Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1627

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-02-2016
Datum publicatie
18-02-2016
Zaaknummer
15/8440
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

beoordeling geloofwaardigheid seksuele gerichtheid, interne gedragslijn

Zoals verweerder ter zitting nader heeft toegelicht, ziet de door hem kennelijk sinds medio april 2014 gevolgde vaste gedragslijn op de wijze waarop het gehoor dient plaats te vinden en welke thema’s daarin aan de orde dienen te komen. Daargelaten het antwoord op de vraag of verweerder eiser conform deze gedragslijn heeft gehoord, blijkt uit de toelichting van verweerder dat de vaste gedragslijn niet inzichtelijk maakt hoe verweerder aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde homoseksuele gerichtheid in het algemeen pleegt te verrichten. De vaste gedragslijn voldoet reeds daarom niet aan de eisen genoemd in de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015. Verder is niet gebleken dat de interne gedragslijn en de daarbij gehanteerde thema’s in samenspraak met belangenorganisaties, zoals de Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit (COC), tot stand zijn gekomen. Verweerder heeft dan ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat sprake is van een vastgelegde, op de aard van het asielrelaas toegespitste onderzoekssystematiek zoals bedoeld in voormelde uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verwijzing naar deze gedragslijn onvoldoende is om inzichtelijk te maken hoe verweerder de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde homoseksuele gerichtheid in het algemeen pleegt te verrichten en hoe hij deze naar aanleiding van de verklaringen van eiser in de onderhavige zaak heeft verricht. Aan het voorgaande kan de na het bestreden besluit gepubliceerde werkinstructie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/8440

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam][naam],

geboren op [geboortedatum],

van Iraanse nationaliteit,

V-nummer [nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. C.F. Roza),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.J. Douman).

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Blijkens de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting is in geschil de vraag of de weigering een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 te verlenen, in stand kan blijven.

2. Tussen partijen is niet in geschil dat het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen bevat:

- de identiteit, nationaliteit, etniciteit, het referentiekader en de reisroute van eiser;

- de gestelde homoseksualiteit van eiser;

- het incident met zijn oom en neef;

- de bedreiging door twee ooms en het contact met familieleden.

3. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder de identiteit, nationaliteit, etniciteit, het referentiekader en de reisroute van eiser geloofwaardig geacht. Verweerder heeft echter de verklaringen van eiser omtrent zijn gestelde homoseksualiteit, het incident met zijn oom en neef, de bedreiging door twee ooms en het contact met familieleden, niet geloofwaardig geacht. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat eiser bij zijn visumaanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt en een vervalst document heeft overgelegd en dat eiser bij zijn asielaanvraag een valse identiteitskaart heeft overgelegd. Volgens verweerder kunnen de geloofwaardig geachte elementen niet leiden tot een verblijfsvergunning.

4. In het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van

2 december 2014 in de zaken C-148/13 tot en met C-150/13 heeft het HvJ EU de prejudiciële vragen beantwoord over de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid van asielzoekers, die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) aan dit Hof zijn gesteld. Op 8 juli 2015 (zaaknummers: 201208550/1/V2, 201110141/1/V2 en 201210441/1/V2) heeft de Afdeling uitspraak gedaan naar aanleiding van dit arrest van het HvJ EU.

5. De Afdeling heeft in de uitspraak van 8 juli 2015 - voor zover relevant - het volgende geoordeeld:
Teneinde de bestuursrechter in staat te stellen de zorgvuldigheid en motivering van besluiten, als bedoeld in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te toetsen in het licht van deze grenzen, moet de staatssecretaris inzichtelijk maken op welke wijze hij die beoordeling daadwerkelijk in een concrete zaak heeft verricht. Hierbij is met name van belang het soort vragen dat de staatssecretaris heeft gesteld en de wijze waarop hij de antwoorden op die vragen onderling heeft gewogen. Het gaat er hierbij niet alleen om dat de staatssecretaris inzichtelijk maakt wat hij niet doet bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid, maar ook hoe hij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid met inachtneming van artikel 4 van Richtlijn 2004/83 wél heeft ingericht.

Hoewel daartoe door de Afdeling in de gelegenheid gesteld, heeft hij niet inzichtelijk gemaakt welke soort vragen hij wél stelt tijdens de gehoren en of die vragen al dan niet in samenwerking met een belangenorganisatie, zoals de Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit (COC), tot stand zijn gekomen. Hoewel de staatssecretaris blijkens de nadere gehoren in de voorliggende zaken wel vragen stelt aangaande de gestelde seksuele gerichtheid, is niet gebleken dat die vragen voortkomen uit een vastgelegde, op de aard van het asielrelaas toegespitste, onderzoekssystematiek.
De staatssecretaris heeft evenmin kunnen verduidelijken hoe hij vervolgens aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid pleegt te verrichten en hoe hij deze naar aanleiding van de asielrelazen van de vreemdelingen in deze zaken heeft verricht.


De staatssecretaris heeft voorts onvoldoende kunnen verduidelijken welk gewicht hij toekent aan de eventuele ongeloofwaardigheid van verklaringen van een vreemdeling over wat hem in het land van herkomst als gevolg van zijn gestelde seksuele gerichtheid is overkomen en voor hem - mede - aanleiding vormde dat land te verlaten. Dit geldt ook voor door de staatssecretaris ongeloofwaardige geachte verklaringen van een vreemdeling over gebeurtenissen die zich buiten diens land van herkomst, in Nederland of elders, hebben voorgedaan.

Uit het vorenstaande volgt dat de staatssecretaris niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke vragen en antwoorden, in het concrete geval in het licht van het asielrelaas van de desbetreffende vreemdeling, het zwaartepunt ligt en hoe de staatssecretaris de door een vreemdeling gegeven antwoorden waardeert en onderling weegt.

Wegens het ontbreken van een beleidsregel of een vaste gedragslijn van de staatssecretaris over de wijze waarop hij een gestelde seksuele gerichtheid onderzoekt en beoordeelt, terwijl dat onderzoek en die beoordeling binnen het Nederlandse bestuursrechtelijke stelsel in eerste instantie aan hem is, is het voor de bestuursrechter thans niet mogelijk effectief te toetsen hoe de staatssecretaris in een concreet geval dat onderzoek en die beoordeling verricht en aldus een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd besluit neemt over de geloofwaardigheid van een seksuele gerichtheid als asielmotief. Het is binnen dit stelsel niet aan de bestuursrechter, maar aan de staatssecretaris om hieraan in de vormgeving en uitvoering van het vreemdelingenbeleid nader invulling te geven. Daarbij moet hij ook het volgende betrekken.

Het standpunt van de staatssecretaris in zaken als deze over de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid van een vreemdeling vormt, gelet op voormelde systematiek van de Vw 2000, het uitgangspunt voor de beantwoording van de vraag of de betrokken vreemdeling voor een van de verleningsgronden in aanmerking komt (zie in die zin de uitspraken van de Afdeling van 17 februari 2004 in zaak nr. 200308785/1 (https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=84422) en die van 30 januari 2012 in zaak nr. 201008097/1/V2 (https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=64564)). Het staat de staatssecretaris niet vrij bij de onderscheiden verleningsgronden een uiteenlopend standpunt over de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid van een vreemdeling in te nemen.

De staatssecretaris maakt wat betreft de vraag of en, zo ja, in hoeverre terughoudendheid van een vreemdeling mag worden gevraagd onderscheid tussen vluchtelingschap en subsidiaire bescherming. Omdat Richtlijn 2004/83 niet alleen betrekking heeft op de vluchtelingenstatus, maar eveneens op subsidiaire bescherming, moet de staatssecretaris ook dit verschil tussen de rechtspraak van het Hof en het EHRM bij zijn in 7.7. bedoelde invulling van het beleid betrekken.

Nu de staatssecretaris, gelet op wat hiervoor onder 7. tot en met 7.6. is overwogen, onvoldoende heeft verduidelijkt op welke wijze hij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid verricht en hoe zijn beoordeling daarvan plaatsvindt nadat hij het onderzoek heeft afgerond, heeft hij in de onderscheiden besluiten ondeugdelijk gemotiveerd waarom de seksuele gerichtheid van de desbetreffende vreemdeling ongeloofwaardig is.

6. De rechtbank heeft verweerder gevraagd te reageren op de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015. Verweerder heeft bij brieven van 26 augustus 2015 en 26 november 2015 gereageerd op de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015. Verweerder stelt hierin dat door hem sinds medio 2014 een vaste gedragslijn is ontwikkeld voor dit soort zaken, welke is vastgelegd in werkinstructie 2015/9. Deze gedragslijn komt in het dossier van eiser duidelijk naar voren en bestaat voornamelijk uit de nieuwe aanpak van het gehoor waarbij gebruik wordt gemaakt van een (interne) vragenlijst, aldus verweerder. Deze vragenlijst vormt geen checklist maar biedt een richtlijn en kaders voor de vraagstelling. De vragen zijn gegroepeerd rond een aantal thema’s over de eigen ervaringen van de vreemdeling, kennis van de sociale en politieke aspecten van de lesbische, homoseksuele, biseksuele, en transgender (hierna: LBHT)-gemeenschap in het land van herkomst, contact met de LBHT-gemeenschap in Nederland, discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst en het toekomstbeeld van de vreemdeling indien hij/zij zou moeten terugkeren naar het land van herkomst. Verweerder stelt dat eiser conform deze gedragslijn is gehoord.

Naast de wijze van horen is van belang hoe de antwoorden van de vreemdeling uiteindelijk worden gewogen. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de LBHT-gerichtheid zal gewicht worden toegekend aan het proces van ontdekking van de geaardheid en de wijze waarop de vreemdeling stelt daarmee te zijn omgegaan. Deze elementen wegen zwaarder naarmate de vreemdeling afkomstig is uit een land waar de betreffende gerichtheid niet geaccepteerd wordt.

Daarbij is echter wel van belang dat de verklaringen van de vreemdeling steeds in onderlinge samenhang worden bezien, niet alleen in het licht van de thema’s waarover vragen worden gesteld maar ook in het licht van de overige omstandigheden van het geval.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het geval van eiser in het voornemen en besluit tot uiting komt hoe de verschillende elementen, inclusief de overige verklaringen van eiser zijn beoordeeld. In het geval van eiser is onder andere overwogen dat hij niet overtuigend heeft verklaard over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid, nu zijn verklaringen hierover erg algemeen zijn, niet toezien op het gevoelsleven van eiser en hij niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe zijn proces van bewustwording is verlopen. In dat verband is volgens verweerder terecht van belang geacht dat eiser niet kon aangeven hoe hij zich erbij voelde toen hij ontdekte dat hij zich aangetrokken voelde tot mannen, hoe hij met deze gevoelens omging en hoe hij dit probeerde te verbergen. Dit geldt volgens verweerder temeer aangezien eiser goed opgeleid is, een langdurige diepgaande relatie met zijn neef had en een strenggelovige oom die tevens het hoofd van de familie is. In het bestreden besluit is uiteengezet dat en waarom het aangevoerde gevoel van schaamte en terughoudendheid niet maakt dat daarmee de homoseksualiteit aannemelijk is geworden. Verweerder heeft daarbij rekening gehouden met het ontbreken van plausibele verklaringen voor de constateringen die onder andere via Facebook zijn gedaan alsmede de tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen. Mede gelet op deze omstandigheden heeft verweerder de door eiser gestelde geaardheid ongeloofwaardig bevonden.

Ter zitting heeft verweerder hierover voorts nog gesteld dat de nieuwe werkinstructie 2015/9 tot stand is gekomen door de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015 en dat in die werkinstructie meer aandacht is voor de onderlinge weging van de antwoorden op de vragen en de weging van de verklaringen over het specifieke thema van het bewustwordingsproces ten opzichte van de verklaringen over de overige thema’s van de vaste gedragslijn.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals verweerder ter zitting nader heeft toegelicht, ziet de door hem kennelijk sinds medio april 2014 gevolgde vaste gedragslijn op de wijze waarop het gehoor dient plaats te vinden en welke thema’s daarin aan de orde dienen te komen. Daargelaten het antwoord op de vraag of verweerder eiser conform deze gedragslijn heeft gehoord, blijkt uit de toelichting van verweerder dat de vaste gedragslijn niet inzichtelijk maakt hoe verweerder aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde homoseksuele gerichtheid in het algemeen pleegt te verrichten. De vaste gedragslijn voldoet reeds daarom niet aan de eisen genoemd in de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015. Verder is niet gebleken dat de interne gedragslijn en de daarbij gehanteerde thema’s in samenspraak met belangenorganisaties, zoals de Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit (COC), tot stand zijn gekomen. Verweerder heeft dan ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat sprake is van een vastgelegde, op de aard van het asielrelaas toegespitste onderzoekssystematiek zoals bedoeld in voormelde uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verwijzing naar deze gedragslijn onvoldoende is om inzichtelijk te maken hoe verweerder de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde homoseksuele gerichtheid in het algemeen pleegt te verrichten en hoe hij deze naar aanleiding van de verklaringen van eiser in de onderhavige zaak heeft verricht. Aan het voorgaande kan de na het bestreden besluit gepubliceerde werkinstructie 2015/9 niet afdoen.

8. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de overige beroepsgronden te bespreken. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

9. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 992,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 496,--; wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te

nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 992,--, te voldoen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, voorzitter, mr. H.R. Schimmel en mr. A.P.W. Esmeijer, leden, in aanwezigheid van mr. A. Korporaal-Wisman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.