjes’. De onderneming betreft een kinderopvang die 24 uur per dag opvang biedt.

2.2.

[eiseres] heeft gedurende een aantal jaren diverse vorderingen van de Ontvanger onbetaald gelaten. Vanaf 2012 heeft de Ontvanger dwangbevelen jegens [eiseres] uitgevaardigd. Op 25 april 2016 heeft de Ontvanger executoriaal beslag gelegd op de roerende zaken (bedrijfsinventaris) op het adres waar de kinderopvang van [eiseres] zich bevindt.

2.3.

Op 30 mei 2016 heeft de Ontvanger [eiseres] aangeboden om de belastingschuld tot en met december 2015 buiten invordering te stellen tegen betaling van een bedrag van € 20.000,-- tot € 25.000,--. Voorwaarden daarbij waren het per omgaande betalen van de loonheffingen over maart en april 2016 (de lopende verplichtingen) en het inleveren van de aangiften inkomstenbelasting over 2013 en 2014. Vóór 15 juni 2016 zou [eiseres] uitsluitsel geven.

2.4.

Bij e-mail van 15 juli 2016 heeft [eiseres] aan de Ontvanger gemeld:

Ik maak graag gebruik van jullie voorstel om met het betalen van een bedrag tussen 20000 en 25000 euro mijn schuld tot aan december 2015 , aan jullie te voldoen.

Ik wil hiervoor de gelegenheid vragen tot eind oktober , zodat ik kan zorgen dat ik dat bedrag bij elkaar heb.

De boekhoudster is nog steeds bezig de administratie van 2013, 2014 en 2015 af te ronden, zodat de definitieve aangifte gedaan kan worden.”

2.5.

De reactie daarop van de Ontvanger van 18 juli 2016 luidt:

“Inmiddels zijn alweer naheffingsaanslagen loonheffing over de maanden maart, april en mei opgelegd. Dit is uiteraard helemaal niet de bedoeling. Wanneer de schuld weer, zoals vanouds, oploopt, gaan we niet meer met u in zee. U zult deze aanslagen, net zoals alle toekomstige verplichtingen, stipt op tijd moeten betalen.

Ik ben nu een paar dagen op kantoor, daarna ben ik niet eerder dan medio augustus terug. Dan zal deze achterstand weggewerkt moeten zijn, uitstel wordt niet verleend. Staan de aanslagen nog open, dan zal de invordering van de volledige schuld hervat worden.”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, zakelijk weergegeven:

primair de Ontvanger te gebieden de executie te staken en gestaakt te houden en te bepalen dat het voorgestelde executoriale beslag onder derden alsmede de voorgestelde deelbetaling voldoende zekerheid bieden tot het moment dat partijen een regeling zijn overeengekomen met betrekking tot de totale belastingschuld;

subsidiair de Ontvanger te gebieden de executie te staken voor een periode van drie maanden.

3.2.

Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. De executie is disproportioneel. Niet alleen het belang van [eiseres] bij voortzetting van haar onderneming, maar ook de belangen van derden moeten worden meegewogen. Bij executie van de in beslag genomen goederen is [eiseres] genoodzaakt om haar kinderopvang plotseling te sluiten. Als gevolg daarvan zullen ongeveer 70 kinderen zonder opvang komen te zitten. De ouders zijn daar nog niet op voorbereid.

[eiseres] is bereid om € 20.000,-- te voldoen op de belastingschuld en zal de Ontvanger de mogelijkheid bieden om beslag te leggen op de vergoedingen die ouders aan [eiseres] verschuldigd zijn voor de opvang van hun kind. Met deze oplossing worden [eiseres] en de andere belanghebbenden minder getroffen en zal de Ontvanger voldoende zekerheid hebben voor de aflossing van de belastingschuld. Het verkopen van de bedrijfsinventaris is in het licht van deze oplossing disproportioneel, te meer nu de Ontvanger eerder instemde met de afkoop van de schuld voor € 25.000,-- en verkoop van de bedrijfsinventaris niet veel zal opleveren.

[eiseres] verzoekt subsidiair in de gelegenheid te worden gesteld om de sluiting van de kinderopvang voor te bereiden door middel van het tijdig informeren van de ouders. Door de executie op dit moment voort te zetten, zal de schade enkel toenemen.

3.3.

De Ontvanger voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Vooropgesteld wordt dat een dwangbevel op grond van artikel 14 van de Invorderingswet 1990 een executoriale titel oplevert die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kan worden gelegd. Bij een executiegeschil als het onderhavige kunnen geen inhoudelijke bezwaren tegen de onderhavige executoriale titel – de dwangbevelen – worden aangevoerd, behoudens die welke nopen tot het oordeel dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Slechts indien de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij executie kan de executie worden verboden.

4.2.

[eiseres] heeft allereerst de hoogte van haar totale belastingschuld betwist, zoals die volgt uit het door de Ontvanger overgelegde overzicht. Wat daar ook van zij, vaststaat dat de belastingschuld ten minste € 127.065,-- bedraagt. [eiseres] heeft immers een schuld van die hoogte erkend. Gesteld noch gebleken is dat een hoger bedrag aan gelden zal worden geïnd door de verkoop van de in beslag genomen goederen.

4.3.

[eiseres] heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat een belangenafweging moet leiden tot een verbod van de executie. Dat standpunt slaagt niet. De bevoegdheid van de Ontvanger om tot uitwinning over te gaan is een onmisbaar instrument voor de invordering van op andere wijze niet te innen belastinggelden ten behoeve van de schatkist en daarmee van algemeen belang. Dit zwaarwegende belang moet slechts in uitzonderingsgevallen wijken voor de op zichzelf mogelijk zeer aanzienlijke belangen van (in dit geval) [eiseres] . Een dergelijk uitzonderingsgeval doet zich hier niet voor. Het door [eiseres] geschetste gevolg van de sluiting van de kinderopvang is een voorzienbaar gevolg van de executie en leidt logischerwijs ook tot nadelen bij derden. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat de Ontvanger misbruik maakt van bevoegdheid.

4.4.

De Ontvanger is voorts niet gehouden tot het treffen van een (betalings)regeling met [eiseres] , te minder nu is gebleken dat de Ontvanger in het verleden tevergeefs heeft gepoogd tot een regeling met [eiseres] te komen en meermaals uitstel heeft verleend. [eiseres] heeft haar belastingschuld in de afgelopen periode evenwel opnieuw laten oplopen, zodat verdere coulance niet van de Ontvanger kan worden gevergd. De Ontvanger heeft voorts onweersproken aangevoerd dat er geen (beleids)ruimte meer is voor verder uitstel op grond van de Leidraad Invordering 2008. [eiseres] heeft de redelijkheid van het in die leidraad weergegeven beleid niet betwist. Daarnaast staat het de Ontvanger vrij om te kiezen op welke wijze hij tot uitwinning wenst over te gaan. Voor een gebod om in te stemmen met het op een andere wijze uitwinnen van de schuld bestaat dan ook geen grond.

4.5.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de primaire vordering dient te worden afgewezen. Dat geldt eveneens voor de subsidiaire vordering, nu een rechtsgrond daarvoor ontbreekt.

4.6.

[eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 1.435,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 619,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2016.